direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01

Motivering

Hoofdstuk 1 AANLEIDING EN DOEL

1.1 Aanleiding

Driessen Grondwerken BV (hierna ook: 'Driessen') is al bijna 80 jaar een gespecialiseerd grondverzetbedrijf met een ruime ervaring in de utiliteitsbouw, woningbouw, weg- en waterbouw en civieltechnische werken en afvalrecycling. Van een eenmanszaak in 1942 in Sevenum is Driessen uitgegroeid tot een bovenregionaal grondverzet- en afvalrecyclingonderneming met diverse vestigingen in de gemeente Horst aan de Maas. Driessen heeft een onafhankelijke milieustraat en verricht calamiteitenwerkzaamheden op snelwegen in Noord-Limburg

Inmiddels dient zich bij Driessen de 4e generatie aan en de focus is nu gericht op toekomstbestendig maken van het bedrijf. Het bedrijf heeft de laatste jaren steeds meer te maken gekregen met aangescherpte wet- en regelgeving en de klimaatdoelstellingen. Zo heeft de Nederlandse overheid zich als doel gesteld om in 2030 voor 50% en in 2050 volledig circulair te zijn. Dit heeft ook gevolgen voor Driessen.

In de toekomst moeten alle materialen en grondstoffen hergebruikt of gerecycled kunnen worden, zodat er geen grondstoffen uit de kringloop verloren gaan.
Om een invulling te geven aan deze doelstelling zal Driessen Grondwerken BV op korte termijn de bedrijfsactiviteiten en processen in lijn met deze nieuwe doelstellingen moeten brengen. Om hieraan te kunnen voldoen en perspectief voor de volgende generatie veilig te kunnen stellen zal geïnvesteerd moeten worden in onder andere modernisering en duurzaamheid, nog meer gebruik maken van de huidige en toekomstige innovatieve ontwikkelingen, procesmatige aanpak bij inname en scheiding van de afvalstromen en een verantwoorde en gecontroleerde afzet van hun half- en eindfabricaten. De aard en omvang van deze ontwikkelingen met bijbehorende investeringen vragen om een toekomstgericht plan met een meerjarig perspectief.

Driessen is een voornamelijk regionale onderneming met lokale werknemers. Het bedrijf is in de gemeente Horst aan de Maas op 4 locaties gehuisvest:

  • Handelstraat 5
  • Dijkerheideweg
  • 2 locaties aan de Hamweg

De Handelstraat 5 is op dit moment in gebruik als opslag van diverse grondstromen ten behoeve van de grondbank, stalling en onderhoud van auto's en overig materieel en tevens is hier het hoofdkantoor van Driessen gevestigd. Verder mag op de Handelstraat 12x per jaar gedurende een periode puin gebroken worden.

De Dijkerheideweg is in gebruik als opslag diverse schone grond- en zandsoorten.

Aan de Hamweg 6 is het afvalinnamestation en hier wordt puin gebroken. Het innamestation is bedoeld voor zowel particulieren als bedrijven. Aan de Hamweg kan bouw- en sloopafval, glas, bitumineuze producten, asbest, hout en diverse gradaties van bedrijfsafval ingeleverd worden. Naast inname kan men ook containerbakken op locatie laten bezorgen en ophalen. Verder werkt Driessen samen met lokale ondernemers voor het innemen van groenafval.

De Hamweg ong. is in gebruik als opslag van diverse grondstromen ten behoeve van de grondbank.

Vanaf eind jaren negentig van de vorige eeuw heeft Driessen samen met de gemeente Horst aan de Maas gezocht naar ruimte en mogelijkheden voor doorontwikkeling van de onderneming op een duurzame locatie. Ook verplaatsing van activiteiten naar andere locaties is meerdere malen onderzocht maar heeft tot op heden voor partijen niet kunnen leidden tot een verantwoorde oplossing.

Om richting te kunnen geven aan de gewenste samenvoeging van de vier bedrijfslocaties op een toekomstbestendige locatie en om de gemeente Horst aan de Maas en haar inwoners en bedrijven de noodzakelijke en gewenste service te kunnen blijven bieden, is er een oplossing gevonden aan de Horsterweg te Grubbenvorst, gelegen binnen de Structuurvisie Klavertje 4, meer specifiek Klaver 11.

Voor de locatie aan de Handelstraat 5 zal worden uitgesloten dat hier in de toekomst puinbreekactiviteiten mogen plaatsvinden. Onderdeel van de integrale overeenkomst is dat de locatie Sintelweg 4 wordt meegenomen in onderhavige wijziging van het omgevingsplan en hierin een bedrijfsfunctie krijgt.

Driessen Grondwerken BV is initiatiefnemer van onderhavig project en acteert hierin samen met de B.V. Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo.

In het collegeprogramma van de gemeente Horst aan de Maas wordt aangegeven dat doorstromers naar de Klavers kansen bieden voor revitalisering van bestaande bedrijventerreinen en omvorming van vrijkomende (solitaire) bedrijfslocaties richting woningbouw, akkerbouw of natuur.  Vooral de beide bedrijfslocaties aan de Hamweg met een steenbreker in de directe omgeving van een stiltegebied nopen tot een evenwichtigere toedeling van functies en dus verplaatsing van deze activiteiten naar een hiervoor geschiktere locatie.

Een centralisering van activiteiten, en dus het samenvoegen van activiteiten van de 4 locaties, zou een oplossing kunnen bieden voor de geschetste omgevingsproblemen en ruimte en mogelijkheden bieden voor het realiseren van de gestelde natuur- en klimaatdoelstellingen; tevens wordt op deze manier ervoor gezorgd dat het bedrijf vanuit bedrijfseconomisch oogpunt toekomstbestendig wordt.

Het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas heeft medewerking toegezegd aan de samenvoeging en het toekomstbestendig maken van de bedrijfsactiviteiten van Driessen Grondwerken BV aan de Horsterweg te Grubbenvorst en aan een herbestemming van de overige betrokken locaties. Om ook deze vertreklocaties een passende functie te kunnen geven, dient voor deze ontwikkeling een wijziging van het omgevingsplan te worden vastgesteld.

1.2 Het plangebied

Het plangebied is verdeeld over 6 locaties binnen de gemeente Horst aan de Maas: vier te beëindigen of af te schalen locaties, één nieuwe locatie waar alle grondwerk- en recyclingactiviteiten samen zullen worden gevoegd en één locatie welke passend zal worden herbestemd en daarmee wordt toegevoegd aan Klaver 11.

De af te schalen locaties betreffen:

  • Dijkerheideweg ong., kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie T perceelnummers 2000, 2003 en 2018 (ged.). De locatie kent de bestemming Bedrijf, met uitzondering van perceel 2003 welke de bestemming Verkeer heeft en ook de bestemming Bedrijf krijgt in verband met de verplaatsing van het elektriciteitshuisje. Dit deel van het plangebied ligt in het buitengebied ten zuidoosten van de kern Horst en ten zuiden van de A73. De omvang van dit deel van het plangebied bedraagt circa 5677 m2. Op onderstaande luchtfoto en uitsnede uit de kadastrale kaart is de ligging van de locatie (blauw omlijnd) weergegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0002.jpg"

Figuur 1: Luchtfoto Dijkerheideweg

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0003.jpg"

Figuur 2: kadastrale kaart Dijkerheideweg

Op deze locatie komt de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - grondverzetbedrijf' te vervallen en de vergunning die ziet op de grondverzetactiviteit wordt ingetrokken. Wel wordt het mogelijk gemaakt om ten behoeve van de bedrijfsbestemming (milieucategorie 1 en 2) nieuwe bebouwing op te richten met een totaal bebouwingsoppervlak van maximaal 2270 m2.

  • Hamweg 6 en tegenover gelegen perceel, kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie T perceelnummers 658, 1687, 1688, 1689 en 4897. Dit deel van het plangebied ligt eveneens in het buitengebied ten zuidoosten van de kern Horst en ten zuiden van de A73. De omvang van dit deel van het plangebied bedraagt 17.063 m2. Vanwege het feit dat er ten behoeve van de nieuwe woning aan de Hamweg 6 een spuitvrije zone opgenomen dient te worden, worden tevens delen van de gronden kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie T perceelnummer 2040 en sectie C perceelnummer 2534 meegenomen in de wijziging van het omgevingsplan. Op onderstaande luchtfoto en uitsnede uit de kadastrale kaart is de ligging van de locatie (blauw omlijnd) weergegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0004.png"

Figuur 3: Luchtfoto Hamweg

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0005.png"

Figuur 4: kadastrale kaart Hamweg

Aan de Hamweg 6 komt de bestemming Bedrijf met de aanduidingen 'specifieke vorm van bedrijf - aannemersbedrijf' en 'specifieke vorm van bedrijf - puinbrekeractiviteiten' te vervallen en wordt herbestemd ten behoeve van de realisatie van één woning op een bestemmingsvlak Wonen van 750 m2, welke woning in de plaats komt van de bedrijfswoning welke binnen de vigerende bestemming is toegestaan; de resterende gronden krijgen de functie Natuur , evenals perceel T 1687 en de delen van de percelen T 2040 en C 2534 welke binnen een afstand van 50 m rondom de woonfunctie liggen. Dit laatste heeft te maken met het waarborgen van een spuitvrije zone van 50 m.

De overzijde van de Hamweg 6 krijgt eveneens de functie Natuur.

  • Handelstraat 5, kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie T perceelnummers 783, 784, 1324, 1899 en 4627. Dit deel van het plangebied ligt op het bedrijventerrein Hoogveld. De omvang van dit deel van het plangebied bedraagt 26.019 m2. Op onderstaande luchtfoto en uitsnede uit de kadastrale kaart is de ligging van de locatie (blauw omlijnd) weergegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0006.png" Figuur 5: Luchtfoto Handelstraat 5

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0007.jpg"

Figuur 6: kadastrale kaart Handelstraat 5

De bedrijfsbestemming op deze locatie wordt beperkt afgeschaald in die zin dat hier het breken en opslaan van puin niet meer is toegestaan. Hiertoe is in de regels een bepaling opgenomen.

Overige bedrijven van categorie 3.1 tot en met categorie 3.2, die zijn opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten (bijlage bij de regels) en/of daarmee qua milieueffecten gelijk te stellen bedrijven en/of activiteiten blijven hier toegestaan.

  • Ontwikkellocatie Horsterweg ongenummerd te Grubbenvorst, kadastraal bekend als gemeente Grubbenvorst, sectie L perceelnummer 1034 (ged.). Dit deel van het plangebied ligt eveneens in het buitengebied ten zuidoosten van de kern Horst en ten zuiden van de A73. De omvang van dit deel van het plangebied bedraagt 70.010 m2. Op onderstaande luchtfoto en uitsnede uit de kadastrale kaart is de ligging van de locatie (blauw omlijnd) weergegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0008.jpg"

Figuur 7: luchtfoto Horsterweg, nieuwe locatie

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0009.jpg"

Figuur 8: kadastrale kaart Horsterweg, nieuwe locatie

Op deze locatie worden de bedrijfsactiviteiten van Driessen Grondwerken BV samengevoegd.

  • Sintelweg 4 te Grubbenvorst, kadastraal bekend als gemeente Grubbenvorst, sectie L perceelnummer 944, 946, 330 (ged.) en 364. Dit deel van het plangebied ligt eveneens in het buitengebied ten zuidoosten van de kern Horst, ten zuiden van de A73 en grenst aan de bedrijfsbestemmingen binnen het plangebied Klaver 11. De omvang van dit deel van het plangebied bedraagt 37.268 m2. Op onderstaande luchtfoto en uitsnede uit de kadastrale kaart is de ligging van de locatie (blauw omlijnd) weergegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0010.png"

Figuur 9: luchtfoto Sintelweg 4

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0011.png"

Figuur 10: kadastrale kaart Sintelweg 4

Op onderstaande afbeelding zijn de locaties op één overzichtskaart in beeld gebracht:

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0012.jpg"

Figuur 11: overzichtskaart

1.3 Het omgevingsplan

Voor de delen van het plangebied vigeren de volgende (tijdelijke delen van het) omgevingsplan:

Naam omgevingsplan   Bestemming en aanduidingen   Vaststelling Raad  
Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas   Dijkerheideweg :
-Bedrijf
- bouwvlak gelijk aan bestemmingsvlak (bestaande bebouwingsoppervlakte is toegestaan)
-Waarde - Archeologie 3
-Specifieke vorm van bedrijf - grondverzetbedrijf
-Overige zone - heideontginning
-Milieuzone - grondwaterbescher- mingsgebied Venloschol
- Overige zone - Beekdal

Percelen C2534, C 4897, T 1687 en T2040
-Agrarisch met waarden
-Waarde - Archeologie 3
-Overige zone - beekdal
-Milieuzone - grondwaterbescher- mingsgebied Venloschol  
19 december 2017  
Hamweg 6, Horst

 
Hamweg 6:
-Bedrijf
-Waarde - Archeologie 3
-Specifieke vorm van bedrijf - aannemersbedrijf
-Specifieke vorm van bedrijf - puinbrekeractiviteiten
-Milieuzone - grondwaterbescher- mingsgebied Venloschol
-Maatvoering: oppervlakte 1608 m2  
6 februari 2017  
Werkgelegenheidsgebieden I   Handelstraat 5:
-Bedrijventerrein
-Waarde - Archeologie
-Bouwvlak
-Functieaanduiding: bedrijfscategorie 4.2 en klein deel categorie 2  
10 september 2013  
Klaver 11   Horsterweg ong.:
-Bedrijventerrein - Agribusiness 2
-Leiding - Hoogspanningsverbinding
-Bouwvlak
-Functieaanduiding: bedrijf tot en met
categorie 4.2
-Maatvoeringen:
maximum bouwhoogte (m): 12
maximum bebouwingspercentage
(%): 40
-Gebiedsaanduiding:
vrijwaringszone - weg
milieuzone - geurzone

Sintelweg 4:
-Wonen
-Bouwvlak
-Agrarisch
-Functieaanduiding: Groen
-Gebiedsaanduiding:
vrijwaringszone - weg  
16 december 2014  
Bestemmingsplan 'Parapluplan Internationale werknemers Horst aan de Maas 2021' (geldt voor alle delen van het plangebied)   uitbreiding algemene mogelijkheden
tot huisvesting van internationale
werknemers  
20 april 2021
(NB: op 22 april 2025 is een voorbereidingsbesluit genomen, waardoor dit parapluplan maximaal 1,5 jaar buiten werking is gesteld.)  

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0013.jpg" Figuur 12: uitsnede vigerend omgevingsplan Dijkerheideweg

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0014.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0015.png"

Figuur 13: uitsnede vigerend omgevingsplan rondom en tegenover Hamweg 6 (C2534, C 4897, T 1687 en T2040 )

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0016.jpg"

Figuur 14: uitsnede vigerend omgevingsplan Handelstraat 5

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0017.jpg"

Figuur 15: uitsnede vigerend omgevingsplan Horsterweg

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0018.jpg"

Figuur 16: uitsnede vigerend omgevingsplan Sintelweg 4

Voor de ontwikkellocatie aan de Horsterweg ong. bepaalt het bestemmingsplan Klaver 11 dat de voor 'Bedrijventerrein - Agribusiness 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor uitsluitend agribusinessbedrijven met dien verstande dat deze bedrijven moeten passen binnen ten hoogste milieucategorie 4.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

Onder 'agribusiness 2' worden bedrijfsmatige activiteiten verstaan die een ondersteunende, toeleverende, verwerkende of dienstverlenende functie hebben voor agrarische bedrijvigheid. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om bedrijven die zich bezighouden met vervaardiging en verwerking van agrarische grondstoffen, halffabricaten en reststromen, industriële bedrijven in de machinebouw en metaalconstructie.

De verplaatsing van Driessen Grondwerken BV past maar ten dele binnen deze bestemming omdat het bedrijf zich niet alleen richt op verwerking van agrarische grondstoffen maar van goederenstromen in zijn algemeenheid. Derhalve zal voor de nieuwe ontwikkeling een passende functietoedeling dienen plaats te vinden.

Alle locaties zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden in die zin dat de ontwikkellocatie pas kan worden ontwikkeld als de vertreklocaties een passende herbestemming krijgen; andersom zullen de vertreklocaties niet eerder een passende herbestemming krijgen, voordat de verplaatsing naar de Horsterweg planologisch is geregeld.

Deze exercitie kan uitsluitend via een wijziging van het omgevingsplan gerealiseerd worden.

 

1.4 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de activiteiten en functies die mogelijk wordt gemaakt. Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving en analyse van de huidige ruimtelijk- functionele situatie. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de gewenste situatie, de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 4 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 5 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. Hoofdstuk 6 gaat in op de vraag of er sprake is van een beperkingengebied. In hoofdstuk 7 komt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde, waarna de conclusie in hoofdstuk 8 volgt.

Per onderdeel zal een uitsplitsing per locatie worden gemaakt.

Hoofdstuk 2 BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE

In dit hoofdstuk wordt een korte beschrijving gegeven van de huidige situatie van het plangebied en de omgeving ervan. Dit dient als basis voor de voorgenomen ontwikkeling.

2.1 Ruimtelijke en functionele structuur

Hamweg en Dijkerheideweg

De beide locaties aan de Hamweg en de locatie aan de Dijkerheideweg liggen in het buitengebied ten zuidoosten van de kern Horst. Tussen beide straten in bevindt zich natuurgebied de Reulsberg. Het gebied is 105 ha groot en bestaat uit een stuifzandduin dat, teneinde het zand te beteugelen, met naaldhout werd bebost. Er zijn enkele heide- en stuifzandrelicten. De Reulsberg is een wandelgebied, deels in eigendom van de gemeente Horst aan de Maas, deels in handen van particulieren. Binnen de Reulsberg ligt ook een motorcrossterrein. Het gebied is gelegen tussen het dal van de Groote Molenbeek met natuurgebied 't Ham, en het dal van de Langevense Loop. Beide waterlopen lopen in noordoostelijke richting.

Handelstraat

De locatie Handelstraat 5 ligt op bedrijventerrein Hoogveld in Horst. Het betreft een bedrijventerrein voor bedrijven tot en met de milieucategorie 3.2 waarbij het zuidelijke deel voornamelijk bestemd is voor de zwaardere bedrijven tot milieucategorie 4.2 en het noordoostelijke deel voor lichtere bedrijven tot de milieucategorie 2. Het bedrijventerrein kent weinig tot geen uitbreidingsmogelijkheden.

Horsterweg en Sintelweg 4

De ontwikkellocatie aan de Horsterweg is, evenals de Sintelweg 4, gelegen in het gebied van Klaver 11 dat wordt begrensd door de A73 in het noordoosten, de Dijkerheideweg in het noorden en de Horsterweg/Venloseweg in het zuidwesten. In het uiterste noorden van Klaver 11 naderen de A73 en de Venloseweg elkaar en lopen parallel in de richting van Horst. Aan de zuidzijde van Klaver 11 ligt het bedrijf BVB-Euroveen.

Binnen Klaver 11 bestaat verder een gevarieerd patroon aan bedrijven. In het zuidelijk deel zijn de bedrijven Kurstjens en AgXeed gevestigd. Deze bedrijven behoren tot de categorie 'agribusiness'. In het midden en noorden zijn Carrier Transicold (gekoeld transport), I.R.F. en TIP (transportbedrijven), Walkro (productielocatie voor champignonteelt en compostering) en ARCO Solutions (assemblage en toelevering voor logistieke processen voor de voedselindustrie) gevestigd. In de noordwestelijke hoek van Klaver 11 bevinden zich nog twee agrarische bedrijven (glastuinbouw en pluimveehouderij) en een tweetal burgerwoningen Venloseweg 113 en Sintelweg 4).

Aan de overzijde van de Horsterweg ligt het glastuinbouwgebied Californië en aan de overzijde van de A73 ligt landbouwontwikkelingsgebied Witveldweg. Aan de overzijde van de Horsterweg zijn een tiental burgerwoningen gesitueerd, twee niet-agrarische bedrijven, één sportfunctie en één huisvestingslocatie voor arbeidsmigranten.

Hoofdstuk 3 VOORGENOMEN ONTWIKKELING

3.1 Initiatief

Zoals in paragraaf 1.1 al aan de orde is gekomen, is het bedrijf Driessen momenteel op 4 locaties gehuisvest:

  • Handelstraat 5
  • Dijkerheideweg
  • 2 locaties aan de Hamweg

De Handelstraat 5 zal de huidige bedrijfsbestemming voor bedrijven tot en met de milieucategorie 4.2 behouden, waarbij op de verbeelding en in de planregels een aanduiding zal worden toegevoegd waarmee wordt voorkomen dat er nieuwe puinbreekactiviteiten zullen mogen plaatsvinden. De voor de puinbreekactiviteiten vigerende vergunningen zullen geheel worden ingetrokken.

De Dijkerheideweg zal de huidige bestemming Bedrijf behouden, doch de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - grondverzetbedrijf' zal komen te vervallen.

De Hamweg 6 heeft nu de bestemming Bedrijf met de aanduidingen 'specifieke vorm van bedrijf - aannemersbedrijf' en 'specifieke vorm van bedrijf - puinbrekeractiviteiten'. Deze bedrijfsbestemming met de mogelijkheid voor een bedrijfswoning zal komen te vervallen, alle opstallen worden gesloopt en bedrijfsactiviteiten beëindigd en hiervoor in de plaats komt de bestemming Wonen ten behoeve van de realisatie van één burgerwoning (ter vervanging van de mogelijkheid voor de realisatie van een bedrijfswoning) waarbij de woonfunctie in totaal circa 750 m2 groot zal worden en de overige gronden de bestemming Natuur krijgen en zullen worden voorzien van een landschappelijke inpassing.

De Hamweg ong. zal eveneens worden verkocht aan het Ontwikkelbedrijf en zal in dit omgevingsplan van de bestemming Agrarisch met waarden naar de bestemming Natuur gaan. Om deze locatie passend te laten aansluiten op het aangrenzend natuurgebied de Reulsberg en zo een ecologische verbindingszone tot stand te brengen tussen de Reulsberg en het dal van de Groote Molenbeek, zal een landschappelijk inpassingsplan worden opgesteld.

De Sintelweg 4, gelegen in het Ontwikkelingsgebied Agribusiness zoals bedoeld en omschreven in de Intergemeentelijke Structuurvisie Klavertje 4-gebied, en nu bestemd als Wonen en Agrarisch, zal worden meegenomen in onderhavige wijziging van het omgevingsplan en zal hierin tot een maximale omvang van 31.561 m2 worden bestemd als bedrijf. De twee stroken aan de noord- (A73) en zuidzijde (Sintelweg 4) van de locatie, worden bestemd als Groen. De huidige opstallen zullen geheel worden gesloopt.

Alle bedrijfsactiviteiten van Driessen Grondwerken BV zullen worden samengevoegd op de nieuwe locatie aan de Horsterweg ongenummerd. Aan die locatie zal een passende functie worden toegekend waarbinnen de huidige en voorgenomen activiteiten van Driessen een plek kunnen krijgen; dit betekent met name dat de bedrijfsactiviteiten geen link meer behoeven te hebben met agrarische bedrijvigheid en dat de puinbreker in de gewenste omvang een plek krijgt binnen de bedrijfsfunctie. Voor het overige zijn bedrijfsactiviteiten tot en met de milieucategorie 4.2 nu reeds toegestaan. Op deze locatie zullen, naast het bijbehorende kantoor, in- danwel uitpandig de volgende activiteiten plaatsvinden:

  • a. aanvoer, opslag en overslag van los gestorte bouwstoffen zoals zand, grond, grind en (puin)granulaat en daarmee vergelijkbare stoffen;
  • b. aanvoer, opslag, be- en verwerking van materialen die vrijkomen bij de bouw en sloop van gebouwen en terreinen zoals puin, asfalt, hout, glas, asbest, groenresten en daarmee vergelijkbare stoffen;
  • c. het verwerken en opwaarderen van ingenomen bouw- en grondstoffen als genoemd onder a. en b., maar niet beperkt tot het breken van puin en asfalt;
  • d. het reinigen en verwerken van bijvoorbeeld plastics en daarmee vergelijkbare activiteiten en de opslag en overslag van aldus geproduceerde nieuwe producten en nieuwe grondstoffen;
  • e. de inname van afval en te recycleren producten en materialen van particulieren en bedrijven;
  • f. voorzieningen voor het be- en verwerken van de onder a en b genoemde producten ten bate van het hergebruik hiervan of van onderdelen hiervan;
  • g. stalling, opslag en beheer van materiaal en materieel benodigd voor het (incidenten)beheer van wegen zoals gladheidbestrijding maar ook calamiteitenvoorkoming en -bestrijding;
  • h. stalling, opslag en beheer van eigen materiaal en eigen materieel benodigd voor de uitvoering van infrastructurele, bouw, cultuur- en civieltechnische werken;
  • i. voorzieningen voor het onderhoud, stalling, reparatie en beheer van bij bovengenoemde activiteiten noodzakelijke machines, vervoersmiddelen en installaties.

3.2 Stedenbouwkundig

Handelstraat 5

Op deze locatie zullen er in beginsel geen stedenbouwkundige wijzigingen plaatsvinden. De puinbreekactiviteiten komen hier niet meer terug hetgeen gewaarborgd wordt middels toevoegen van een bepaling in de planregels, en het perceel zal gebruikt worden voor overige bedrijfsactiviteiten in maximaal de milieucategorie 4.2.

Dijkerheideweg 

Op deze locatie zullen geen stedenbouwkundige wijzigingen plaatsvinden. De grondverzetactiviteiten worden beëindigd en het perceel kan gebruikt worden voor overige bedrijfsactiviteiten in maximaal de milieucategorie 2.

Hamweg 6 

Na sloop van alle bedrijfsopstallen, sanering van de locatie en intrekking van alle vergunningen, zal binnen een oppervlak van 750 m2 een nieuwe woning worden gerealiseerd ter vervanging van de bestaande mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfswoning. Hoe deze woning zal worden vormgegeven is op voorhand niet bekend, maar voorwaarde is dat deze een maximaal volume krijgt van 750 m3 en zal bestaan uit één bouwlaag met een hellende kap. Aan de toe te delen functie Wonen zullen bouwregels worden gekoppeld welke, behoudens het noodzakelijke maatwerk, in de lijn liggen met de bouwregels die binnen de bestemming Wonen gelden in het Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas 2017, waarmee zoveel mogelijk een uniforme regeling voor woningen in het buitengebied wordt beoogd.

De nieuwe bebouwing en landschappelijke inpassing dient te voldoen aan het bepaalde in het aan de planregels gekoppelde beeldkwaliteitsplan.

De globale indeling van het perceel en de situering van de bestemming Wonen en het bouwvlak ten behoeve van de woning is op de volgende schets weergegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0019.png"

Figuur 17: inrichting Hamweg 6

Hamweg ong.

Op deze locatie zal in het geheel niet worden gebouwd, zoals voorgaande schets ook laat zien. Deze gronden krijgen een natuurfunctie.

Sintelweg 4 

Na sloop van alle opstallen zullen hier nieuwe bedrijven gevestigd kunnen worden. Welke bedrijven dit zullen zijn en hoe ze worden vormgegeven is op voorhand niet bekend. Aan de nieuw toe te delen functie Bedrijventerrein ten behoeve van agribusiness -2 zullen bouwregels worden gekoppeld welke vergelijkbaar zijn met de bouwregels binnen het Bestemmingsplan Klaver 11, waarmee een uniforme regeling voor bedrijven in dit gebied wordt beoogd. De nieuwe bebouwing en landschappelijke inpassing dient te passen binnen de kaders van het beeldkwaliteitsplan, bijgevoegd als Bijlage 2 bij de planregels. De bouwhoogte wordt gemaximeerd op 12 m. Uit de bezonningsstudie (bijgevoegd als Bijlage 4) blijkt dat de belangen van het nabijgelegen glastuinbouwbedrijf niet worden geschaad bij deze maximale bouwhoogte.

Horsterweg ongenummerd

Bij de inrichting van het nieuwe bedrijfsperceel van Driessen wordt rekening gehouden met invloeden vanuit de omgeving. Zo dient het gebied onder de hoogspanningsmasten vrij te zijn van bebouwing en gelden er beperkingen vanwege het magnetisch veld.

Een strook van 100 m vanuit de as van de buitenste rijbaan van de A73 valt binnen de vrijwaringszone van de weg. In de zone tussen de 50 en 100 meter kunnen bouwwerken worden gerealiseerd, indien er geen afbreuk wordt gedaan aan de belangen van het wegverkeer en mits hiervoor instemming is verkregen van Rijkswaterstaat. Binnen deze 50-100 m vanuit de A73 zijn de keerwanden (legioblokken met een hoogte van circa 4 m) ten behoeve van de inname en opslag van goederen gepland, alsmede de weegbruggen met een kantoortje (hoogte van circa 3 m). Om het zicht op opgeslagen goederen vanaf de A73 te beperken, zal parallel aan de A73 de grondwal worden verhoogd van 2 m (voor en voorbij het plangebied) tot een hoogte van circa 4 m ter plaatse van het plangebied, welke grondwal voorzien wordt van beplanting. De doorsnede van het hoogste deel van deze grondwal, met aan de linkerzijde de bedrijfslocatie en aan de rechterzijde de A73, laat zich als volgt schetsen:

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0020.png"

Figuur 18: doorsnede van grondwal

Langs de Gekkengraaf zal, daar waar geen bedrijfsgebouw wordt gerealiseerd, een damwand 'fop-gevel' met een hoogte van 4 m en een lengte van circa 110 m worden gerealiseerd; deze gaat schuil achter de bomenrij die tussen deze wand en de Gekkengraaf staat. Door de situering van de fop-gevel op de erfgrens wordt de bedrijfsvoering niet gehinderd en kan het interne bedrijfsverkeer geheel achter deze wanden manoeuvreren.

Op onderstaande tekening is deze dwarsdoorsnede gevisualiseerd:

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0021.png"

Figuur 19: fopgevel langs Gekkengraaf

Buiten de opslag van grond, zand, teelaarde, beton-, meng- en asfaltgranulaat, puin, de innameplekken van stoffen en de weegbruggen, zullen er tussen het tracé van de hoogspanningsleidingen en de vrijwaringszone van de A73 enkele bedrijfsgebouwen worden gerealiseerd. Het betreft een kantoor ten behoeve van het bedrijf, een werkplaats,een sorteerhal met milieustraat en een opslaghal. Op figuur 20 (en als separate bijlage 1) is de inrichtingsschets alsmede een 3D-visualisatie van de massa's weergegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0022.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0023.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0024.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0025.png"

Figuur 20: impressie nieuwbouw (plattegrond en in vogelvlucht)

Op figuur 21 is een impressie weergegeven van het kantoor met omliggende bebouwing:

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0026.png"

Figuur 21: impressie kantoor

De bouwhoogte van het kantoor bedraagt maximaal 11 m en de goothoogte maximaal 7,5 m. De voorgevel van het representatieve kantoor zal op de nieuw te realiseren interne ontsluitingsweg worden georiënteerd. De nieuwe bebouwing en landschappelijke inpassing dient te passen binnen de kaders van het beeldkwaliteitsplan, bijgevoegd als Bijlage 2 bij de planregels.

3.3 Duurzaamheid

Op 15 december 2020 is door de gemeenteraad het 'Kader Opwekking Duurzame Elektriciteit vastgesteld (KODE). In KODE zijn kaders opgesteld over de manier waarop de gemeente duurzame elektriciteit willen gaan opwekken. Hierbij gaat het over mogelijke toekomstige plaatsen, koppelkansen, inpassing, hinder en participatie en de voorwaarden hiervoor.

De gemeente Horst aan de Maas wil in 2050 klimaatneutraal zijn en al in 2030 35% minder energie verbruiken en 30% van de rest van de energie die nodig is duurzaam en lokaal opwekken.

Ter plaatse van de nieuwe bedrijfslocaties aan de Horsterweg ong, de Sintelweg en ook bij de nieuwe woning aan de Hamweg 6 welke in de plaats komt van de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfswoning, zal de nieuwbouw zoveel als mogelijk energieneutraal zijn, door het opwekken van eigen zonne-energie, het gebruik van warmtepompen en indien mogelijk het hergebruik van hemelwater. Voor het bedrijf Driessen zal dit betekenen dat met de opgewekte zonne-energie ook (een deel van) het wagenpark kan rijden door daar waar bedrijfstechnisch mogelijk en bedrijfseconomisch haalbaar is, gebruik te maken van elektrische voertuigen en machines.

3.4 Landschappelijk

Handelstraat 5

Doordat deze locatie de bedrijfsbestemming behoudt, is op voorhand niet bekend hoe het perceel gebruikt zal gaan worden en of hiermee sprake kan zijn van een gewijzigde inrichting. Het is en blijft een bedrijfsperceel waarbij de mate van landschappelijke inpassing gering is. Tussen het bedrijfsperceel en de Hesselenweg ligt een groenstrook met bomen en struiken welke zorgt voor een landschappelijke afscheiding tussen het bedrijventerrein Hoogveld en het beekdal van de Groote Molenbeek.

Dijkerheideweg 

Indien deze locatie door een nieuwe gebruiker in gebruik zal worden genomen voor bedrijfsactiviteiten in maximaal de milieucategorie 2, is het aan deze nieuwe gebruiker of en op welke wijze zijn bedrijfsactiviteiten landschappelijk zullen worden ingepast. Op voorhand kan hiervoor geen plan worden opgesteld.

Hamweg 6 

Het perceel rondom de nieuw te realiseren woning zal geheel landschappelijk worden ingepast en samen met de nieuwe natuur op het tegenover liggende perceel Hamweg ong. zal er een ecologische verbindingszone tot stand komen tussen natuurgebied de Reulsberg en het beekdal van de Groote Molenbeek. Hiertoe is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld dat als figuur 21 is opgenomen en tevens als Bijlage 6 is bijgevoegd. Het plangebied wordt ingericht met verschillende natuurtypen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0027.png"

Figuur 22: impressie landschappelijke inpassing Hamweg

Het woonperceel behoort niet tot deze ecologische verbindingszone maar zal ook passend worden aangeplant. Hiertoe kan eerst een inrichtingsplan worden opgesteld zodra bekend is hoe de woning zal worden vormgegeven.

Sintelweg 4 

Na sloop van alle opstallen zullen hier nieuw bedrijven gevestigd kunnen worden. De niet tot bedrijf te bestemmen gronden, zijnde twee stroken aan de noord- (A73) en zuidzijde (Sintelweg 4) van de locatie met een totale omvang van 5.208 m2, worden bestemd als Groen en zullen derhalve landschappelijk worden ingepast conform het bepaalde in het beeldkwaliteitsplan.

Horsterweg ong.

De nieuwe bedrijfslocatie van Driessen ligt midden op het bedrijventerrein Klaver 11 en zal aan de zijde van de A73 ingekleed worden met een landschappelijk inpassingsplan conform het bepaalde in het beeldkwaliteitsplan.

Hoofdstuk 4 BELEID EN REGELGEVING

In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor de activiteiten toegelicht en worden de activiteiten hieraan getoetst. Er wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds beleid van hogere overheden waar lagere overheden rekening mee moeten houden, doch gemotiveerd van kunnen afwijken en anderzijds instructieregels van hogere overheden in omgevingsverordeningen en het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). De regels uit het Bkl worden in hoofdstuk 5 van deze wijziging van het omgevingsplan gemotiveerd getoetst aan de activiteit.

Er wordt per deellocatie getoetst aan de beleidsmatige uitgangspunten.

4.1 Rijksbeleid en Rijksregels

4.1.1 Nationale omgevingsvisie

Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan.

Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:

  • een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio's rondom de mainports, brainports, greenports en valleys;
  • over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed;
  • een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is een ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
  • duurzaam economisch groeipotentieel
  • sterke en gezonde steden en regio's
  • toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Nederland gaat voor een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Dit betekent dat landgebruik in balans wordt gebracht met natuurlijke systemen en ontwikkelingen in het landelijk gebied niet ten koste gaan van landschappelijke kwaliteiten. In het landelijk gebied spelen veel nationale belangen die ruimte vragen, waaronder de ontwikkeling van een duurzame (kringloop)landbouw voor voedsel en agroproductie, het waarborgen van de waterveiligheid en klimaatbestendigheid, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende zoetwater en een goede kwaliteit van oppervlakte- en grondwater. Maar ook het behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten, de productie en transport van hernieuwbare energie en het verbeteren en beschermen van de biodiversiteit hebben ruimte nodig. Het versterken van de natuur is mede vanwege de stikstofcrisis een urgente opgave. Deze verschillende, toenemende en deels strijdige claims op de fysieke leefomgeving vragen om nadere afweging zowel nationaal als in regionale en lokale gebiedsprocessen.

In de omgevingsvisie is Venlo en omgeving aangewezen als stedelijke regio met een concentratie van topsectoren: Logistiek, Tuinbouw en uitgangsmaterialen en Agro & food. De opgave is te zorgen voor een excellent vestigingsklimaat met optimale (internationale) bereikbaarheid, een aantrekkelijke, groene, veilige en gezonde leefomgeving, en op de vraag afgestemd aanbod van ruimte voor bedrijvigheid, waarbij overschotten en tekorten worden voorkomen.

4.1.2 Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030

Op 3 februari 2023 is het Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030 (NPCE) vastgesteld. Nederland wil in 2050 volledig circulair zijn. De milieueffecten van grondstoffengebruik in een circulaire economie, dus van alle Nederlandse productie en consumptie, vallen dan binnen de 'planetaire' grenzen. Het Rijk werkt aan een concretisering van de planetaire grenzen en de daaruit volgende 'veilige operationele ruimte' voor het grondstoffengebruik door Nederland en zet zich ook op Europees niveau in om dit verder te operationaliseren. Daarnaast zijn er op productgroepniveau circulariteitsdoelen uitgewerkt die betrekking hebben op het grondstoffengebruik.

Het circulaire-economiebeleid is tot op heden vooral gericht op vrijwilligheid en vrijblijvendheid. Om de ambitie van volledige circulariteit te verwezenlijken zijn meer richtinggevende en dwingende maatregelen nodig. Daarom wordt ingezet op een mix van beprijzende, normerende en stimulerende maatregelen.

In het NPCE wordt ingegaan op de verdere uitwerking van het ambitieuze klimaatdoel voor de circulaire economie. Door het sturen en faciliteren van (internationale) duurzame, circulaire ketens draagt beleid voor de circulaire economie immers bij aan de klimaatopgave.

In het NPCE is een paragraaf gewijd aan hoogwaardige verwerking, afvalscheiding en recycling. Als een product of materiaal wordt weggegooid of afgedankt, wordt gesproken over afval. Ook in een circulaire economie, waarin producten en materialen zo lang mogelijk worden gebruikt, zal er nog sprake zijn van afval: er zijn altijd producten en materialen die voor de gebruiker geen nut meer hebben en waar hij vanaf wil. In een goed werkende circulaire economie kan dat afval steeds vaker opnieuw worden gebruikt; het wordt in de economie gehouden. Als een product echt niet meer in de oorspronkelijke staat en voor hetzelfde doel kan worden gebruikt, worden de materialen zo goed mogelijk verwerkt, zodat ze toch weer in een andere hoedanigheid gebruikt kunnen worden. Alleen wanneer recycling vanwege technische of economische redenen niet meer tot de mogelijkheden behoort, zullen afval verbrand of gestort worden. Dat zal eveneens gebeuren met materialen die vanwege de milieu-impact of vanwege de impact op de volksgezondheid niet geschikt zijn om in te zetten om andere materialen te maken. Hergebruik van materialen met bescherming van mens en milieu staat bij het afvalstoffenbeheer voorop. Het Landelijk Afvalbeheerplan beschrijft de algemene wijze van afvalstoffenbeheer in Nederland. Voor specifieke materialen beschrijft het wat de minimumstandaard van verwerking is.

Goed afvalbeheer begint bij een goede scheiding en inzameling van afgedankte producten en materialen. Met het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) wordt gewerkt aan het meer en beter scheiden van huishoudelijk afval en afval uit de kantoor-, winkel- en dienstensector. Door afval meer en beter te scheiden, neemt de kwaliteit van de verschillende afvalstromen toe. Dit leidt tot het langer gebruiken van materialen en grondstoffen, hoogwaardige recycling en minder restafval. Zo wordt voorkomen dat waardevolle grondstoffen in het afval worden verbrand of gestort. Daarnaast wordt getracht de hoeveelheid afval te beperken met preventie. Zowel burgers als de diensten-, winkel- en kantoorsector leveren daar een bijdrage aan door het afval zo goed mogelijk gescheiden aan te bieden. Gemeenten stimuleren inwoners het afval goed te scheiden, door het aanbieden van passende inzamelmethoden en door communicatie, gedragsbeinvloeding en financiële prikkels. Inzamelaars zorgen voor het inzamelen van zo goed mogelijk gescheiden afvalstromen met zo min mogelijk vervuiling. De kans dat de stromen in de economie kunnen worden behouden, is dan het grootst. Om de kwaliteit van gescheiden afvalstromen te verbeteren, stelt het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat uniforme lijsten op voor wat wel en niet in gescheiden afvalstromen terecht mag komen.

In Nederland wordt zo'n zestig miljoen ton afval per jaar geproduceerd. Ongeveer 80 procent daarvan wordt gerecycled. Tegelijkertijd zijn er nog flinke uitdagingen op het gebied van recycling, waaronder toewerken naar meer hoogwaardige recycling en de recycling van stedelijk afval (huishoudelijk afval plus het afval uit de kantoor-, winkel- en dienstensector). De Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen stelt dat lidstaten in 2035 65 procent van hun stedelijk afval moeten recyclen, oplopend van 55 procent in 2025 en 60 procent in 2030. Nederland recyclede in 2020 ongeveer 50 procent van het stedelijk afval. Maar er wordt nog best veel afval verbrand dat in potentie geschikt is voor recycling en we willen graag meer verwerkingscapaciteit voor recycling in Europa.

Om ervoor te zorgen dat meer grondstoffen in de keten blijven voor recycling en niet worden verbrand of als zwerfvuil in het milieu komen, wordt het instrument 'uitgebreide producentenverantwoordelijkheid' (UPV) gebruikt. Met de UPV worden per productgroep producenten verantwoordelijk gemaakt voor (de kosten van) het inzamelen en recyclen van gebruikte producten. In de UPV kunnen ook minimumdoelstellingen voor bijvoorbeeld inzameling, recycling en/of hergebruik worden opgenomen. Er geldt al een wettelijk verplichte UPV voor de productgroepen auto's, autobanden, verpakkingen, batterijen en accu's, en elektronische en elektrische apparaten. In 2023 geldt ook UPV voor verpakkingen uit de KWD-sector, wegwerpplastics en textiel. Ook worden UPV's ontwikkeld voor luiers en incontinentiemateriaal. Tevens worden de mogelijkheden verkend voor de productgroepen meubels, landbouwfolies en vloerbedekkingen. Voor een aantal stromen hebben producenten zonder dat er een wettelijk opgelegde UPV geldt, zelf een producentenverantwoordelijkheid ingericht, die vervolgens algemeen verbindend is verklaard (dit geldt voor vlakglas, papier en karton, en matrassen).

UPV kan er ook aan bijdragen dat producenten alternatieven gaan zoeken voor het gebruik van gevaarlijke stoffen in producten, als die stoffen de recycling bemoeilijken. Dit is met name van belang voor zeer zorgwekkende stoffen (ZZS). Het productontwerp is bij uitstek het moment om ervoor te zorgen dat ZZS niet meer worden verwerkt in nieuwe producten (minimaliseren en voorkomen). Echter, ZZS zijn vaak pas als zodanig erkend nadat ze al op uitgebreide schaal in producten waren verwerkt. Deze producten blijven nog de komende decennia in de afvalfase terechtkomen. Afvalstromen met deze erfenis-stoffen moeten zorgvuldig gerecycled worden. Daarbij moeten de ZZS zo mogelijk verwijderd worden. Als dat niet lukt en de materialen in de kringloop blijven, mag de aanwezigheid van de ZZS hooguit een verwaarloosbaar risico vormen voor mens en milieu.

Recycling kent meer en minder hoogwaardige vormen. Bij hoogwaardige recycling worden kwaliteitsproducten op de markt gebracht die zelf ook weer hoogwaardig verwerkt en toegepast kunnen worden. Het materiaal wordt dan grotendeels behouden voor de keten. Recycling is minder hoogwaardig wanneer de mogelijkheden om materialen te behouden voor de keten niet optimaal worden benut. Soms worden materialen en producten op zo'n manier toegepast dat ze snel, soms al na eenmalig gebruik, vernietigd worden. Er wordt gestreefd naar een zo hoogwaardig mogelijke recycling van materialen en producten. In het Circulair MaterialenPlan wordt specifiek aandacht geschonken aan het onderscheid tussen hoogwaardige en laagwaardige recycling en het kiezen voor recycling met een stortresidu in plaats van het volledig verbranden van een materiaalstroom. Hierbij helpt een goede bronscheiding en goede sortering van afvalstromen.

Ook op Europees en internationaal niveau wordt ingezet op hoogwaardige verwerking. Met de herziening van de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) kan worden gestuurd op een zo hoogwaardig mogelijke verwerking van al het afval binnen de EU. Denk hierbij aan het alleen nog toestaan van afvalexport uit de EU als dat afval aantoonbaar volgens EU-eisen kan worden verwerkt. Bij afvaltransporten binnen de EU wordt gestuurd op hoogwaardige verwerking van afval aan de hand van nationale minimumstandaarden, om zo innovatieve verwerkingsmethoden een kans te geven.

4.1.3 Van Landelijk Afvalbeheerplan naar Circulair Materialenplan

Het beleid voor veilige en hoogwaardige verwerking van afvalstoffen in Nederland is opgenomen in het Landelijk AfvalbeheerPlan3. Maar een circulaire economie vraagt niet alleen om goed afvalbeheer aan het eind van de keten. Met het Circulair Materialenplan zal de reikwijdte van het huidige LAP uit worden gebreid, met meer sturing op de hogere treden van de afvalhiërarchie die van belang zijn voor een circulaire economie, zoals hergebruik en preventie.

Daarnaast moet het Circulair Materialenplan een stevige juridische basis krijgen, zonder flexibiliteit te verliezen, zodat het vaker direct juridisch bindend is. Ook moet het Circulair Materialenplan bedrijven ondersteuning bieden voor de hoogwaardige verwerking van materialen en daarmee ook een stimulans bieden voor innovatie.

4.1.4 Instructieregels Rijk (AMvB's)

Bij het wijzigen van het omgevingsplan wordt het beoordelingskader gevormd door de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele andere instructies. Aan al deze aspecten genoemd in de instructieregels zal getoetst worden in hoofdstuk 5 van onderhavige motivering.

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. Bij een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient toetsing aan de ladder plaats te vinden (regionale behoefte, mogelijkheid realisatie in bestaand stedelijk gebied, multimodale ontsluitingsmogelijkheden). Uit uitspraken van de ABRvS blijkt dat een bestemmingsplan (lees: omgevingsplan) dat ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan geen uitbreiding van het maximaal toegelaten oppervlakte aan bedrijfsbebouwing mogelijk maakt, maar alleen een planologische functiewijziging, in beginsel niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet, tenzij de planologische functiewijziging van een zodanige aard en omvang is dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

4.1.5 Conclusie

Het project richt zich op per locatie op de volgende projecten:

Handelstraat 5: De puinbreker verdwijnt en het perceel kan binnen de resterende bedrijfsbestemming gebruikt worden voor overige bedrijfsactiviteiten. Dit is geen activiteit die een rijksbelang raakt.

Dijkerheideweg: De grondverzetactiviteiten worden beëindigd en het perceel kan binnen de resterende bedrijfsbestemming gebruikt worden voor overige bedrijfsactiviteiten.

Hamweg 6: De bedrijfsactiviteiten worden geheel beëindigd en de locatie wordt gesaneerd.

Er zal hiervoor in de plaats één woning worden gerealiseerd ter vervanging van de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfswoning, omringd door nieuwe natuur welke doorloopt over de Hamweg ong. Dit is geen activiteit die een rijksbelang raakt.

Sintelweg 4: Na sloop van alle opstallen zullen hier nieuwe bedrijven gevestigd kunnen worden, omgeven door een groene inpassing.

Er is naast ruimte voor grootschalige economische activiteiten ook behoefte aan ruimte voor meer kleinschalige bedrijvigheid. Het terrein van Greenport Business Park is hiervoor uitermate geschikt. Daarbij wordt aangesloten op de bestaande infrastructuren die mede van belang zijn voor de totale doorontwikkeling van Greenport Venlo.

Toetsend aan de ladder voor duurzame verstedelijking is gekeken naar de regionale behoefte, mogelijkheid voor realisatie in bestaand stedelijk gebied en de multimodale ontsluitingsmogelijkheden.

Behoefte: Op 22 november 2024 is een behoefteonderzoek uitgevoerd door Buck Consultants International (zie Bijlage 3 van de motivering). Hierin is vermeld dat Klaver 11 en Klaver 14 binnen de Greenport-regio twee bedrijventerreinen zijn die zich richten op agri- activiteiten. Klaver 11 heeft een 'agri-gerelateerd' profiel, voor Klaver 14 is dit 'maak-agro- logistiek'. Op deze terreinen is respectievelijk 21,8 en 7,5 hectare beschikbaar. Uit de inventarisatie door Greenport Venlo komt naar voren dat er in de gemeente Horst aan de Maas vraag is naar in totaal 36 hectare aan bedrijfslocaties. 13 hectare hiervan (36%) komt vanuit 16 bedrijven met een behoefte van minder dan 2 hectare. Dit varieert van kavels van 5.000 m2 tot 15.000 m2, met een gemiddelde van circa 8.000 m2. Onderhavig omgevingsplan leidt tot een relatief gezien minimale wijziging in het aantal vierkante meters bedrijventerrein (circa 2,5 ha) waartoe een burgerwoonbestemming zal worden opgeheven. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is reeds circa 63 hectare als bedrijventerrein bestemd.

Realisatie in bestaand stedelijk gebied: op de bestaande bedrijventerreinen is onvoldoende ruimte, zoals blijkt uit het behoefteonderzoek.

Multimodale ontsluitingsmogelijkheden: Afgezien van transport over de weg, zijn er, mocht de vraag hiernaar zich voordoen, ook mogelijkheden om transport via het spoor te laten verlopen, waarbij het laatste fase van het transport naar de Sintelweg via de weg dient plaats te vinden. Personen zijn aangewezen op de auto of fiets; de fietsverbindingen naar de Sintelweg zijn goed te noemen, nu er langs de Horsterweg en Venrayseweg sprake is van een vrijliggend fietspad.

Horsterweg ongenummerd: Op deze locatie worden alle bedrijfsactiviteiten van Driessen samengevoegd tot één nieuwe bedrijfslocatie. De bedrijfsactiviteiten richten zich primair op grondwerken en recycling. Recycling van materialen is van groot belang voor de toekomst. In de NOVI wordt dit zeer nadrukkelijk onderkend en is een hoofdstuk gewijd aan circulaire economie; verder ziet het NPCE op circulaire economie.

Uitgangspunt is dat gebruikte grondstoffen en materialen in gebouwen, wegen, en objecten hun waarde behouden, zodat na de gebruiksfase geen afvalstromen overblijven. Dit vraagt enerzijds een andere manier van ontwerpen: veilige materialen, producten en processen die in de gehele levenscyclus geen schadelijke emissies of andere risico’s meer veroorzaken en dus verwaarloosbare gezondheidsrisico’s met zich meebrengen (safe-by-design).

Maar het vraagt ook nieuwe logistieke concepten en bedrijven die kansen zien in het opnieuw in de markt zetten van afvalstromen als nieuwe grondstoffen door afvalstoffen op een juiste manier te scheiden, demonteren en recyclen.

Zo zal Driessen zich onder andere gaan voorbereiden op de inzameling en scheiden van afgedankte zonnepanelen. De panelen, maar ook de omvormers, aansturing, constructie en bekabeling horen bij de markt voor circulaire zon-PV-systemen. De verantwoordelijkheid voor inzameling en recycling van zonnestroominstallaties ligt bij Stichting OPEN die hiervoor samenwerk met partners in de markt, zoals Driessen. Een belangrijk onderdeel van het organiseren van de inzameling is het goed inregelen van het financieringsmechanisme voor het Circulariteitsfonds zonnepanelen. Daarnaast ziet Stichting OPEN kansen om de ingeregelde infrastructuur te benutten voor het opschalen van de circulaire ambities in de zonnesector. In samenwerking met alle relevante partijen zal bekeken worden welke ketenprojecten kans van slagen hebben. Een onderdeel van een ketenproject kan zijn het ontwikkelen van de juiste contractvoorwaarden rondom hoogwaardige recycling van PV. Idealiter worden de teruggewonnen grondstoffen ingezet voor hoogwaardige nieuwe producten, liefst nieuwe zonnepanelen, die in Europa worden geproduceerd. Voor zonnepanelen die voortijdig vrijkomen (dus niet end-of-life zijn) is een tweede inzet te prefereren, mits dit nog zinvol is. Om veilig hergebruik mogelijk te maken, zal Stichting OPEN tenminste de CENELEC-reuse standaard verplicht stellen (Europese standaard voor de verwerking van afgedankte elektrische en elektronische apparaten (e-waste)).

Het bedrijf Driessen zorgt onder andere voor het inzamelen en hergebruik van stoffen en materialen, maar zal zich ook steeds meer toe gaan leggen op het scheiden en opnieuw in de markt brengen van diverse nieuwe afvalstromen, waaronder zon-PV-systemen; hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de landelijke milieudoelstellingen met betrekking tot circulaire economie.

Onderhavig omgevingsplan voor deze locatie op een bedrijfsbestemming binnen bestemmingsplan Klaver 11 maakt geen uitbreiding van het maximaal toegelaten oppervlakte aan bedrijfsbebouwing mogelijk, maar betreft alleen een planologische functiewijziging welke van een zodanige aard en omvang is dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Met name in hoofdstuk 5 van onderhavige motivering zal aan de orde komen waarom c.q. op welke wijze wordt voldaan aan de instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.2 Provinciaal beleid en provinciale regels

4.2.1 Provinciale omgevingsvisie

De Omgevingsvisie (POVI) is een strategische en lange termijn (2030-2050) visie op de fysieke leefomgeving en beschrijft onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed. Daarnaast worden ook de aspecten gezondheid en een gezonde leefomgeving in de Omgevingsvisie meegenomen.

In de Omgevingsverordening legt de Provincie regels vast voor onder meer natuur, milieu, (grond-) water, ontgronding, wegen, ruimte (verstedelijking, woon- en werklocaties, agrarische bedrijven).

De Omgevingsvisie is op 1 oktober 2021 door Provinciale Staten vastgesteld.

Per deellocatie zal worden ingegaan op de relatie met de provinciale omgevingsvisie.

Handelstraat 5: De puinbreker verdwijnt en het perceel kan binnen de resterende bedrijfsbestemming gebruikt worden voor overige bedrijfsactiviteiten. Dit is geen activiteit die een provinciaal belang raakt.

Dijkerheideweg: De grondverzetactiviteiten worden beëindigd en het perceel kan binnen de resterende bedrijfsbestemming gebruikt worden voor overige bedrijfsactiviteiten. Dit is geen nieuwe activiteit die een provinciaal belang raakt.

Hamweg 6: De bedrijfsactiviteiten worden geheel beëindigd en de locatie wordt gesaneerd.

Er zal hiervoor in de plaats één woning (ter vervanging van de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfswoning) worden gerealiseerd, omringd door nieuwe natuur welke doorloopt over de Hamweg ong. en aangrenzende percelen ter plaatse van de spuitvrije zone.

Hoewel woningbouwontwikkelingen primair in het bebouwd gebied dienen te worden geconcentreerd, moeten ontwikkelingen ook vanuit een brede maatschappelijke context worden bezien. Dit vraagt een integrale aanpak van locaties en gebieden in de vorm van herstructurering en transformatie/herbestemming, ook in het buitengebied. Met het stimuleren van natuurinclusief en circulair bouwen en verduurzamingsopgaven vraagt de provincie om gebruik te maken van meekoppelkansen voor een klimaatbestendige en adaptieve woonomgeving. Aan de Hamweg 6 wordt bijna 1000 m2 aan bedrijfsbebouwing gesloopt en worden alle bedrijfsactiviteiten hier permanent beëindigd. De mogelijkheid voor het oprichten van een bedrijfswoning zal worden gewijzigd in de mogelijkheid tot het oprichten van een burgerwoning op een bestemmingsvlak van 750 m2 waarbij het volume van de woning maximaal 1000 m3 mag bedragen en de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken maximaal 150 m2. Deze woning zal aan de duurzaamheidseisen anno 2024 voldoen. Het omzetten van de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfswoning in een burgerwoning op een saneringslocatie is niet strijdig met het bepaalde in de provinciale omgevingsvisie. Het niet tot de woonfunctie te bestemmen deel van het perceel aan de Hamweg 6 en aan de overzijde van de Hamweg inclusie de aangrenzende percelen ter plaatse van de spuitvrije zone, zullen de functie natuur krijgen. Hier wordt een ecologische verbindingszone gecreëerd welke natuurgebied de Reulsberg verbindt met het dal van de Groote Molenbeek.

Sintelweg 4: Na sloop van alle opstallen zullen op deze locatie nieuwe bedrijven gevestigd kunnen worden, omgeven door een groene inpassing.

De agribusiness is een belangrijke economische en innovatieve motor en beheerder van het landelijk gebied. Brightlands Campus Greenport Venlo is de spin in het web voor de agro-innovatie. Hier komen diverse partijen zoals onderwijs, innovators, banken en primaire bedrijven samen. De samenwerkingsverbanden en kruisbestuivingen die hier ontstaan tussen ondernemers, sectoren binnen én buiten de land- en tuinbouw, onderwijs en wetenschap zijn een sterke ontwikkeling voor de toekomst.

Klaver 11 heeft betrekking op het gebied tussen de Horsterweg en de A73 waarbinnen ruim 43 ha is bestemd voor agribusiness. De bestaande functies en eigendomsgrenzen zijn bij het opstellen van het bestemmingsplan in 2014 leidend geweest voor het toekennen van de nieuwe bestemmingen Bedrijventerrein - Agribusiness 1, 2 en 3. Dit is de reden waarom de locatie Sintelweg 4 hierin is opgenomen met de bestemmingen Wonen en Agrarisch. Deze locatie krijgt de nieuwe functie 'Bedrijventerrein - Agribusiness 2 '. Bij de toekenning van de maximaal toegestane categorie bedrijven op deze locatie is rekening gehouden met de ligging van de bedrijfswoning aan de Sintelweg 1 en andere woningen van derden in de omgeving; verder is de categorie-indeling van de vigerende bestemmingen Bedrijventerrein - Agribusiness 2 doorgetrokken tot deze locatie.

Horsterweg ongenummerd: Op deze locatie worden alle bedrijfsactiviteiten van Driessen samengevoegd tot één nieuwe bedrijfslocatie. De bedrijfsactiviteiten richten zich primair op grondwerken en recycling. Recycling van materialen is van groot belang voor de toekomst.

In de Omgevingsvisie wordt onderkend dat ook Limburg te maken heeft met mondiale opgaven en transities op het gebied van energie, duurzaamheid, voedsel, gezondheid en digitalisering. Deze transities hangen met elkaar samen en wijzen in de richting van een circulaire economie (een economisch systeem gericht op het maximaliseren van de herbruikbaarheid van producten, onderdelen en grondstoffen. Streven is om waardevernietiging te minimaliseren; Grondstoffen, materialen en componenten blijven zo lang mogelijk en weloverwogen van waarde voor productie en consumptie). Het spaarzaam omgaan met grondstoffen en het hergebruik van grondstoffen en materialen is een grote opgave voor de Limburgse economie. Deze opgave biedt kansen voor innovatie en groei van de Limburgse bedrijvigheid. Echter, het vraagt ook om een sterk adaptief vermogen van ondernemers en ondernemingen. Vooral omdat de Limburgse economie met onder meer haar (maak-)industrie, agrofoodcomplex (zie hoofdstuk Landbouw), logistiek, vrijetijdseconomie en zorg extra gevoelig is voor de grote technologische en digitale veranderingen. De transitie naar een circulaire economie vraagt hier om ruimte voor de inzameling en opslag van materialen.

Om meer in de richting van een circulaire economie te bewegen, zijn onderstaande actielijnen van belang:

  • het goede voorbeeld geven en goede initiatieven faciliteren
  • het verbinden van partijen en ketens
  • het stimuleren van innovatie en vakmanschap
  • het delen van kennis met bedrijfsleven en burgers

Door de samenvoeging van alle bedrijfstakken van Driessen en het verder uitbouwen van de recyclingactiviteiten, bijvoorbeeld daar waar het e-waste en zon-PV-panelen betreft, wordt de circulaire economie verder gestimuleerd. Door de keuze voor een beschikbare locatie in de Klavers en specifiek Klaver 11, is een nieuwe werklocatie gevonden van waaruit de omgevingseffecten naar gevoelige functies in de omgeving zeer beperkt is en de bedrijfsvoering ook niet wordt belemmerd door specifieke waarden in en vanuit de omgeving.

4.2.2 Ontwerp Provinciale Omgevingsvisie Limburg

Deze omgevingsvisie is een actualisatie van de POVI uit oktober 2021. De hoofdlijnen van de vorige visie gelden nog steeds, maar actualisatie is nodig. Net als het Rijk ziet de provincie dat de grote landelijke opgaven vragen om meer regie in het ruimtelijk domein. Het provinciale onderzoeksrapport ‘Ruimte met regie’ onderstreept dat de druk op de beschikbare ruimte en de kwaliteit van de leefomgeving vraagt om heldere keuzes.

Voor onderhavig initiatief kent het ontwerp van de Provinciale Omgevingsvisie Limburg geen relevante beleidswijzigingen.

4.2.3 Instructieregels provincie (omgevingsverordening)

Provinciale Staten kunnen bij omgevingsverordening regels stellen over de uitoefening van taken of bevoegdheden aan de gemeente (instructieregels).

Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening opgesteld die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet.

Hoewel de op 17 december 2021 vastgestelde Omgevingsverordening Limburg hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers.

Per deellocatie zal worden ingegaan op de relatie met de provinciale omgevingsverordening.

Alle locaties bevinden zich binnen de Venloschol. Binnen de boringsvrije zone Venloschol is het verboden zonder omgevingsvergunning dieper dan vijf meter boven NAP grondwater te onttrekken of water te infiltreren of een gesloten bodemenergiesysteem aan te leggen. Alle delen van het plangebied zijn gelegen op een hoogte van ten minste 23 m boven NAP, met als gevolg dat dit verbod niet zal worden overtreden omdat er geen sprake is van dergelijke diepe grondwateronttrekkingen of infiltraties danwel aanleggen van een bodemenergiesysteem.

Handelstraat 5: Gelegen binnen de typering 'bedrijventerrein'. De puinbreker verdwijnt en het perceel kan binnen de resterende bedrijfsbestemming gebruikt worden voor overige bedrijfsactiviteiten. Hierop hebben de instructieregels geen effect.

Dijkerheideweg: Gelegen binnen de typering 'buitengebied'. De grondverzetactiviteiten worden beëindigd en het perceel kan binnen de resterende bedrijfsbestemming gebruikt worden voor overige bedrijfsactiviteiten.

Op het wegbestemmen van een deel van de gebruiksmogelijkheden binnen de vigerende bedrijfsbestemming zien de instructieregels niet.

Hamweg 6: Gelegen binnen de typering 'buitengebied'. De bedrijfsactiviteiten worden geheel beëindigd en de locatie wordt gesaneerd.

Er zal hiervoor in de plaats één nieuwe woning worden gerealiseerd ter vervanging van de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfswoning, omringd door nieuwe natuur welke doorloopt over de Hamweg ong. Op de sanering zien de instructieregels niet, echter wel op de toevoeging van een woning.

Artikel 12.1 van de omgevingsverordening heeft betrekking op de planvoorraad 'wonen'. Hierin is bepaald dat de motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen beschrijft dat:

  • a. rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie;
  • b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek;
  • c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid- Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken;
  • d. het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in afdeling 14.5;
  • e. realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen.

De omgevingsvisie bepaalt dat bij planvorming voor uitbreiding van de woningvoorraad de ladder voor duurzame verstedelijking en de voorkeur voor gebruik van leegstaand vastgoed consequent wordt gehanteerd. Toevoegingen aan de Limburgse woningmarkt moeten niet alleen van de juiste soort zijn (voldoen aan de specifieke lokale woningbehoefte) en op de juiste locatie zijn, maar moeten in veel gevallen ook gepaard gaan met sloop, zodat de kwantitatieve verhouding in balans blijft.

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel (artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving) voor plannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling, zoals woningbouwplannen. Bij een woningbouwontwikkeling wordt rekening gehouden met de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling. Bij een ontwikkeling buiten stedelijk gebied moet rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen het stedelijk gebied in de behoefte te voorzien. De Ladder heeft betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn lijnen uitgezet op basis waarvan bepaald kan worden of een plan voldoende substantieel is. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is.

In casu heeft het plan voor het gebiedsdeel Hamweg 6 betrekking op één enkele woning op een herstructureringslocatie (bedrijf wordt geheel beëindigd), ter vervanging van de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfswoning. Hiermee neemt het aantal te realiseren woningen per saldo niet toe waarmee geen sprake is van een ladderplichtige ontwikkeling.

Tevens is er sprake van bouwen naar reële behoefte en wordt één woningbouwmogelijkheid omgezet van bedrijfs- naar burgerwoning, waarnaar ook daadwerkelijk vraag is, te weten naar een ruime, vrijstaande woning omringd door natuur waar een aantrekkelijk woon- en leefklimaat heerst.

De realisatie van de woning is beoogd binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan. Mocht deze termijn niet wordt gehaald dan kan het bevoegd gezag overgaan tot intrekking van de omgevingsvergunning en tot het wijzigen van het omgevingsplan naar een alternatieve passende functie.

Voor dit deel van het plangebied zijn er verder geen beperking opgenomen. Het project is dan ook niet strijdig met de Omgevingsverordening Limburg.

Sintelweg 4: De woning is gelegen binnen de typering 'buitengebied' en de agrarische gronden binnen de typering 'bedrijventerrein'. Na sloop van alle opstallen zullen hier nieuwe bedrijven gevestigd kunnen worden, omgeven door een groene inpassing.

Artikel 12.5 van de provinciale omgevingsverordening bepaalt dat een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad of planvoorraad bedrijventerreinen alleen toelaat, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 8 (Economie) en 9 (Werklocaties) van de provinciale omgevingsvisie, de regionale visie Bedrijventerreinen Noord-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg.

Aangezien een groot deel van Klaver 11 de typering 'bedrijventerrein' heeft gekregen en de woning met aanhorigheden hier aan drie zijden door wordt omringd, moet de toevoeging van een bedrijfslocatie, gelegen binnen het bestemmingsplan Klaver 11 waarbinnen alle in ontwikkeling te brengen gronden in 2014 de bestemming 'bedrijventerrein - agribusiness' hebben gekregen, als een passende ontwikkeling worden beschouwd. De bovengrens van een nieuwe bedrijfskavel mag niet meer bedragen dan 5 ha, welke grens in casu niet wordt overschreden. Zoals in de vorige paragraaf is beschreven, past deze ontwikkeling binnen de ambities als genoemd in de provinciale omgevingsvisie. In de volgende paragraaf zal worden ingegaan op de Regionale visie Bedrijventerreinen Noord-Limburg. 

Horsterweg ongenummerd: Gelegen binnen de typering 'bedrijventerrein'. Er is op deze locatie al sprake van een bedrijfskavel, echter binnen de bestemmingsomschrijving zijn de activiteiten niet geheel toegestaan; hierdoor dient een andere bedrijfscategorie mogelijk te worden gemaakt. De provinciale omgevingsverordening kent geen instructieregels ten aanzien van het soort bedrijvigheid binnen een bedrijventerrein, waardoor gesteld kan worden dat het vestigen van Driessen Grondwerken BV op het bedrijventerrein Klaver 11 niet in strijd is met de provinciale omgevingsverordening.

4.2.4 Circulaire Economie Limburg 2.0

In het Beleidskader Circulaire Economie 2.0 geeft de provincie Limburg invulling aan de circulaire richting zoals die wordt verwoord in het Collegeprogramma ‘Vernieuwend verbinden’ (2019-2023).

Centraal staat de missie om te werken aan een circulaire economie waarin energie, grondstoffen, materialen en componenten (halffabricaten) zo lang mogelijk en weloverwogen van waarde blijven voor productie en consumptie. Er bestaat geen afval maar alleen een tussenfase als nieuwe grondstof.

Daarmee is een maatschappelijke transitie uitgangspunt, waarin op mondiale schaal een bewustwording over nut én noodzaak wordt gevraagd van alle geledingen in de maatschappij. De provincie kiest hierbij voor een actieve rol om de beweging in de samenleving mede op gang brengen.

Op basis van de ‘circulaire foto van Limburg’ zijn de ambities en uitgangspunten omschreven, resulterend in een uitvoeringsprogramma met vijf actielijnen. De hoofddoelen zijn:

  • Vermindering van het gebruik van nieuwe grondstoffen en zoveel mogelijk reststoffen hergebruiken als nieuwe grondstof;
  • Het verder terugdringen van CO2-emissies via circulaire productieprocessen;
  • Circulair ondernemerschap en werkgelegenheid steviger verankeren en uitbouwen door het stimuleren van nieuwe circulaire innovaties en toepassingsmogelijkheden in Limburg;
  • Het verankeren van het circulaire kennisniveau in samenwerking met onze Limburgse onderwijs- en kennisinstellingen;
  • Het actief uitdragen van de ‘circulaire boodschap’ naar zowel burgers, gemeenten, bedrijven en intermediaire organisaties, en hen engageren om hier actief werk van te maken en dit zelf vanuit onze voorbeeldrol ook te doen;
  • Het benutten van de nationale en Europese fondsen en agenda’s om de Limburgse en euregionale proposities verder uit te bouwen.

4.2.5 Conclusie

Onderhavig initiatief waarbij de nu nog verspreid liggende bedrijfslocaties van Driessen samengevoegd worden op één locatie (Horsterweg ong.) binnen bedrijventerrein Klaver 11 levert een kwaliteitsverbetering op ter plaatse van de vertreklocaties aan de Handelstraat 5, Hamweg 6 en Hamweg ong. en de Dijkerheideweg, waarbij omliggende functies en de ecologische belangen rondom de Reulsberg gebaat zijn. Ook de omzetting van de locatie aan de Sintelweg 4 van woning met aangrenzende agrarische grond naar de functie 'Bedrijventerrein - Agribusiness 2' kan binnen het bedrijventerrein Klaver 11 gezien worden als een passende functietoedeling.

Het initiatief is op alle locaties passend binnen het bovengenoemde provinciale planologische beleid en de daarin genoemde provinciale ambities.

4.3 Regionale visie Bedrijventerreinen Noord-Limburg

De regionale Visie Bedrijventerreinen Noord-Limburg bevat de ambities, opgaven en principes die de regiogemeente in Noord-Limburg nastreven met betrekking tot bedrijventerreinen. Daarnaast bevat de visie de regionale werkwijze en spelregels, rekening houdend met het door de provincie voorgestelde dynamisch voorraad beheer.

Centraal in het dynamisch voorraadbeheer staan drie typen interventies:

1. Herstructurering: Werken aan de kwaliteit van de bestaande bedrijventerreinvoorraad (en aanpak leegstand). Koppelingen van herstructurering van bestaande terreinen met de uitrol van nieuwe terreinen.

2. Sturing op kwaliteit en kwantiteit: Schrappen en transformeren van (harde) plannen die niet de beoogde toevoeging van kwaliteit opleveren.

3. Nieuwe ontwikkeling: Onder voorwaarden ruimte bieden voor het toevoegen van goede nieuwe voorraad, maar dan wel in combinatie met het schrappen van bestaande voorraad.

Nieuwe ontwikkeling van bedrijventerrein zal nog zeer sporadisch plaats vinden. Vooral om (grote) acquisities van buiten de regio te kunnen faciliteren zal op termijn nog nieuw terrein worden ontwikkeld. De regio wijst daarvoor het Klavertje 4 gebied als (concentratie)locatie aan.

Conclusie:

Onderhavige ontwikkelingen binnen het bedrijventerrein Klaver 11 (onderdeel van het Klavertje 4 gebied) zien voor wat betreft de Horsterweg ong. niet op toevoeging van bedrijfsareaal; op deze locatie wordt bedrijvigheid die voornamelijk in het buitengebied is gelegen en aldaar vanuit planologisch oogpunt niet wenselijk is, samengevoegd tot één bedrijf. Dit is geheel passend binnen de regionale visie.

Het aan de Sintelweg 4 verruimen van het areaal uitgeefbare grond binnen het bedrijventerrein kan evenmin gezien worden als een nieuwe ontwikkeling vanwege het feit dat deze locatie in het REBIS al is opgenomen als bedrijfslocatie welke op korte termijn beschikbaar is, zoals uit onderstaande afbeelding blijkt: afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0028.png"

In de in 2012 vastgestelde Structuurvisie Klavertje 4 is in tabel 4.2 het Kwantitatief programma werklandschap opgenomen. Daarin is voor klavers 11 een programmering opgenomen van bruto 115 hectare en netto 95 hectare. Daarin is inbegrepen de oppervlakte van het deelgebied aan de Sintelweg, zoals ook blijkt uit bovenstaande uitsnede van de bedrijventerreinenmonitor.

De ontwikkeling kan hierdoor geacht worden in overeenstemming te zijn met de regionale Visie Bedrijventerreinen Noord-Limburg.

4.4 Beleid Waterschap

Om ervoor te zorgen dat de waterbelangen een goede plek krijgen en evenwichtig worden afgewogen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt de watertoets uitgevoerd. Ook onder de Omgevingswet is dit proces vastgelegd maar dan onder de noemer 'weging van het waterbelang'.

In het waterbeheerprogramma (WBP) en Keur van het Waterschap Limburg staan de regels van het Waterschap Limburg.

4.4.1 Waterbeheerprogramma (WBP)

Met het waterbeheerprogramma (WBP) geeft Waterschap Limburg richting aan het waterbeheer in de periode 2022 - 2027:

  • Programma Waterveiligheid: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas. Het afgekoppelde regenwater zorgt voor minder vervuilende riooloverstorten. Het verbetert de doorstroming en daarmee de kwaliteit van stadswateren. Doordat een groot deel van het water lokaal infiltreert in groenstroken en tuinen, wordt voorkomen dat oppervlakkig afstromend regenwater onderweg vervuild raakt en zo het ontvangende oppervlaktewater belast.
  • Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden. Zo zorgt bijvoorbeeld verdamping in de stad voor minder hittestress. Daarmee zijn de sponswerking van de gebouwde omgeving en de kwaliteit van het oppervlaktewater vergroot. Ook op dit gebied moet samengewerkt worden om werk met werk te kunnen maken (efficiency), om instrumenten van derden te benutten teneinde onze eigen opgave te realiseren (zoals omgevingsplannen) en voor de inpassing in de omgeving.
  • Waterkwaliteit en ecologie: het water binnen de gemeente moet schoon zijn en wateren zijn natuurlijk ingericht.
  • We maken een stevig begin met de (bron)aanpak van de problemen met medicijnresten en opkomende stoffen (zoals PFAS en microplastics) in het oppervlaktewater.
  • Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken.

Voor het plangebied is vooral klimaatadaptatie van belang. Om de klimaatverandering een stap voor te blijven, is nu het moment om de plannen gereed te hebben en te starten met de uitvoering. Daarom is klimaat adaptief denken en handelen de basis van al het werk van het Waterschap en dat verwacht zij ook van haar partners. De speerpunten zijn:

  • Samen klimaat adaptief inrichten van stad en land;
  • Aanpakken grootste wateroverlastknelpunten;
  • Risico gestuurd peilbeheer en onderhoud;
  • Elke druppel vasthouden en pas afvoeren als het moet.

Bij nieuwbouw is het afkoppelen van regenwater inmiddels vanzelfsprekend. De voorkeursvolgorde bij afkoppelen is vasthouden - bergen - afvoeren, waarbij infiltreren in de bodem voorgaat op lozen op oppervlaktewater. Ook opvangen en gebruiken voor huis en tuin is een duurzame oplossing. Vanzelfsprekend geldt bij afkoppelen en infiltreren dat dit geen overlast elders mag veroorzaken. Ook belangrijk is de kwaliteit van het afgekoppelde regenwater. Alleen met het doorlopen van de trits schoon houden - scheiden - zuiveren is lozen op de bodem of op watergangen acceptabel.

4.4.2 Waterschapsverordening

De Waterschapsverordening is de opvolger van de Keur. De Keur is een verordening met de regels die een waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende gemalen, stuwen, sluizen, enz. Nu de Omgevingswet in werking is getreden zijn alle regels die het waterschap binnen haar beheergebied stelt over de fysieke leefomgeving, opgenomen in de Waterschapsverordening.

Op onderstaande uitsnedes uit de legger is te zien welke waterlopen nabij de diverse deelgebieden van dit omgevingsplan liggen:

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0029.jpg"

Figuur 23: uitsnede legger Handelstraat

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0030.jpg"

Figuur 24: uitsnede legger Hamweg en Dijkerheideweg

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0031.jpg"

Figuur 25: uitsnede legger Sintelweg en Horsterweg

De ontwikkeling van afwaardering van planologische mogelijkheden aan de Handelstraat 5, de Dijkerheideweg en de Hamweg hebben geen negatieve danwel uitsluitend positieve effecten voor de waterlopen die zich overigens op ruime afstand van de deelgebieden bevinden. De nieuwe ontwikkeling van een woning aan de Hamweg 6 bevindt zich op een afstand van circa 400 m vanaf de Groote Molenbeek; het is daarom niet aannemelijk dat deze vervangende woonbestemming enig effect heeft op deze waterloop.

Waterloop de Sintel eindigt bij het achterste deel van de Sintelweg. De nieuwe bedrijfslocatie bevindt zich aan de andere zijde van de Sintelweg. Er zal vanuit de nieuwe bedrijfslocatie geen hemelwater of afvalwater afgevoerd mogen worden via de Sintel. De Sintel komt uit op de groenvoorziening die de A73 scheidt van het bedrijventerrein Klaver 11.

Voor het deelgebied Horsterweg ong. is de situatie dat het plangebied aan de oostzijde grenst aan de Gekkengraaf en de ontsluiting van het plangebied via de noordoostelijke aftakking van de rotonde aan de Horsterweg (ter hoogte van Arco Solutions) zal de Witvelderhei kruisen. De Witvelderhei heeft in het vigerende omgevingsplan (bestemmingsplan Klaver 11) de bestemming 'Water' gekregen. De gronden zijn onder andere bestemd voor oeververbindingen. Hieronder wordt ook een brug of overkluizing begrepen.

De Gekkengraaf heeft, samen met de oevers, eveneens de bestemming 'Water' gekregen. De waterloop zelf heeft een doorsnede van circa 10 m en de beide oevers kennen een vergelijkbare breedte. Door deze afstand van 10 m van de Gekkengraaf tot aan de huidige en nieuwe bedrijfsbestemming, wordt het onderhoud van de waterloop niet belemmerd en kan het waterschap de waterloop te allen tijde bereiken.

4.5 Gemeentelijk beleid

4.5.1 Integrale structuurvisie Horst aan de Maas

Op 26 november 2019 is de Integrale Structuurvisie Horst aan de Maas vastgesteld. Het betreft een integrale structuurvisie voor het gehele grondgebied van de gemeente Horst aan de Maas. De structuurvisie geeft een integraal beeld van de ruimtelijke en sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen die de gemeente op haar grondgebied voor ogen staat voor de langere termijn. Verder is de integrale structuurvisie opgesteld om maximaal gebruik te maken van de mogelijkheid tot het plegen van kostenverhaal. De structuurvisie bestaat uit een beleidskader en een uitvoeringsparagraaf waarin het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) wordt geïmplementeerd.

Het grondprincipe van het gemeentelijk (en provinciaal) kwaliteitsmenu (GKM) is, dat bepaalde ontwikkelingen ter plaatse leiden tot verlies aan omgevingskwaliteit, hetgeen dient te worden gecompenseerd door een kwaliteitsbijdrage. Dit geldt zowel binnen als buiten de ‘rode contouren’. De kwaliteitsbijdrage wordt ingezet om de omgevingskwaliteit en leefbaarheid te versterken. Het doel is dat per saldo daarmee de kwaliteit toeneemt. Het GKM is van toepassing op ontwikkelingen die niet rechtstreeks of via een flexibiliteitbepaling (zoals wijzigings- of afwijkingsregels) zijn toegestaan in het vigerende bestemmingsplan. Veel kleinere ontwikkelingen kunnen dan ook vaak zonder toepassing van het GKM doorgang vinden.

Op onderstaande uitsnede uit de structuurvisiekaart is te zien dat alleen de locatie Handelstraat 5 binnen deze structuurvisie valt. Voor het gehele Klavertje 4-gebied (onderdeel van Greenport Venlo) is een intergemeentelijke structuurvisie opgesteld. De gemeenteraad van Horst aan de Maas heeft de structuurvisie Klavertje-4-gebied vastgesteld op 11 september 2012. Het Klavertje 4-gebied valt buiten de scope van de integrale structuurvisie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0032.jpg"

Figuur 26: uitsnede structuurvisiekaart

De Handelstraat 5 is gesitueerd binnen het gebied 'bedrijventerrein 7A'. Het wegbestemmen van de puinbreker leidt niet tot andere activiteiten dan de bedrijfsactiviteiten die nu reeds binnen de typering 'bedrijventerrein' zijn toegestaan. Onderhavig initiatief is derhalve niet strijdig met de integrale structuurvisie.

4.5.2 Structuurvisie Klavertje 4-gebied

Zoals gezegd heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Structuurvisie Klavertje-4-gebied vastgesteld op 11 september 2012.

Mede door de strategische ligging tussen Randstad en Ruhrgebied en de aanwezigheid van een vrijwel volledige agrarische productiekolom heeft de regio Venlo zich ontwikkeld tot één van de vijf Nederlandse Greenports. Om de kansen voor een verdere economische ontwikkeling optimaal te benutten en verbetering van het landschap (tegengaan versnippering) te bereiken, hebben de gemeenten Horst aan de Maas, Peel en Maas en Venlo en de provincie Limburg in het Klavertje 4-gebied een duurzaam werklandschap ontwikkeld.

Duurzaamheid – geïnspireerd door de Cradle 2 Cradle-principes (C2C) – vormt de leidraad voor de beoogde structuurversterking. Aan de structuurversterking wordt invulling gegeven door het economisch netwerk te versterken; innovatie is één van de sleutelbegrippen. Waardecreatie is het uitgangspunt. Enerzijds door te streven naar (ruimtelijke) kwaliteit, anderzijds door het bieden van een economisch perspectief voor bedrijven en het behalen van maatschappelijk rendement. Het streven is bovendien gericht op optimale kennisontwikkeling, innovatie en gezamenlijk voordeel door samenwerking tussen bedrijven.

Om structuurversterking een plek te geven is het Klavertje 4-gebied aangewezen als ontwikkelingsgebied voor de totale agrarische productiekolom. Hier worden werklandschappen (bedrijventerreinen/glastuinbouw), vastgoed, gebiedsbrede voorzieningen en een hoogwaardig landschap gerealiseerd. De bestaande en toe te voegen bedrijvigheid focust zich op agribusiness, glastuinbouw, (agro)logistiek en hieraan gerelateerde bedrijvigheid en onderzoeks- en onderwijsinstellingen.

Locatiespecifiek:

De Dijkerheideweg bevindt zich op onderstaande kaart van het buitengebied binnen het Klavertje 4-gebied in een verwevingszone en de Hamweg in het beekdallandschap.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0033.jpg"

Figuur 27: Klavertje 4-gebied

Dijkerheideweg: Deze locatie is gelegen in de verwevingszone. Verwevingzones zijn overgangsgebieden in het landschap. Naast natuur en groen komen ook woningen en (kleinschalige) bedrijfsactiviteiten voor. Vanwege de natuur- en landschapswaarden van het beekdal wordt er in dit 'tussengebied' aan de Dijkerheideweg ingezet op versterking van bestaande waarden. Op deze manier ontstaat een geleidelijke overgang naar het rustige beekdal. Nu de grondverzetactiviteiten worden beëindigd en het perceel binnen de resterende bedrijfsbestemming gebruikt zal blijven voor overige bedrijfsactiviteiten, is dit niet strijdig met het bepaalde in de structuurvisie Klavertje 4-gebied. Het heeft minder overlast van stof en geluid tot gevolg en is daarmee beter voor mens en natuur.

Hamweg 6: Deze locatie, inclusief de overzijde van de Hamweg 6, is gelegen in het beekdallandschap, welke de Peelgebieden via de Groote Molenbeek verbindt met de Maas. Het kenmerkt zich als natte natuur. De Groote Molenbeek is de structuurdrager. Versterking van aanwezige natuur- en landschapswaarden staat centraal in het beekdallandschap, hetgeen tot uiting komt in de ontwikkeling van robuuste natuur (broekbossen, natte graslanden, poelen en plekken voor wateropvang op piekmomenten). Door nieuwe economische functies – waaronder verblijfsfuncties – mogelijk te maken in het buitengebied van het Klavertje 4-gebied kan bedrijfsbeëindiging en -verplaatsing worden gefaciliteerd. Deze structuurvisie biedt hier een regeling voor. De regeling beoogt bedrijfsbeëindiging of -verplaatsing van overlastgevende bedrijven te stimuleren door het inzetten van compensatiemogelijkheden. De regeling levert maximale winst op voor natuur en landschapsdoelen (bijvoorbeeld het tegengaan versnippering en verrommeling) en bovendien biedt het de ondernemer de mogelijkheid of te stoppen, of de bedrijfsvoering op een andere plek met meer groeipotentie door te zetten. In het bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas is hiertoe een wijzigingsbevoegdheid opgenomen welke voor de Hamweg 6 analoog zal wordend toegepast. In voornoemd bestemmingsplan kan de bestemming Bedrijf gewijzigd worden in de bestemming Wonen onder de voorwaarden dat:

  • de bedrijfsuitoefening is beëindigd; de bedrijfsuitoefening wordt aan de Hamweg 6 geheel beëindigd.
  • de landschappelijke, cultuurhistorische en/of architectonische waarden behouden blijven; hiertoe is een ecologisch onderzoek uitgevoerd zoals in paragraaf 5.8 nader aan de orde zal komen en er is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld waardoor het woonperceel omringd zal worden door bestaande en nieuwe natuur (zie Bijlage 6)
  • de oppervlakte van de woonbestemming maximaal 1.500 m2 bedraagt, de overige gronden dienen te worden gewijzigd in een bestemming zonder bouwmogelijkheden; de woonbestemming zal een oppervlak van 750 m2 krijgen.
  • door middel van een inrichtingsplan is aangetoond dat er sprake is van een kwaliteitsverbetering, waarbij zorg gedragen wordt voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing of landschappelijke compensatie; het inrichtingsplan is opgenomen als Bijlage 6.
  • wonen uitsluitend is toegestaan in de bestaande bedrijfswoningen, waarbij het bestaande aantal bedrijfswoningen niet mag worden vergroot; het vigerende bestemmingsplan Hamweg 6 kende de mogelijkheid tot realisatie van één bedrijfswoning. Deze mogelijkheid zal worden gewijzigd in de mogelijkheid om één burgerwoning te realiseren.
  • de wijziging niet mag leiden tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing; in paragraaf 5.12 zal aan de orde komen dat de woonfunctie buiten de milieuzones komt te liggen van omliggende bedrijven en bedrijfsactiviteiten. Hierdoor worden ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies niet aangetast.
  • er vooraf schriftelijk advies dient te worden ingewonnen bij het waterschap en de Keur van het waterschap in acht genomen dient te worden; met het Waterschap Limburg zal vooroverleg worden gepleegd.
  • na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid de regels van Artikel 21 van overeenkomstige toepassing zijn. de regels van de bestemming Wonen zullen geheel worden opgenomen in onderhavig omgevingsplan en voor de locatie Hamweg 6 gaan gelden.

Geconcludeerd wordt dat voldaan wordt aan de wijzigingsvoorwaarden die het bevoegd gezag analoog wil toepassen.

De bedrijfsactiviteiten aan de Hamweg 6 en tegenovergelegen perceel worden geheel beëindigd en de locatie wordt gesaneerd. Er zal hiervoor in de plaats één woning worden gerealiseerd ter vervanging van de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfswoning, omringd door nieuwe natuur welke doorloopt over de Hamweg ong.

Van het vervangen van de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfswoning in de mogelijkheid tot realisatie van een burgerwoning kan, gelet op de (overspannen) woningmarkt anno 2024, niet gesteld worden dat deze ontwikkeling concurrerend is met woningbouwprojecten elders in Horst aan de Maas.

Het beekdallandschap is duidelijk gebaat bij deze ontwikkeling.

De Sintelweg en de Horsterweg ong. bevinden zich op onderstaande kaart van het Klavertje 4-gebied binnen Klaver 11.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0034.png"

Figuur 28: contour Klaver 11

Aansluitend aan het dynamische hart van het Klavertje 4-gebied (klavers 1-8) is ruimte voor vestiging van hoogwaardige productiebedrijven (waaronder agribusiness) en onderzoeks- en onderwijsinstellingen. Klaver 11 en een deel van klaver 10 bieden ruimte voor agribusinessbedrijven die een ondersteunende, toeleverende en verwerkende functie hebben voor de primaire agrarische productie.

Sintelweg 4: Op deze locatie zullen, na sloop van alle opstallen, nieuwe bedrijven gevestigd kunnen worden, omgeven door een groene inpassing. Deze nieuwe functie is passend binnen de filosofie van de structuurvisie Klavertje 4-gebied voor het deelgebied Klaver 11. Klaver 11 en Klaver 14 zijn binnen de Greenport-regio twee bedrijventerreinen die zich richten op agri- activiteiten. Klaver 11 heeft een 'agri-gerelateerd' profiel, voor Klaver 14 is dit 'maak-agro- logistiek'. Op deze terreinen is respectievelijk 21,8 en 7,5 hectare beschikbaar. Uit de inventarisatie door Greenport Venlo komt naar voren dat er in de gemeente Horst aan de Maas vraag is naar in totaal 36 hectare aan bedrijfslocaties. 13 hectare hiervan (36%) komt vanuit 16 bedrijven met een behoefte van minder dan 2 hectare. Dit varieert van kavels van 5.000 m2 tot 15.000 m2, met een gemiddelde van circa 8.000 m2.

Voor kleine ruimtevragers wordt er de komende jaren geen nieuw terrein ontwikkeld. Zij moeten het juist hebben van bestaande locaties die vrijkomen. Vandaar dat de uitbreiding van de bedrijfsbestemming binnen Klaver 11 op de locatie Sintelweg passend is binnen de structuurvisie.

Horsterweg ongenummerd: De gewenste clustering van de bedrijfsactiviteiten van Driessen Grondwerken BV vraagt om een geschikte en ruime bedrijfslocatie op een bedrijventerrein binnen de gemeente Horst aan de Maas, waar deze gezamenlijke activiteiten kunnen landen. De voorraad aan uitgeefbare kavels is op dit moment relatief beperkt. De gemeente Horst aan de Maas heeft ervoor gekozen dat er niet veel nieuwe bedrijventerrein meer ontwikkeld worden. Voor onderhavig project is uitsluitend onderhavige kavel op bedrijventerrein Klaver 11 en gelegen langs de A73 geschikt voor vestiging door Driessen Grondwerken BV, doch het vigerende bestemmingsplan laat hier slechts agribusiness toe. Driessen Grondwerken BV betreft geen agribusiness maar is wel een bedrijf dat van groot maatschappelijk belang is voor de gemeente Horst aan de Maas, omdat hier een deel van het afval dat binnen de gemeente wordt geproduceerd, wordt ingezameld, gescheiden, en waar mogelijk wordt gedemonteerd om op deze wijze zoveel mogelijk van deze afvalstoffen weer te kunnen laten hergebruiken (recycling) en er zo weinig mogelijk afval behoeft te worden verbrand. In die zin is er wel sprake van een hoogwaardig inzamel- en recyclingbedrijf waarvan gezegd kan worden dat het passend is op deze locatie tegen de A73 aan en (afgezien van de link met de agrarische sector) geheel voldoet aan de uitgangspunten van de structuurvisie waarbij diverse bedrijfsonderdelen samen worden gevoegd, geclusterd en verbonden waardoor de transportbehoefte afneemt; Driessen Grondwerken BV heeft het aspect duurzaamheid hoog in het vaandel staan, waardoor afvalstoffen op diverse manieren kunnen worden hergebruikt. Gelet op de gebruiksmogelijkheden van de kavel, de excentrische ligging ten opzichte van eventuele gevoelige objecten die hinder van Driessen Grondwerken BV zouden kunnen ondervinden, en het feit dat er vanuit de lange zoektocht naar een geschikte locatie geen andere geschikte en haalbare locaties zijn gevonden, is deze locatie gekozen. De locatie heeft bovendien als gevolg van de gebiedskenmerken enkele belemmeringen waardoor de kavel minder courant is voor de categorie Agribusiness. Voor Driessen Grondwerken BV is deze locatie echter wèl geschikt waardoor de projectie van deze activiteit aan de nog vrije bedrijfskavel binnen Klaver 11 gezien moet worden als 'de juiste functie op de juiste plek'.

Met de vestiging van Driessen Grondwerken BV op deze nog beschikbare kavel binnen Klaver 11, waarbij de oorspronkelijke functie Agribusiness wordt behouden, ontstaat er geen belemmering voor of afbreuk aan het overall profiel van het bedrijventerrein Klaver 11. Dit komt mede door de ligging van kavel vanaf de hoofdontsluiting en de zichtbaarheid vanaf de Horsterweg: de locatie is niet zichtbaar en ligt niet aan de entree. Zichtbaarheid vanaf de A73 is er wel; echter het bedrijf wordt zodanig ingepast dat de uitstraling past binnen het na te streven profiel voor dit bedrijventerrein.

Hiermee kan worden gesteld dat met het initiatief voldaan wordt aan het bepaalde in de Structuurvisie Klavertje 4-gebied.

4.5.3 Ontwerp Omgevingsvisie Horst aan de Maas 2040

De gemeenteraad van Horst aan de Maas is voornemens om eind 2025 een nieuwe, gemeentebrede ambitieuze en richtinggevende omgevingsvisie vast te stellen. Bij het opstellen van het ontwerp van deze omgevingsvisie dienen inwoners, ondernemers, maatschappelijke partners, ketenpartners betrokken te worden.

Het is de ambitie om te werken aan een gezonde en duurzame leefomgeving waarin gezondheid en welzijn van inwoners, milieu, natuur en het landschap wordt beschermd. De omgevingsvisie geeft hiermee richting aan ruimtelijke en economische ontwikkelingen. Vanuit de ambitie om de Gezondste Regio van Europa te worden, wordt de lat soms hoger gelegd dan het wettelijk minimum. Bovendien zal Horst aan de Maas onder andere het voorzorgbeginsel hanteren door bijvoorbeeld proportionele maatregelen te nemen om risico’s te beperken.

Voor onderhavig initiatief kent het ontwerp van de Omgevingsvisie Horst aan de Maas 2040 geen relevante beleidswijzigingen.

4.5.4 Duurzaamheidsprogramma

Op 10 februari 2020 is door de gemeenteraad van Horst aan de Maas het Duurzaamheidsprogramma Horst aan de Maas 2020 - 2050 vastgesteld. Hierin is een hele paragraaf gewijd aan afvalinzameling welke in een circulaire economie met gesloten kringlopen zorgvuldig dient te gebeuren. Het Cradle-to-Cradle gedachtegoed maakt een onderscheid in twee kringlopen.

Eén kringloop voor ‘technische’ materialen zoals glas, metaal en plastic. Die worden gerecycled en zijn grondstof voor nieuwe producten. De tweede kringloop is een biologische kringloop voor organische materialen. Daarvoor geldt het motto ‘afval is voedsel’.

Nederland maakt nog altijd deel uit van een wegwerpeconomie waarin grondstoffen opraken, maar moet steeds meer ombuigen naar een circulair systeem van productie en consumptie.

Nog steeds ontstaat er restafval, maar dankzij recycling wordt dat steeds minder. In Horst aan de Maas wordt meer dan 95% van het huishoudelijk afval gescheiden ingezameld. Afvalinzameling en hergebruik van (huishoudelijk) afval is een thema waarin Horst aan de Maas voorop wil blijven lopen.

De gemeente kan met haar afvalbeleid ook de circulaire economie stimuleren, door te kiezen voor opties die (regionale) circulaire initiatieven ondersteunen. Bijvoorbeeld door vrijkomende grondstoffen bij de afvalinzameling te communiceren op grondstoffenfora, geïnteresseerden partijen inzage te geven in de samenstelling van het afval, mee te denken over logistiek en bij aanbesteding voor de verwerking van afval alternatieve verwerkingsmethoden een kans te geven.

De gemeentelijke doelstelling is, dat er in 2050 een volledig circulaire economie ontstaan is: afval bestaat niet meer. Het einde van het gebruik van een product is de start van een nieuw product. Ophalen van restafval is dan verleden tijd. In plaats daarvan haalt de gemeente alleen nog herbruikbare materiaalstromen op. Daarbij wordt samengewerkt met marktpartijen, waarvan Driessen Grondwerken BV er één is.

Het hoofdproject (Horsterweg ong.) zoals beschreven in hoofdstuk 3 van deze motivering zorgt er mede voor dat de gemeente Horst aan de Maas haar doelstellingen ten aanzien van circulaire economie een stap dichterbij kan brengen en past daarom binnen het Duurzaamheidsprogramma Horst aan de Maas 2020-2050.

4.5.5 Hoofdlijnenakkoord 2022-2026

In het richtinggevende beleidsdocument 'Horst aan de Maas in balans voor deze en toekomstige generaties - Hoofdlijnenakkoord 2022 – 2026' (door de gemeenteraad vastgesteld op 24 mei 2022) krijgt, naast het algemene uitgangspunt van zorgvuldig ruimtegebruik met de projectie van functies op de juiste locatie, het aspect 'duurzaamheid' nadrukkelijk aandacht. Hierbij gaat het met name om verduurzaming van woningen en accommodaties, energietransitie, hergebruik / recycling en een toekomstbestendige economie waarbij economische groei wenselijk is als dit bijdraagt aan een maatschappelijke opgave. De gemeente enthousiasmeert en ondersteunt inwoners en ondernemers op allerlei manieren om werk te maken van duurzaamheid.

Ook is gezondheid voor inwoners een zeer belangrijk uitgangspunt. Door het verplaatsen van niet agrarische bedrijfsmatige activiteiten naar een bedrijventerrein wordt in het buitengebied kwaliteitswinst behaald waardoor overlast door buitengebiedvreemde activiteiten tot een minimum wordt beperkt. Voor omwonenden heeft dit een positief gezondheidseffect. Deze opschoning van het buitengebied zorgt ter plaatse van de Hamweg ook voor mogelijkheden voor nieuwe robuuste groenbuffers tussen werk en wonen en een verbinding tussen de natuur, aansluitend op Natuurnetwerk Nederland. Transformatie van solitaire bedrijfslocaties in het buitengebied naar wonen en/of natuur wordt gefaciliteerd.

Onderhavig initiatief past binnen deze doelstellingen in het hoofdlijnenakkoord omdat de diverse bedrijfslocaties van Driessen zullen worden samengevoegd op een locatie op het bedrijventerrein Klaver 11 waardoor de achterblijvende locaties bedrijfsmatig gezien kunnen worden afgeschaald of beëindigd en hier een functie kan worden toebedeeld welke passender is op betreffende deellocaties. Dit heeft een maatschappelijk belang omdat hierdoor het buitengebied een stukje meer teruggegeven wordt aan de natuur en de impact van de versnipperde bedrijvigheid voor de grondwerken/recycling beëindigd wordt. Verder zien de activiteiten van Driessen op de nieuwe locatie aan de Horsterweg ook op het zoveel mogelijk terugbrengen van (delen van) afgedankte goederen in de goederenkringloop door ze zodanig in te zamelen en te demonteren dat hergebruik mogelijk wordt; ook dit is een vorm van duurzaamheid welke belangrijk is.

Hiermee past het initiatief in de doelstellingen van de gemeente Horst aan de Maas.

 

4.5.6 Conclusie

Uit het bovenstaande, met verdere verwijzing naar de toets aan het omgevingsplan zoals opgenomen in paragraaf 1.3 van deze motivering, blijkt dat de voorgenomen activiteiten op de diverse deellocaties niet strijdig zijn met de doelstellingen en het planologisch beleid van de gemeente.

Hoofdstuk 5 OMGEVINGSASPECTEN

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet.

5.1 Beschermen van de gezondheid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om:

  • het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?)
  • het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).

5.1.1 Wettelijk kader

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen.

Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten worden in de hiernavolgende paragrafen gemotiveerd, echter ook de aanwezigheid van geitenhouderijen, endotoxinen en spuitzones hebben effect op de gezonde fysieke leefomgeving. Deze aspecten zullen in onderhavige paragraaf aan de orde komen.

Tevens zal hierin worden vermeld welke gezondheidseffecten vanuit het project zelf te verwachten zijn.

5.1.2 Geiten

Het aantal geiten is in Limburg is toegenomen van ca. 46.000 in 2016 naar 61.000 dieren in 2018. In 2018 gaat het daarbij om 44.000 melkgeiten (72%). Het aantal gespecialiseerd melkgeitenhouderijen nam toe van 22 in 2016 naar 25 in 2018. Ook Horst en de Maas en omgeving herbergt gespecialiseerde geitenhouderijen.

Uit de studies Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden blijkt dat mensen die binnen 1,5 - 2 km rondom geitenhouderijen wonen een grotere kans hebben op een longontsteking. Wat deze toename veroorzaakt is nog onduidelijk. Er loopt onderzoek naar de oorzaken van de longontstekingen.

De provincie Limburg heeft gelet op die gezondheidseffecten in mei 2019 een voorbereidingsbesluit genomen op basis waarvan het verboden is om het direct aan de inwerkingtreding van dat voorbereidingsbesluit voorafgaande bestaande gebruik van bouwwerken of gronden binnen het gehele grondgebied van de provincie Limburg te wijzigen in gebruik ten behoeve van het houden van geiten. Onder wijzigen wordt ook verstaan een uitbreiding van het direct aan de inwerkingtreding van dit voorbereidingsbesluit voorafgaande aanwezige aantal geiten binnen een inrichting. Dit verbod is niet van toepassing op inrichtingen waar minder dan tien geiten zullen worden gehouden.

Plandeelspecifiek:

Handelstraat 5: De eventuele aanwezigheid van geitenhouderijen in de omgeving heeft geen enkel effect op het afschalen van de toegestane bedrijfsactiviteiten op deze locatie.

Dijkerheideweg: De eventuele aanwezigheid van geitenhouderijen in de omgeving heeft geen enkel effect op de toegestane bedrijfsactiviteiten op deze locatie omdat een bedrijfswoning hier niet toegestaan is.

Hamweg 6: De bedrijfsactiviteiten worden geheel beëindigd en de locatie wordt gesaneerd. De eventuele aanwezigheid van geitenhouderijen in de omgeving heeft heer geen enkel effect op.

Er zal hiervoor in de plaats één woning worden gerealiseerd ter vervanging van de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfswoning, omringd door nieuwe natuur welke doorloopt over de Hamweg ong. De projectie van een woning op deze locatie is wèl een functie welke effecten kan ondervinden van in de omgeving gelegen geitenhouderijen. De meest nabijgelegen geitenhouderij ligt aan de Losbaan 44 te Grubbenvorst, op een afstand van 2 km ten oosten van de Hamweg 6. Deze afstand is, refererend aan de studies Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden, dus groot genoeg om ervoor te zorgen dat de nieuwe bewoners geen gezondheidsrisico's zullen ondervinden.

Sintelweg 4: Na sloop van alle opstallen (waaronder een burgerwoning) zullen hier nieuwe bedrijven gevestigd kunnen worden. De aanwezigheid van een geitenhouderij op een afstand van 1,2 km van de Sintelweg 4 heeft geen effect op de nieuwe bedrijfsactiviteiten op deze locatie; op deze locatie zal geen nieuwe (bedrijfs)woning mogelijk worden gemaakt.

Horsterweg ongenummerd: Op deze locatie zal de bestemming Bedrijventerrein Agribusiness - 2 verruimd worden ten behoeve van de niet-agrarisch gerelateerde bedrijfsactiviteiten. Ook hier zal geen mogelijkheid zijn om een bedrijfswoning toe te voegen. De aanwezigheid van een geitenhouderij op een afstand van 1,4 km van dit plandeel heeft geen effect op de nieuwe bedrijfsactiviteiten op deze locatie.

5.1.3 Endotoxinen

De effecten die veehouderijen op de volksgezondheid kunnen hebben, moeten worden betrokken bij besluiten in het kader van ruimtelijke ordening en milieu. Een van de effecten op de volksgezondheid ziet op endotoxinen.

Endotoxinen zijn celwandresten van bacteriën. Als deze organismen afsterven, komen de endotoxinen vrij. De endotoxinen binden zich aan bacterieresten, stofdeeltjes of waterdeeltjes. Ze kunnen zich gemakkelijk in de omgeving verspreiden. Het inademen van endotoxinen kan leiden tot ontstekingsreacties en luchtwegaandoeningen. Maar endotoxinen kunnen ook beschermende effecten hebben, bijvoorbeeld minder allergie.

De Gezondheidsraad hanteert in het rapport ‘Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen: vervolgadvies’ (2018) een advieswaarde van 30 EU/m3 voor de maximale blootstelling aan endotoxinen in de buitenlucht. De Gezondheidsraad gaat ervan uit dat met deze advieswaarde de gezondheid van omwonenden van veehouderijen tegen te veel aan endotoxinen kan worden beschermd.

Het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid (team van provincie Noord-Brabant, de GGD en verschillende Brabantse omgevingsdiensten en gemeenten) hebben de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld.

Uit bijlage N: 'figuren overschrijdingsafstanden uit modelberekeningen' behorende bij het rapport ‘Emissies van endotoxinen uit de veehouderij: emissiemetingen en verspreidingsmodellering’ van WUR (2016) (endotoxinerapport) valt af te lezen dat in de regio Noord-Limburg op een afstand van meer dan 550 meter gemeten vanuit welke intensieve veehouderijtak dan ook, geen overschrijding van de norm voor endotoxinen plaatsvindt.

In 2019 is een 'Veehouderij en Gezondheid Omwonenden'-deelstudie uitgevoerd in een nieuw gebied (Gelderland, Utrecht en Overijssel). In dit onderzoek was de specifieke relatie tussen pluimveehouderijen en longontsteking niet zichtbaar. Wel zagen de onderzoekers relatief grote verhogingen van het aantal longontstekingen in plattelandsgemeenten met veel intensieve veehouderijen. Vanwege de relatief hoge emissie van fijnstof blijven mogelijke gezondheidseffecten in regio’s met veel pluimveehouderijen in vervolgonderzoek een punt van aandacht.

Locatiespecifiek:

Handelstraat 5: Endotoxinen hebben geen effect op het wegbestemmen van de puinbreker.

Dijkerheideweg: De meest nabijgelegen intensieve veehouderijen bevinden zich aan de Venloseweg 102 en aan de Dijkerheideweg 3 te Horst en liggen op een afstand van ruim 70 m ten noorden respectievelijk ten zuiden van het plangebied aan de Dijkerheideweg. Ook aan de Dijkerheideweg 9 is een intensieve veehouderij gevestigd. Aangezien een bedrijfslocatie zonder bedrijfswoning geen gevoelige functie is, wordt deze nieuwe functie hiermee niet belemmerd.

Hamweg 6: De bedrijfsactiviteiten worden geheel beëindigd en de locatie wordt gesaneerd. Er zal hiervoor in de plaats één woning worden gerealiseerd ter vervanging van de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfswoning, omringd door nieuwe natuur welke doorloopt over de Hamweg ong. De nieuwe woonfunctie is gevoelig voor de invloed van endotoxinen.

De meest nabijgelegen intensieve veehouderij bevindt zich aan de Venloseweg 102 te Horst en ligt op een afstand van ruim 600 m ten zuidoosten van de Hamweg 6. Binnen een afstand van 550 meter mogen vanuit planologisch oogpunt ook geen nieuwe intensieve veehouderijactiviteiten worden ontplooid, waardoor er geen belemmering te verwachten voor de toevoeging van de nieuwe woonfunctie. De gezondheidseffecten zijn te verwaarlozen.

Sintelweg 4: Na sloop van alle opstallen zullen hier nieuwe bedrijven gevestigd kunnen worden. De meest nabijgelegen intensieve veehouderij bevindt zich aan de Witveldweg 44-48 op een afstand van circa 520 m van de Sintelweg 4. Aangezien een bedrijfslocatie geen gevoelige functie is, wordt deze nieuwe functie hiermee niet belemmerd.

Horsterweg ongenummerd: Hier wordt Driessen Grondwerken BV gevestigd.

De meest nabijgelegen intensieve veehouderij bevindt zich aan de Witveldweg 35 op een afstand van circa 170 m van het plangebied aan de Horsterweg. Aangezien een bedrijfslocatie geen gevoelige functie is, wordt deze nieuwe functie hiermee niet belemmerd.

5.1.4 Zoönose

Een zoönose is een infectieziekte die van dier op mens kan overgaan. In Nederland voorkomende zoönosen zijn COVID-19, de ziekte van Lyme, Q-koorts, toxoplasmose, salmonellose en vogelgriep. Ongeveer twee derde van de verwekkers van infectieziekten is afkomstig van dieren. Mensen kunnen er op verschillende manieren mee besmet raken? via voedsel of water of lucht, en via direct contact met besmette dieren of besmet dierlijk materiaal zoals mest. Ook kunnen verwekkers van zoönosen via teken en muggen worden overgebracht.

Hoe groot de afstand moet zijn tussen veehouderijen en woningen om zoönosen bij omwonenden te voorkomen te kunnen spreken van een veilige afstand, is op dit moment niet te bepalen. Dit komt door het gebrek aan betrouwbare informatie over de risico’s voor omwonenden en de verschillen in lokale omstandigheden zoals de gehouden diersoorten, het type huizen en het soort zoönose. Wel zijn er onderzoeken gedaan op basis waarvan een afstandsadvies tussen bedrijven onderling kan worden gegeven om besmetting tussen bedrijven te voorkomen. Deze onderzoeken zijn niet specifiek gericht op ziekteverwekkers. In sommige gevallen zijn ziekteverwekkers wel onderzocht, maar dan alleen die ziekteverwekkers waar dieren ook (erg) ziek van worden. Deze onderzoeken waren specifiek gericht op de verspreiding ervan tussen bedrijven met dieren die (zeer) gevoelig zijn voor bepaalde ziekteverwekkers.

Wel is bekend dat het risico op zoönosen voor omwonenden voor een groot deel wordt bepaald door de hygiënestatus op een veehouderijbedrijf. Een bedrijf waar de hygiënemaatregelen correct worden gehanteerd heeft minder insleep (meebrengen van infectieziekten via overgebrachte dieren) en uitstoot van micro-organismen die schadelijk kunnen zijn voor omwonenden.

Aspecten van volksgezondheid, zoals de mogelijke besmetting van dierziekten vanwege nabijgelegen agrarische bedrijven, is een bij de vaststelling van een bestemmingsplan mee te wegen belang. De bestrijding van besmettelijke dierziekten vindt echter primair zijn regeling in andere regelgeving. Voorts kunnen aan te verlenen omgevingsvergunningen voorschriften worden verbonden om de gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen dan wel te beperken.

Uit de studies Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden blijkt dat mensen die binnen 2 km rondom geitenhouderijen wonen een grotere kans hebben op een longontsteking. Wat deze toename veroorzaakt is nog onduidelijk. Er loopt onderzoek naar de oorzaken van de longontstekingen.

De provincie Limburg heeft in de Omgevingsvisie Limburg gekozen voor het voorlopig handhaven de bestaande geitenstop, waartoe in 2019 een voorbereidingsbesluit was genomen, op basis waarvan het verboden was om het direct aan de inwerkingtreding van dat voorbereidingsbesluit voorafgaande bestaande gebruik van bouwwerken of gronden binnen het gehele grondgebied van de provincie Limburg te wijzigen in gebruik ten behoeve van het houden van geiten. Onder wijzigen wordt ook verstaan een uitbreiding van het aanwezige aantal geiten binnen een inrichting.

Locatiespecifiek:

In een straal van circa 2 km rondom de nieuw te realiseren woning aan de Hamweg 6 bevinden zich geen geitenhouderijen. Binnen de overige delen van het plangebied zullen geen woningen worden gerealiseerd.

5.1.5 Spuitzones

Aan de noord-/noordoostzijde van het plangebied aan de Hamweg 6 zijn agrarische percelen van derden gesitueerd, die agrarisch (mogen) worden gebruikt voor het telen van gewassen. Akkerbouwgewassen en ook containerteelten worden beschermd door middel van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het toebrengen van deze middelen kan de spuitvloeistof ten gevolge van luchtstroming verplaatst worden naar omliggende percelen. Dit wordt 'drift' genoemd. Voor wat betreft het spuiten van gewassen zijn geen wettelijke voorschriften over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt, en nabijgelegen gevoelige objecten. Het ontbreken van dergelijke voorschriften laat echter onverlet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen dient plaats te vinden, waarbij de aan te houden afstand tussen akkerbouwgronden en gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar leefklimaat kan worden gegarandeerd. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder overwogen dat toepassing van de vuistregel om een afstand aan te houden van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk is (uitspraak van 27 mei 2015 in zaak nr. 201410309/1/R6). Dit brengt echter niet reeds met zich dat een kortere afstand in dit geval niet redelijk zou kunnen zijn. Dit hangt mede samen met de hoogte van de gewassen (hoe hoger, des te meer sprake er kan zijn van drift), windrichting, soort bestrijdingsmiddelen en frequentie van spuiten.

De heersende windrichting in de regio is zuid-west, zoals uit onderstaande gegevens van het KNMI blijkt:

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0035.png"

Afbeelding 29: bron Klimaatviewer KNMI

De ontwikkelingen aan de Handelstraat 5, Dijkerheideweg, Sintelweg 4, Horsterweg ongenummerd en Hamweg ongenummerd betreffen geen gevoelige functies welke een belemmering zouden kunnen ondervinden door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

Aan de Hamweg 6 zullen de bedrijfsactiviteiten worden beëindigd en zal hiervoor in de plaats één woning ter vervanging van de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfswoning worden gerealiseerd, omringd door nieuwe natuur. Een woning (zowel een bedrijfswoning van derden als een burgerwoning) is een gevoelig object waardoor bij de situering van de woning en inrichting van het perceel rekening dient te worden gehouden met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op in de omgeving gelegen agrarische percelen. Omdat het nieuwe woonperceel zal worden omringd door nieuwe natuur in de vorm van een ecologische verbindingszone welke de Reulsberg met het dal van de Groote Molenbeek verbindt, zal drift (die in het merendeel van de gevallen van de woning af zal zijn gericht) niet tot aan de woning komen. De nieuwe natuur bestaat namelijk uit dennen-, eiken-, en beukenbos, dat een buffer van ruim 25 m vormt. Om echter te voorkomen dat de nieuwe aanplant (met name in de aanplantfase) onvoldoende drift beperkt, zullen de agrarische gronden welke zijn gelegen in een straal van 50 m rondom de nieuwe bestemming Wonen, in onderhavige bestemmingswijziging meegenomen worden en zullen de bestemming 'Natuur' krijgen. Omdat voor de gronden met de bestemming 'Natuur' (en 'Bedrijf') het overgangsrecht zal worden uitgesloten, wordt daarmee voorkomen dat binnen een straal van 50 m rondom het woonperceel spuitactiviteiten mogen plaatsvinden.

Op deze manier kan worden voldaan aan de regels met betrekking tot spuitzones en is er sprake van een goede en gezonde leefomgeving ter plaatse van de nieuwe woning.

5.1.6 Gezondheidseffect project

Momenteel is Driessen Grondwerken gehuisvest in de gemeente Horst aan de Maas op 4 locaties: Handelstraat 5, Dijkerheideweg en 2 locaties aan de Hamweg. Het project ziet op het clusteren van de bedrijfsactiviteiten van Driessen Grondwerken BV op een locatie binnen bedrijventerrein Klaver 11.

Als gevolg hiervan zullen aan de Hamweg buitengebiedsvreemde functies verdwijnen danwel worden beperkt in intensiteit. De locatie Hamweg 6 grens aan een stiltegebied en ligt in de verbindingszone tussen natuurgebied 't Ham en de Reulsberg. Door het vrijmaken van deze locatie kan er nieuwe natuur worden gerealiseerd en kan de verbindingszone worden versterkt en hiermee de landschappelijke en ecologische kwaliteiten van het omliggende gebied vergroten.

Naast het positieve milieutechnische effecten door het verplaatsen van de gebiedsvreemde activiteiten, draagt het verantwoord inrichten van natuurontwikkeling bij aan de gezondheid van mensen. Een natuurlijke omgeving heeft een positief effect, het kan bijdragen aan het tegengaan van stress, stimuleren tot beweging en aanzetten tot sociaal contact en het kan de interesse voor de natuur stimuleren. Hiermee wordt ook een invulling gegeven aan het “Hoofdlijnen akkoord “ en het “Duurzaamheidsprogramma” van de gemeente Horst aan de Maas.

Een belangrijk onderdeel van de bedrijfsactiviteiten betreft recyclen:

  • De nieuwe locatie biedt ruimere en betere mogelijkheden voor scheidings- en sorteermethoden van afval waardoor de kans voor betere voorbereiding tot nabewerking en hergebruik aanzienlijk wordt vergroot.
  • Door de samenvoeging van de verschillende locaties zullen de transportbewegingen aanzienlijk worden verminderd en kan efficiënter worden gepland. Ten opzichte van de huidige situatie zal er een reductie van 70 % uitstoot plaatsvinden hetgeen de instandhouding en kwaliteit van natuur ten goede komt.
  • De doelstellingen en onderzoeken betreffende de circulaire maatschappij benadrukken het belang van beheren en het hergebruiken van diverse (afval-)stoffen. Er zijn modellen ontworpen om duurzaam en regeneratief om te gaan met uitputtende (fossiele) grondstoffen; dit staat in contrast met de traditionele lineaire economie. Het behoud van deze schaarse grondstoffen in de kringloop, door deze opnieuw te gebruiken, verlaagt de uitputting van natuurlijke bronnen. Op de nieuwe locatie zullen er fysieke en aanvullende organisatorische maatregelen worden genomen om een invulling te geven aan de gestelde doelen. Zo wordt er voor eigen gebruik duurzaam energie opgewekt en zal bedrijfswater zoveel mogelijk worden hergebruikt.

Een toename van de circulaire economie leidt tot een afname van zogenaamde negatieve externe effecten. De negatieve externe effecten kunnen worden uitgedrukt in vier indicatoren:

  • CO2 uitstoot,
  • gebruik van zoetwater
  • landgebruik (ecologische voetafdruk) en de
  • “rugzak” aan grondstoffen die zijn gebruikt bij het vervaardigen van een product dat in Nederland wordt geconsumeerd.

De vermeden CO2-uitstoot in Nederland alleen bedraagt als gevolg van recycling van metalektro bijvoorbeeld naar schatting 747 Kton. Dit is 9,7% van de huidige emissie die wordt geproduceerd door de metalelektro. De emissie van de vermeden nieuwe grondstoffen (5,2 miljoen Kton) moeten hier nog bij worden opgeteld. Het vermeden watergebruik voor de metalelektro bedraagt ca. 37 miljoen m3 water op een totaal gebruik van 280 miljoen m huidig gebruik in heel Nederland. Het vermeden landgebruik door een meer circulaire metalelektro zou met gebruik van de huidige kengetallen 20 km2 zijn.

Deze effecten zijn voor elke productsoort anders, maar uiteindelijk levert recycling voor nagenoeg elke productsoort milieuwinst op. Milieuwinst heeft op zijn beurt weer een positief effect op de mogelijkheden om in Nederland (en daar buiten) te kunnen leven in een prettige leefomgeving met meer natuur, voldoende drinkwater en minder luchtvervuiling.

5.1.7 Conclusie

Het project leidt niet tot gezondheidsrisico's voor omliggende functies en andersom worden de gevoelige functies binnen het project niet belemmerd door van buiten komende gezondheidsrisico's.

Het project zelf heeft een positieve effect op de gezondheid doordat belastende functies worden wegbestemd en samenvoeging van locaties, verbeterde bedrijfsvoering (fysiek en organisatorisch) en ruimere en verbeterde recycling uiteindelijk een positief effect heeft op het milieu en daarmee op de gezondheid van mensen.

5.2 Geluid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Het betreft geluid door activiteiten (wegen, spoorwegen en industrieterreinen e.d.) en specifieke activiteiten (windturbines e.d.)

5.2.1 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
5.2.1.1 Wettelijk kader

De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.

De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn:

  • het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties;
  • het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen;
  • het bevorderen van bronmaatregelen;
  • het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels:
  • het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.

Wanneer voor lokale wegen waarvan een geluidaandachtsgebied moet worden bepaald geen verkeersgegevens bekend zijn en van die wegen de verkeersintensiteit hoger kan zijn dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal, worden contouren bepaald met de volgende afstanden van de rand van de contour tot de weg:

  • Voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: ten minste 100 m;
  • Voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een onbekende maximumsnelheid of een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u: ten minste 200 m; en
  • Voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: ten minste 350 m.

5.2.1.2 Geluidsgevoelige gebouwen

De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.

Gebouwen met een woonfunctie zijn geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.21 Bkl). Hieronder vallen alle gebouwen voor woongebruik, zoals woningen en verzorgingshuizen. Hierdoor zijn de gebouwen met een logiesfunctie of kantoren geen geluidgevoelig gebouw. Onder een geluidgevoelig gebouw vallen ook delen van een gebouw met een nevengebruiksfunctie van de woonfunctie (artikel 3.21 lid 1 onder a Bkl).

Overheden betrekken ook het geluid op gebouwen en locaties die het Rijk niet aanwijst als geluidgevoelig in hun afweging. Dat volgt uit de taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (artikel 4.2 Omgevingswet). Een motivatie van de bescherming is in bepaalde concrete situaties nodig. Vaak is een beperkt beschermingsniveau acceptabel en meestal zijn specifieke regels niet nodig.

5.2.1.3 Onderzoek

Handelstraat 5: De puinbreker verdwijnt en het perceel kan binnen de resterende bedrijfsbestemming gebruikt worden voor overige bedrijfsactiviteiten. Het akoestisch effect van het wegbestemmen van de puinbreker op de omgeving is uitsluitend positief. Het wegbestemmen wordt ook niet belemmerd door akoestische invloeden van buitenaf.

Dijkerheideweg: De grondverzetactiviteiten worden beëindigd en het perceel mag binnen de bedrijfsbestemming bebouwd en gebruikt worden voor overige bedrijfsactiviteiten.

Het akoestisch effect van het wegbestemmen van de grondverzetactiviteiten op de omgeving is uitsluitend positief. Onderhavige wijziging van het omgevingsplan maakt het, net als het vigerende bestemmingsplan, mogelijk om een ander bedrijf in de milieucategorie 1 of 2 te realiseren. De akoestisch impact op omliggende functies is identiek aan de impact van de vigerende planologische mogelijkheden. De nieuwe bedrijfsfunctie wordt verder niet belemmerd door akoestische invloeden van buitenaf.

Hamweg 6: De bedrijfsactiviteiten worden geheel beëindigd en de locatie wordt gesaneerd. Er zal hiervoor in de plaats één woning ter vervanging van de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfswoning worden gerealiseerd. Het akoestisch effect van het wegbestemmen van de bedrijfsmatige activiteiten op de omgeving is uitsluitend positief. Het wegbestemmen wordt ook niet belemmerd door akoestische invloeden van buitenaf. Het toekennen van de nieuwe woonfunctie heeft echter betrekking op een geluidsgevoelig gebouw. De woning zal worden gesitueerd binnen de contouren van de Hamweg, Haagweg en de A73. Uit een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai zal moeten blijken of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en daarmee een evenwichtige toedeling van de functie aan de locatie.

Op 24 januari 2025 is door K-Plus een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Hierin is het volgende geconstateerd:

'Gemeentewegen

Conform opgave van de gemeente Horst aan de Maas zijn de gemeentewegen niet relevant voor het akoestisch onderzoek. Zodoende zijn deze wegen niet nader beschouwd.

Rijksweg

- De standaardwaarde wordt wel, maar de grenswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de A73 is maximaal 58 dB.

- Bij de gemeente Horst aan de Maas kan een verzoek worden ingediend om het geluid boven de standaardwaarde toe te staan.

- In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat de nieuwe woning verspreid wordt gesitueerd.

- De A73 is al voorzien van 1-laags ZOAB. Het aanbrengen van een ander stiller wegdek om de geluidbelasting ten gevolge van de A73 terug te dringen is niet financieel doelmatig en stuit tevens op overwegende bezwaren van uitvoerbare en verkeerskundige aard. De kosten voor het plaatsen van een geluidscherm zijn hoger dan 1 miljoen, waarmee het plaatsen van een scherm tevens niet financieel doelmatig is.

- De afstand van de woning tot de A73 is circa 350 meter. Het verder van de A73 verplaatsen van de woning om de geluidbelasting te reduceren leidt er niet toe dat wordt voldaan aan de standaardwaarde. Deze maatregel heeft geen significante invloed, de afstand verdubbelen zorgt bijvoorbeeld maar voor een reductie van circa 3 dB.

- Indien een geluidbelasting hoger dan de standaardwaarde wordt toegestaan, kan door de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaardes worden gesteld. Mogelijk dient de nieuwe woning te beschikken over ten minste één geluidluwe gevel. Een geluidluwe gevel is een gevel waarbij de gevelbelasting niet hoger mag zijn dan de standaardwaarde voor de verschillende bronnen. In Tabel 4.1 e van het onderzoek is zichtbaar dat de woning beschikt over een geluidluwe zijgevel.

- Conform het Besluit bouwwerken leefomgeving worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer de standaardwaarde wordt overschreden, moet voor de nieuwe woningen worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in artikel 4.103 van het Bbl. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in de gezamenlijke geluidbelasting en 33 dB. In Tabel 4.2 is de benodigde karakteristieke geluidwering weergegeven.'

Het akoestisch onderzoeksrapport zal als bijlage bijgevoegd worden.

Hamweg ong.: Het omzetten van de agrarische functie naar de functie Natuur heeft geen, danwel uitsluitend positieve akoestisch effecten en wordt ook niet belemmerd door akoestische invloeden van buitenaf.

Sintelweg 4: Na sloop van alle opstallen zal hier een nieuw bedrijf gevestigd kunnen worden, omgeven door een groene inpassing. Het nieuwe bedrijf betreft geen geluidsgevoelig gebouw en bevat ook geen geluidsgevoelige functies, zodat de ontwikkeling niet wordt belemmerd door akoestische invloeden vanuit de omgeving.

Horsterweg ongenummerd: Op deze locatie worden alle bedrijfsactiviteiten van Driessen samengevoegd tot één nieuwe bedrijfslocatie. De bedrijfsactiviteiten richten zich primair op grondwerken en recycling.

Dit nieuwe bedrijf betreft geen geluidsgevoelig gebouw en bevat ook geen geluidsgevoelige functies, zodat de ontwikkeling niet wordt belemmerd door akoestische invloeden vanuit de omgeving.

5.2.2 Conclusie

Vanuit het aspect geluid is er geen sprake van een belemmering.

5.3 Kwaliteit van de buitenlucht

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit.

5.3.1 Wettelijk kader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;

Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

Aandachtsgebieden 
Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden zijn opgenomen in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 van de Omgevingsregeling.

In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld:

  • bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
  • bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt;
  • bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.

Artikel 5.54 (standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit) van het Bkl geeft het volgende aan:

Het toelaten van activiteiten leidt in ieder geval tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide en PM10 van 1,2 ug/m3 of minder als bedoeld in artikel 5.53 voor zover het gaat om een verhoging als gevolg van het toelaten van:

  • a. gebouwen met een kantoorfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met:
    • 1. één ontsluitingsweg: een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 100.000 m2;
    • 2. twee ontsluitingswegen: een gelijkmatige verkeersverdeling en een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 200.000 m2;
  • b. gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met:
    • 1. één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of
    • 2. twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen;
  • c. zowel gebouwen met een kantoorfunctie als gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties van die gebruiksfuncties, met:
    • 1. één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 dat samen opgeteld kleiner is dan of gelijk is aan 1,2; of
    • 2. twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en een evenredig grote bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties;
  • d. het telen van gewassen in kassen, bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om:
    • 1. niet-verwarmde kassen; of
    • 2. verwarmde kassen niet groter dan 2 ha;
  • e. het telen van gewassen in de open lucht en het behandelen van gewassen direct voor of na de teelt, bedoeld in artikel 3.208 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • f. het telen van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om:
    • 1. witloftrek; of
    • 2. teelt van eetbare paddenstoelen; of
  • g. het exploiteren van een spoorwegemplacement, bedoeld in artikel 3.295b van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het begin van de activiteit of een wijziging die leidt tot een toename van het aantal dieseltractie-uren van ten hoogste 7.500 per jaar.

5.3.2 Onderzoek

Handelstraat 5: De puinbreker verdwijnt en het perceel kan binnen de resterende bedrijfsbestemming gebruikt worden voor overige bedrijfsactiviteiten. Doordat er sprake is van een afname van toegestane activiteiten, zal dit uitsluitend een positief effect kunnen hebben op de kwaliteit van de buitenlucht. Een onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

Dijkerheideweg: De grondverzetactiviteiten worden beëindigd en het perceel mag binnen de bedrijfsbestemming bebouwd en gebruikt worden voor overige bedrijfsactiviteiten.

Doordat er sprake is van een afname van toegestane activiteiten, zal dit een positief effect kunnen hebben op de kwaliteit van de buitenlucht. Onderhavige wijziging van het omgevingsplan maakt het echter mogelijk om een ander bedrijf in de milieucategorie 1 of 2 te realiseren.

Stel dat zich een bedrijf aan de Dijkerheideweg wil vestigen dat 48 verkeersbewegingen per etmaal met zich mee brengt waarvan 60% vrachtwagenbewegingen betreffen, dan is er nog steeds sprake van 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, zoals uit onderstaande worst-case berekening blijkt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0036.png"

Hamweg 6: De bedrijfsactiviteiten worden geheel beëindigd en de locatie wordt gesaneerd. Er zal hiervoor in de plaats één woning ter vervanging van de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfswoning worden gerealiseerd, omringd door nieuwe natuur.

Zoals in de vorige paragraaf aan de orde is gekomen, valt het realiseren van één (vervangende) woning binnen de standaardgevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

Hamweg ong.: het aanleggen van nieuwe natuur op deze locatie is zonder meer geen activiteit welke een negatief effect heeft op de kwaliteit van de buitenlucht.

Sintelweg 4: Na sloop van alle opstallen zullen hier nieuwe bedrijven gevestigd kunnen worden, omgeven door een groene inpassing. Een specifieke beoordeling van de invloed van de nieuwe bedrijven op de luchtkwaliteit is niet mogelijk omdat het vooralsnog niet bekend is welke bedrijven zich hier zullen vestigen.

Echter, indien ervan wordt uitgegaan dat het totaal maximum bruto vloeroppervlak circa 30.000 m2 zal gaan bedragen, kan voor personenvervoer een vergelijking worden gemaakt met een woongebied met 1500 woningen of een kantoorlocatie met een omvang van 100.000 m2 waarbij onderhavig initiatief relatief beperkt van omvang is, waardoor het evident is dat het project niet in betekenende mate effect op de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Stel dat er 5 bedrijven zich aan de Sintelweg zullen vestigen die elk 100 verkeersbewegingen per etmaal met zich mee brengen waarvan 15 vrachtwagenbewegingen, dan is er nog steeds sprake van 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, zoals uit onderstaande worst-case berekening blijkt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0037.png"

Horsterweg ongenummerd: Op deze locatie worden alle bedrijfsactiviteiten van Driessen samengevoegd tot één nieuwe bedrijfslocatie. De bedrijfsactiviteiten richten zich primair op grondwerken en recycling. Een nieuw bedrijf betreft een 'milieubelastende activiteit' waartoe een onderzoek naar het effect van de bedrijfsactiviteiten op de kwaliteit van de buitenlucht noodzakelijk is.

Op 30 september 2024 is door WSP onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen die samenhangen met activiteiten binnen de nieuwe locatie voor het aspect luchtkwaliteit. Hierin wordt het volgende geconcludeerd:

Binnen de nieuwe locatie van Driessen Grondwerken B.V. komt een afvalbrengstation (verder milieustraat) waar particulieren en bedrijven hun eigen afvalstoffen kunnen afgeven. Dit bevat onder andere huis- en tuin afval, bouwen sloopafval, elektronica, etc. Daarnaast komen er aangewezen locaties voor:

• opslag, overslag en breken van puin;

• opslag, overslag en zeven van grond;

• opslag, overslag en sorteren van grofvuil, bedrijfsafvalstoffen, bouw- en sloopafval en overige afvalstoffen (handpicking en m.b.v. een sorteerknijper aan een hydraulische graafmachine).

Tot slot zijn binnen de inrichting een kantoor, werkplaats en ruimte voor stalling van materiaal en materieel voorzien.

In voorliggend onderzoek word de jaargemiddelde concentraties luchtverontreinigende stoffen bepaald in toetspunten in de omgeving. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang van de activiteiten zoals deze in de eindsituatie zijn voorzien.

Uit de berekeningen volgt dat bij het uitvoeren van de activiteiten op de nieuwe bedrijfslocatie van Driessen, ruimschoots wordt voldaan aan de landelijk vastgestelde omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht. Hierbij is een beoordeling uitgevoerd van de meest kritische stoffen NO2, PM10 en PM2,5.

Op grond van het voorliggende onderzoek wordt geconcludeerd dat:

• bestaande bronnen en achtergrondconcentraties maatgevend zijn voor de lokale kwaliteit van de buitenlucht en;

• de kwaliteit van de buitenlucht geen belemmering vormt voor toestaan van de activiteiten op deze locatie.

Het onderzoeksrapport is als bijlage bijgevoegd.

5.3.3 Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er geen sprake van een belemmering.

5.4 Geur

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur.

5.4.1 Wettelijk kader

Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening, waarin kan worden afgeweken van de standaardnorm.

Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming, vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties.

In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl.

Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt.

Veehouderijen 
In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over:

  • Geurnormen in het omgevingsplan
  • Rekenen
  • Afstandeisen
  • Randvoorwaarden

5.4.2 Onderzoek

De gemeente moet in een omgevingsplan en omgevingsvergunning rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

In de Omgevingswet staat dat de overheid bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet houden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet).

Rekening houden met geur werkt 2 kanten op:

  • bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen
  • bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven

Gebouwen met een woonfunctie zijn in ieder geval geurgevoelige gebouwen (artikel 5.91 Bkl).

Binnen de delen van onderhavig omgevingsplan is er slechts sprake van een geurgevoelig gebouw ter plaatse van de Hamweg 6, waar de bedrijfsfunctie omgezet zal worden naar een woonfunctie ten behoeve van de realisatie van één woning; de overige plandelen betreffen bedrijfsfuncties (zonder bedrijfswoning) danwel een functie 'natuur', welke niet gekwalificeerd worden als geurgevoelig gebouw of geurgevoelige functie.

Paragraaf 22.3.6 van het Omgevingsplan Horst aan de Maas bepaalt dat de waarde voor geur ouE/m3 als 98-percentiel op een geurgevoelig object bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor niet meer mag bedragen dan:

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0038.png"

Voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactor geldt altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 100 meter binnen de bebouwde kom en 50 meter buiten de bebouwde kom.

Rondom 100 m van het plangebied aan de Hamweg 6 bevinden zich geen veehouderijen.

De dichtstbijzijnde (intensieve) veehouderijbestemming (Venloseweg 102) ligt op een afstand van ruim 600 meter vanuit de nieuw te realiseren woning aan de Hamweg 6. Het betreft een pluimveehouderij.

Op 7 november 2024 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Verordening geurhinder en veehouderij 2024 gemeente Horst aan de Maas vastgesteld. Hiermee wordt invulling gegeven aan de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin de afdeling aangeeft dat bij ruimtelijke ontwikkelingen een beoordeling van de geurhinder moet plaatsvinden in het kader van een goed woon- en leefklimaat en alleen een toets aan de normen uit de Wet geurhinder en veehouderij niet volstaat. Deze verordening ziet toe op de beoordeling van de cumulatieve geurbelasting uit stallen van veehouderijen.

Bij de op 24 juli 2020 vastgestelde Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder (voorganger van de Verordening geurhinder en veehouderij 2024), zijn kaarten opgenomen waarop de geurhindercontouren en de achtergrondbelastingen zijn weergegeven. De achtergrondgeurbelasting ter plaatse van de Hamweg 6 wordt als 'goed' gekwalificeerd, zoals te zien is op onderstaande kaart (plangebied is aangeduid met paarse pijl):

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0039.jpg"

Figuur 30: indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder

Op basis van de geraadpleegde kaart behorende bij voornoemde Gebiedsvisie is vast komen te staan dat de bij omliggende intensieve veehouderijbedrijven behorende geurcontouren niet over het geurgevoelige object binnen het plangebied liggen en er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarmee behoeft niet te worden gevreesd voor directe of indirecte geuroverlast c.q. overschrijding van de hiervoor geldende normen en streefwaarden.

Evenmin vormt onderhavig initiatief een belemmering voor veehouderijen nu er al burgerwoningen dichterbij deze bedrijven zijn gesitueerd.

Bij de Verordening geurhinder en veehouderij 2024 is onderstaande kaart opgesteld met de voorgrondbelasting. Ter plaatse van de pijl ligt de Hamweg 6. De indicatieve maximale voorgrondbelasting bedraagt hier maximaal 3 Ou. De nieuwe geurnorm voor de voorgrondbelasting in het buitengebied bedraagt 5 Ou.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0040.png"

Figuur 31: overschrijding voorgrondbelasting

Voor de achtergrondgeurbelasting (cumulatief) is onderstaande kaart opgenomen in de Verordening geurhinder en veehouderij 2024. Hieruit blijkt dat de indicatieve achtergrondbelasting niet mer dan 10 Ou bedraagt terwijl deze in het buitengebied maximaal 20 Ou zou mogen bedragen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0041.png"

Figuur 32: indicatieve achtergrondbelasting

Op 18 februari 2025 is door Kragten een locatiespecifiek onderzoek naar de achtergrondgeurbelasting uitgevoerd (zie Bijlage 19). Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat het de achtergrond geurbelasting ter plaatse van het plangebied ten hoogste 4,3 ouE/m3 als 98-percentiel bedraagt. Deze geurbelasting voldoet ruimschoots aan de geurnorm van 20 ouE/m3 als 98-percentiel uit de gemeentelijke beleidsregel.

Veehouderijen in de omgeving vormen dus geen belemmering voor het initiatief voor wat betreft het aspect geurhinder.

5.4.3 Conclusie

Op basis van voorgaande kan geconcludeerd worden dat dit project geen belemmeringen oplevert voor de ontwikkeling van veehouderijbedrijven en dat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft geur sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Er is geen sprake van een belemmering dus het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.

5.5 Bodemkwaliteit

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem.

5.5.1 Wettelijk kader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang:

  • beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
  • evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.

De waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.

5.5.2 Onderzoek

Handelstraat 5: Doordat op deze locatie slechts (de mogelijkheid voor) een puinbreker verdwijnt en het perceel binnen de resterende bedrijfsbestemming gebruikt kan blijven worden voor overige bedrijfsactiviteiten, is het uitvoeren van een onderzoek naar de kwaliteit van de bodem niet noodzakelijk voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.

Dijkerheideweg: De grondverzetactiviteiten worden beëindigd en het perceel mag binnen de bedrijfsbestemming bebouwd en gebruikt worden voor overige bedrijfsactiviteiten.

Onderhavige wijziging van het omgevingsplan maakt het echter mogelijk om een ander bedrijf in de milieucategorie 1 of 2 te realiseren; echter door geen nieuwe bebouwing mogelijk te maken, is er geen sprake van het verblijf van personen in een gebouw. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

Hamweg 6: De bedrijfsactiviteiten worden geheel beëindigd en de locatie wordt gesaneerd.

Er zal hiervoor in de plaats één woning ter vervanging van de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfswoning worden gerealiseerd. Een woning/woonperceel betreft ingevolge artikelen 5.89g en h van het Bkl een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Hiertoe heeft door HMB in juni 2024 een onderzoek plaats te vinden naar de kwaliteit van de bodem. Hierin is het volgende geconstateerd:

'Aanleiding tot het uitvoeren van het onderzoek zijn de voorgenomen grondtransactie (verkoop), de toekomstige ontwikkeling van het terrein voor woon- en natuurdoeleinden en de vaststelling van de huidige milieuhygiënische bodemkwaliteit in relatie tot de bedrijfsactiviteiten (eindsituatie).

Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek zijn ten behoeve van het onderzoek de volgende deellocaties onderscheiden:

A) (overig deel) onderzoekslocatie (fundering en bodem);

B) asfaltverharding;

C) aarden wal;

D) wasplaats met olie-afscheider;

E) tankplaats;

F) olie-afscheider;

G) septictank;

H) bezinksloot;

I) westelijk opvangbassin;

J) werkplaats en stalling mobiele breker;

K) oostelijk opvangbassin.

(Overig deel) onderzoekslocatie (fundering en bodem) (deellocatie A)

Bodem

Verspreid over de onderzoekslocatie zijn in de grond verhoogde gehalten cadmium, kobalt, koper, nikkel, vanadium, zink, minerale olie, PAK, PCB, drins, DDD, DDE, DDT, OCB (som) en pentachloorfenol boven de normwaarden landbouw/natuur aangetoond. Daarnaast is ter plaatse van de proefgaten/boringen A03 en A05 respectievelijk chroom en zink aangetoond in gehalten boven de interventiewaarden. In het grondwater zijn een matige verontreiniging met cadmium en lichte verontreinigingen met barium, koper, molybdeen en zink aangetoond.

De verontreinigingen in de grond kunnen waarschijnlijk gerelateerd worden aan het decennialange gebruik van de onderzoekslocatie als bedrijfsterrein. Voor de sterk verhoogde gehalten chroom en zink ter plaatse van respectievelijk proefgat/boring A03 en A05 zijn geen duidelijke oorzaken of bronnen aan het licht gekomen. In het kader van het in 1999 uitgevoerde verkennend bodemonderzoek zijn in de grond eveneens verhoogde gehalten minerale olie en PAK aangetoond. Er zijn destijds geen verhoogde gehalten (zware) metalen aangetoond. Destijds is geen onderzoek verricht naar organo chloorbestrijdingsmiddelen (OCB) in de grond derhalve kan geen uitspraak gedaan worden over de eventuele aanwezigheid van deze stoffen in 1999.

De oorzaak voor de verhoogde gehalten zware metalen in het grondwater moet waarschijnlijk gezocht worden in regionale omstandigheden. Het aantreffen van zware metalen in het grondwater is namelijk een bekend verschijnsel in de regio Noord-Limburg.

(Gebroken) asfalt

Ter plaatse van proefgat/boring A16 is een halfverharding van gebroken asfalt aangetroffen en ter plekke van proefgat/boring A11 is op een diepte van 0,1 m-mv een laag asfalt aangetroffen. De resultaten van het onderzoek geven een indicatie dat het zowel het gebroken asfalt als de betreffende asfaltlaag teervrij asfalt betreft.

Halfverharding

Op een groot deel van de onderzoekslocatie is een halfverharding van puingranulaat aanwezig.

De onderzoeksresultaten geven een indicatie dat de halfverharding ten westen, noorden en oosten van het centraal op de onderzoekslocatie gelegen bedrijfspand niet voldoet aan de normen voor een niet vormgegeven bouwstof. De halfverharding op het overige deel van het bedrijfsterrein voldoet indicatief wel aan de normen voor een niet vormgegeven bouwstof.

Asfaltverharding (deellocatie B)

De asfaltverharding ten zuiden van de weegbrug bestaat uit een circa 3 centimeter dikke laag Dicht Asfalt Beton (DAB) met daaronder een 7 à 8 centimeter dikke laag Steenslag Asfalt Beton (STAB). Er is sprake van een homogene asfaltverharding. Op basis van de beoordeling met de PAK-detector en het analytisch onderzoek betreffen beide lagen teervrij asfalt. De totale hoeveelheid teervrij asfalt ten zuiden van de weegbrug wordt ingeschat op 15 m3 (150 m2 x 11 cm)/circa 40 ton (soortelijke dichtheid 2,5 ton/m3).

Aarden wal (deellocatie C)

In de aarden wal aan de oost-, noord- en westzijde van het bedrijfsterrein zijn verhoogde gehalten PAK en alfa-endosulfan boven de normwaarden landbouw/natuur aangetoond. De resultaten geven een indicatie dat de grond in de aarden wal kan worden ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse 'industrie'.

Voor de licht verhoogde gehalten PAK en alfa-endosulfan zijn geen duidelijke oorzaken of bronnen aan het licht gekomen.

Wasplaats met olie-afscheider (deellocatie D)

In de grond ter plekke van de wasplaats met olie-afscheider zijn verhoogde gehalten lood, zink, minerale olie, PAK en PCB boven de normwaarden landbouw/natuur aangetoond en in het grondwater is een lichte verontreiniging met molybdeen aangetoond.

De verhoogde gehalten in de grond ter plaatse van de wasplaats met olie-afscheider komen in grote lijnen overeen met de verhoogde gehalten welke zijn aangetoond ter plaatse van het overige deel van de onderzoekslocatie. Derhalve wordt verwacht dat deze niet zijn te relateren aan de wasplaats met olie-afscheider maar aan het decennialange gebruik van het bedrijfsterrein.

De lichte verontreiniging met molybdeen in het grondwater wordt gerelateerd aan regionale omstandigheden.

Tankplaats (deellocatie E)

Ter plaatse van de tankplaats is in de grond een verhoogd gehalte minerale olie en in het grondwater zijn licht verontreinigingen met barium en molybdeen aangetoond.

Op basis van de fractieverdeling van de aangetoonde minerale olie is het soort minerale olie niet eenduidige vast te stellen. Het verhoogde gehalte minerale olie is waarschijnlijk te relateren aan de bedrijfsactiviteiten ter plaatse en/of aan het decennialange gebruik van het bedrijfsterrein.

De lichte verontreinigingen met barium en molybdeen in het grondwater worden gerelateerd aan regionale omstandigheden.

Olie-afscheider (deellocatie F)

In de grond ter plekke van de olie-afscheider is in de grond een verhoogd gehalte minerale olie en in het grondwater zijn lichte verontreinigingen met molybdeen, nikkel en minerale olie aangetoond.

Op basis van de fractieverdeling van de aangetoonde minerale olie is het soort minerale olie in de grond niet eenduidige vast te stellen. Het verhoogde gehalte minerale olie in het grondwater betreft met name de lichte oliefracties hetgeen duidt op benzine. Er zijn in het grondwater echter geen verhoogde gehalten vluchtige aromatische koolwaterstoffen (BTEX) en naftaleen aangetoond, welke eveneens kenmerkend zijn voor een verontreiniging met benzine. De verontreinigingen in de grond kunnen mogelijk gerelateerd worden aan de olieafscheider.

Opgemerkt kan worden dat in 1999 eveneens een licht verhoogd gehalte minerale olie in de grond is aangetoond. In het grondwater zijn destijds geen verontreinigingen aangetoond.

Septictank (deellocatie G)

In de grond ter plaatse van de septictank zijn geen verhoogde gehalten boven de normenwaarden landbouw/natuur aangetoond en in het grondwater is een lichte verontreiniging met barium aangetoond.

De lichte verontreiniging met barium in het grondwater wordt gerelateerd aan regionale omstandigheden.

Bezinksloot (deellocatie H)

In de sliblaag in de bezinksloot zijn sterke verontreinigingen met minerale olie en PAK aangetoond. Daarnaast zijn verhoogde gehalten aan zware metalen en alfa-endosulfan in de sliblaag aangetoond. Het slib kan als 'sterk verontreinigd' en 'nooit verspreidbaar' worden geclassificeerd.

Westelijk opvangbassin (deellocatie I)

In de sliblaag in het westelijk opvangbassin zijn verhoogde gehalten aan zware metalen minerale olie en PAK aangetoond. Het slib kan als 'matig verontreinigd' en 'niet verspreidbaar' worden geclassificeerd.

Werkplaats en stalling mobiele breker (deellocatie J)

In de grond ter plaatse van de werkplaats en de stalling van de mobiele puinbreker zijn verhoogde gehalten cadmium, lood, PAK, gamma HCH, drins en DDD aangetoond en in het grondwater zijn lichte verontreinigingen met barium en molybdeen aangetoond.

De verhoogde gehalten in de grond ter plaatse van de werkplaats en de stalling van de mobiele breker komen in grote lijnen overeen met de verhoogde gehalten welke zijn aangetoond ter plaatse van het overige deel van de onderzoekslocatie. De verontreinigingen kunnen derhalve gerelateerd worden aan de bedrijfsactiviteiten ter plaatse en/of in de directe omgeving van de deellocatie.

De lichte verontreinigingen met barium en molybdeen in het grondwater worden gerelateerd aan regionale omstandigheden.

Oostelijk opvangbassin (deellocatie K).

In de sliblaag in het oostelijk opvangbassin zijn verhoogde gehalten aan zware metalen minerale olie, PAK en PFAS aangetoond. Het slib kan als 'matig verontreinigd' en 'niet verspreidbaar' worden geclassificeerd.

Algemeen

De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit c.q. de sterke verontreinigingen met chroom en zink vormen mogelijk een belemmering of beperking voor het toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie voor woon- en natuurdoeleinden.

Of de vastgestelde milieuhygiënische kwaliteit van de bodem een belemmering vormt voor de voorgenomen onroerende zaak transactie (verkoop) is afhankelijk van hetgeen partijen overeenkomen.

Aanbevelingen

Aangezien de gehalte chroom en zink ter plaatse van respectievelijk proefgat/boring A03 en A05 de interventiewaarden overschrijden, is een nader bodemonderzoek noodzakelijk naar deze verontreinigingen.

Bij werkzaamheden in de grond ter plaatse van de bodemverontreinigingen met chroom en zink is er sprake van een 'saneringssituatie' omdat gewerkt wordt aan/met sterk verontreinigde grond. Hiervoor dienen de nodige meldingen te worden gedaan en veiligheidsmaatregelen genomen te worden.

Geadviseerd wordt het verontreinigde slib in de bezinksloot en de twee opvangbassins op een milieuhygiënische wijze te verwijderen en naar een erkende verwerker af te voeren.

Indien de aanwezige (half)verhardingen op de onderzoekslocatie in het kader van de voorgenomen toekomstige ontwikkeling hun functie als (half)verharding verliezen, dienen deze verwijderd en van de onderzoekslocatie afgevoerd te worden.

Indien de grond in de aarden wal wordt afgevoerd van de onderzoekslocatie dient er rekening mee gehouden te worden dat de grond mogelijk niet overal kan worden toegepast.

Geadviseerd wordt na de toekomstige ontmanteling/opschoning van het bedrijfsterrein en de sanering van de verontreinigingen met chroom en zink een nieuw (verkennend) bodemonderzoek uit te voeren.'

Het aanvullend onderzoek zal worden uitgevoerd nadat de bebouwing is gesloopt. In de planregels is een voorwaarde opgenomen dat uit onderzoek dient te blijken dat de kwaliteit van de bodem geen belemmering mag vormen voor de woonfunctie.

Hamweg ong.: Voor het omzetten van de agrarische bestemming in een natuurfunctie is het uitvoeren van een onderzoek naar de kwaliteit van de bodem niet noodzakelijk. In verband met de overdracht van de gronden is echter op 21 juni 2024 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt het volgende:

'Halfverharding en fundering

De resultaten van het onderzoek geven een indicatie dat het verhardings- en funderingsmateriaal op de onderzoekslocatie voldoet aan de normen voor een niet vormgegeven bouwstof. In één van de vier mengmonsters van het halfverhardings- materiaal is asbest aangetoond boven de rapportagegrens. In de overige mengmonsters is geen asbest boven de rapportagegrens aangetoond. Het aangetoonde gehalte asbest ligt ruimschoots onder de helft van de maximale samenstellingswaarde zodat mag worden aangenomen dat ook in het kader van een nader onderzoek asbest geen verhoogd gehalte asbest boven de maximale samenstellingswaarde wordt aangetoond.

Bodem

Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'verdachte locatie' ten aanzien van de onderzoekslocatie c.q. het opslagterrein voor diverse kwaliteitsklassen grond stand houdt. In de bovengrond c.q. de bodemlaag onder de verhardingsconstructie zijn plaatselijk verhoogde gehalten minerale olie, PCB en DDD aangetoond. Er is in de grond geen asbesthoudend materiaal aangetroffen/ aangetoond en er zijn geen verhoogde gehalten PFAS boven de normwaarden landbouw/natuur in de grond aangetoond. In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten minerale olie en molybdeen aangetoond.

De licht verhoogde gehalten minerale olie, PCB en DDD kunnen mogelijk gerelateerd worden aan de aangetroffen puinresten in de grond en/of de opslag van grond op de onderzoekslocatie. De verhoogde gehalten PCB en DDD overschrijden minder dan tweemaal de normwaarden landbouw/natuur en zijn lager dan de normwaarden wonen zodat mag worden aangenomen dat de grond niet noemenswaardig is verontreinigd met PCB en DDD.

Voor de lichte verontreinigingen met molybdeen en minerale olie in het grondwater zijn geen duidelijke bronnen of oorzaken aan het licht gekomen. Aangezien in de grond geen verhoogde gehalten molybdeen zijn aangetoond en de fractieverdeling van de minerale olie in het grondwater niet overeenkomt met de fractieverdeling van de minerale olie in de grond mag worden aangenomen dat de verontreinigingen in het grondwater niet zijn te relateren aan de bedrijfsactiviteiten op de onderzoekslocatie.

Aarden wallen

In de noordwestelijke aarden wal zijn verhoogde gehalten koper, zink, minerale olie, drins, DDD en PAK aangetoond. De resultaten geven een indicatie dat de grond in de aarden wal voldoet aan de eisen voor de bodemkwaliteitsklasse ‘industrie’. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de analyseresultaten in eerste instantie een indicatie gaven dat de grond als ‘sterk verontreinigd’ aangemerkt dient te worden. Uit overleg met het laboratorium is gebleken dat ondanks dat de resultaten van de heranalyses de in eerste instantie aangetoonde gehalten minerale olie en PAK niet bevestigen, de analyseresultaten toch als representatief worden gezien. De sterk wisselende gehalten zijn volgens het laboratorium te wijten aan heterogeniteit binnen het aangeleverde grondmengmonster.

Voor de verhoogde gehalten koper, zink, minerale olie, drins, DDD en PAK zijn geen duidelijke oorzaken of bronnen aan het licht gekomen. Waarschijnlijk waren de verontreinigingen reeds in de grond aanwezig bij de aanleg van de aarden wal.

In de noordoostelijke aarden wal zijn verhoogde gehalten minerale olie, drins en PAK aangetoond. De resultaten geven een indicatie dat de grond in de aarden wal voldoet aan de eisen voor de bodemkwaliteitsklasse ‘industrie’.

De verhoogde gehalten minerale olie , drins en PAK kunnen mogelijk (deels) aan de aangetroffen puinresten in de grond gerelateerd worden.

Algemeen

De (indicatief) vastgestelde milieuhygiënische kwaliteit van het halfverhardingsmateriaal, het funderingsmateriaal, de bodem en de aarden wallen vormen geen directe beperkingen of belemmeringen voor het huidige gebruik van de onderzoekslocatie. In het kader van de toekomstige ontwikkeling van het terrein voor natuurdoeleinden zullen de aanwezige verhardingsconstructie ((half)verharding inclusief funderingsmateriaal) en de aardenwallen verwijderd en naar erkende verwerker(s) afgevoerd dienen te worden.

Of de vastgestelde milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en de aarden wallen een belemmering vormt voor de voorgenomen onroerende zaak transactie (verkoop) is afhankelijk van hetgeen partijen overeenkomen.

Na uitvoering van het voorliggend bodemonderzoek is de actuele kwaliteit van de bodem in voldoende mate bekend.

Aanbevelingen

De kwaliteit van de bodem en de eindsituatie is in voldoende mate vastgesteld/vastgelegd. Nader (bodem)onderzoek (asbest) of een sanering zijn niet noodzakelijk.

Op basis van de resultaten van voorliggend onderzoek kan de grond uit de aarden wallen uitsluitend afgevoerd worden naar een erkende verwerker. Voor rechtstreekse afvoer naar een toepassingslocatie is het noodzakelijk partijkeuringen conform het procescertificaat BRL SIKB 100020, protocol 100121 uit te voeren.

Geadviseerd wordt bij de verwijdering van de verhardingsconstructie ((half)verharding inclusief funderingsmateriaal) tevens de puinresten uit de onderliggende bodemlaag te verwijderen.'

Het bodemonderzoek is als bijlage 15 aan de planstukken toegevoegd.

Sintelweg 4: Na sloop van alle opstallen zal hier een nieuw bedrijf gevestigd kunnen worden, omgeven door een groene inpassing. Het bedrijfsgebouw betreft ingevolge artikelen 5.89g en h van het Bkl een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie omdat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Hiertoe heeft op 15 mei 2024 een onderzoek plaats gevonden naar de kwaliteit van de bodem, waarin het volgende is geconstateerd:

'Geconcludeerd wordt dat de hypotheses 'verdachte locatie' ten aanzien van het fruitteeltbedrijf/boomkwekerij (deellocatie A) en de voormalige tuinderskas (deellocatie B) stand houden. In de bovengrond zijn verhoogde gehalten cadmium, koper, drins (som), DDD (som), DDT (som) en OCB (som) aangetoond en in het grondwater zijn lichte verontreinigingen met barium, koper, molybdeen en naftaleen aangetoond. Er zijn geen verhoogde gehalten asbest boven de rapportagegrens aangetoond. Enkele individuele PFAS zijn aangetoond in verhoogde gehalten boven de rapportagegrens, maar de gehalten PFAS voldoen aan de normwaarden landbouw/natuur. De verhoogde gehalten drins (som), DDD (som), DDT (som) en OCB (som) zijn waarschijnlijk te relateren aan de bedrijfsactiviteiten van het fruitteeltbedrijf/boomkwekerij. Gezien het feit dat het gebruik van onder andere DDT al sinds 1973 is verboden, mag worden aangenomen dat de verontreinigingen met bestrijdingsmiddelen ruimschoots voor 1987 zijn ontstaan. De verhoogde gehalten cadmium en koper in de bodem betreffen mogelijk verhoogde achtergrondgehalten. De oorzaak voor de lichte verontreinigingen met de zware metalen barium, koper en molybdeen in het grondwater moet waarschijnlijk gezocht worden in regionale omstandigheden. Het aantreffen van zware metalen in het grondwater is een bekend verschijnsel in de regio Noord-Limburg. De verhoogde gehalten zware metalen worden derhalve gezien als verhoogde achtergrondgehalten. Voor de lichte verontreiniging met naftaleen in het grondwater is geen duidelijke oorzaak of bron aan het licht gekomen. Waarschijnlijk is de verontreiniging afkomstig van buiten de onderzoekslocatie. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen directe beperking of belemmering voor het huidige gebruik (en het toekomstige gebruik als bedrijfsterrein) van de onderzoekslocatie. Wel dient er rekening mee gehouden te worden dat bij eventuele (toekomstige) afvoer van grond van de onderzoekslocatie (bijvoorbeeld bij de inrichting als bedrijfsterrein) de grond buiten de onderzoekslocatie niet vrij toepasbaar. Of de milieuhygiënische bodemkwaliteit een belemmering vormt voor de voorgenomen grondtransactie is afhankelijk van hetgeen de partijen overeenkomen.

De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om nader bodemonderzoek te adviseren.'

Het bodemonderzoek is bijgevoegd als Bijlage 17.

Horsterweg ongenummerd: Op deze locatie worden alle bedrijfsactiviteiten van Driessen samengevoegd tot één nieuwe bedrijfslocatie.

Het bedrijfsgebouw betreft ingevolge artikelen 5.89g en h van het Bkl een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie omdat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Hiertoe heeft op 18 juni 2024 een onderzoek plaatsgevonden naar de kwaliteit van de bodem, waarin het volgende is geconstateerd:

'In de bovengrond zijn plaatselijk verhoogde gehalten cadmium en PCB aangetoond en in het grondwater zijn lichte tot sterke verontreinigingen met barium en lichte verontreinigingen met koper en molybdeen aangetoond. In de bovengrond is PFAS niet aangetoond in verhoogde gehalten boven de normwaarden landbouw/natuur. Wel zijn verspreid over de gehele onderzoekslocatie individuele PFAS aangetoond in verhoogde gehalten boven de rapportagegrenzen. Ter plaatse van de deellocaties 1, 2A, 2B, 3A en 3C is geen asbest(houdend materiaal) aangetroffen/aangetoond. Ter plaatse van deellocatie 3B is in de fijne fractie (<20 mm) asbest aangetoond in een gehalte boven de rapportagegrens. Het gehalte asbest overschrijdt de helft van de interventiewaarde niet, derhalve is het statistisch aannemelijk dat ook in een nader onderzoekstraject de interventiewaarde niet zal worden overschreden.

Voor de plaatselijk verhoogde gehalten cadmium en PCB in de bovengrond zijn geen duidelijke oorzaken of bronnen aan het licht gekomen.

Voor de licht tot sterk verhoogde gehalten barium en de licht verhoogde gehalten koper en molybdeen in het grondwater zijn eveneens geen duidelijke oorzaken of bronnen ter plaatse van de onderzoeklocatie aan het licht gekomen. De oorzaak moet waarschijnlijk gezocht worden in regionale omstandigheden. Het aantreffen van zware metalen in het grondwater is een bekend verschijnsel in de regio Noord-Limburg. De verhoogde gehalten barium koper en molybdeen worden derhalve gezien als verhoogde achtergrondgehalten.

De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering of beperking voor het huidige gebruik als landbouwgrond en het toekomstige (bedrijfsmatig) gebruik van de onderzoekslocatie en derhalve de voorgenomen onroerende zaak transactie (verkoop).

Met het voorliggend bodemonderzoek is voor het geplande grondverzet- en recyclingbedrijf de actuele milieuhygiënische bodemkwaliteit in voldoende mate vastgelegd.

Aanbevelingen

De kwaliteit van de bodem is in voldoende mate vastgesteld. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om nader bodemonderzoek te adviseren.

Vanwege het aantreffen van een sterk verhoogd gehalte barium in het grondwater dient rekening te worden gehouden met enkele gebruiksbeperkingen ten aanzien van het gebruik van het (freatisch) grondwater. De aanwezigheid van metalen in verhoogde gehalten in het (freatisch) grondwater maakt dit minder geschikt om het op te pompen en te gebruiken voor het besproeien van consumptiegewassen of voor het drenken van vee dan wel voor menselijke consumptie. Het is dan ook aan te bevelen het (freatisch) grondwater niet zelf op te pompen en voor een van de genoemde of daarop gelijkende doelen te gebruiken.

Het onderzoek is, voor zover van toepassing, onder certificaat (KWALIBO) uitgevoerd, maar een bodemonderzoek is geen partijkeuring. Door derden kan, ongeacht de resultaten van dit bodemonderzoek, een keuring van een af te voeren partij grond verlangd worden. Bij afvoer van grond van de locatie kan er sprake zijn van verwerkingskosten.'

Het bodemonderzoek is bijgevoegd als Bijlage 16.

5.5.3 Conclusie

Vanuit het aspect bodem is er geen sprake van een belemmering.

5.6 Parkeren en verkeer

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect parkeren en verkeer.

5.6.1 (Wettelijk) kader

Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn.

De activiteit dient getoetst te worden aan het gemeentelijk beleid.

Op basis van de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas 2019 kan berekend worden hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn. Op deze wijze kan worden aangetoond dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is of gerealiseerd kan worden.

5.6.2 Onderzoek

Handelstraat 5: De puinbreker verdwijnt en het perceel kan binnen de resterende bedrijfsbestemming gebruikt worden voor overige bedrijfsactiviteiten. Hiervoor behoeft niet te worden voorzien in extra parkeergelegenheid. Evenmin heeft het wegbestemmen van deze activiteit geen verkeersaantrekkende werking.

Dijkerheideweg: De grondverzetactiviteiten worden beëindigd en het perceel mag binnen de bedrijfsbestemming bebouwd en gebruikt worden voor overige bedrijfsactiviteiten.

Onderhavige wijziging van het omgevingsplan maakt het echter mogelijk om een ander bedrijf (zonder bedrijfsbebouwing) in de milieucategorie 1 of 2 te realiseren. Bij de nieuwe functie zal, evenals in de huidige situatie, voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein dienen te worden gerealiseerd. Het benodigde aantal parkeerplaatsen is echter zeer beperkt omdat er op locatie geen bebouwing kan worden gerealiseerd waarbinnen mensen werkzaam zijn.

De ontsluiting van het bedrijf/de bedrijven zal via de Dijkerheideweg/Venloseweg, Meldersloseweg richting A73 plaatsvinden.

Hamweg 6: De bedrijfsactiviteiten worden geheel beëindigd en de locatie wordt gesaneerd.

Er zal hiervoor in de plaats één woning ter vervanging van de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfswoning worden gerealiseerd, omringd door nieuwe natuur. Per woning dient voorzien te worden in parkeergelegenheid voor ten minste 2 voertuigen. Op de volgende afbeelding is te zien waar deze parkeerplaatsen gesitueerd zouden kunnen worden. Echter, elke andere situering op eigen perceel voldoen ook aan de norm, mits de breedte minimaal 2,5 m bedraagt en de lengte minimaal 6 m en beide parkeerplaatsen afzonderlijk van elkaar gebruikt kunnen worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0042.png"

Figuur 33: parkeergelegenheid bij Hamweg 6

Het perceel ontsluit op de Hamweg en zal via de Venloseweg in noordelijke richting verspreid worden naar de Stationsstraat of de Meldersloseweg en de A73. De verkeersgeneratie per woning wordt door het CROW op 9 bewegingen per etmaal geraamd. Dit zijn minder bewegingen dan op basis van de huidige bedrijfsbestemming te verwachten zijn en zullen tevens nagenoeg geheel betrekking hebben op personenauto's terwijl op basis van de vigerende bestemming voornamelijk vrachtverkeer de locatie aandoet. Als gevolg van de functiewijziging naar 'wonen' zal de verkeersintensiteit afnemen; het wegennet zal derhalve niet extra worden belast.

Hamweg ong.: Aan het wijzigen van de agrarische functie in de functie 'natuur' is geen noodzaak voor het aanleggen van parkeerplaatsen gerelateerd. Evenmin heeft deze wijziging een negatief effect op de verkeersgeneratie.

Sintelweg 4: Na sloop van alle opstallen zal hier een nieuw bedrijf gevestigd kunnen worden, omgeven door een groene inpassing. Bij de nieuwe bedrijfsfunctie zal voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein dienen te worden gerealiseerd. Hiertoe zullen regels worden gesteld zodat bij het verlenen van de omgevingsvergunning het benodigde aantal parkeerplaatsen voor betreffend bedrijf als voorschrift aan de vergunning kunnen worden gekoppeld.

De ontsluiting van het bedrijf zal via de Horsterweg/Venloseweg, Meldersloseweg richting A73 plaatsvinden. Onderstaand is de ontsluiting van de locatie weergegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0043.png"

Figuur 34: ontsluiting bedrijfskavels Sintelweg

Uit het in augustus 2018 door Royal Haskoning/DHV uitgevoerde verkeerskundig onderzoek naar de vraag of het wegennet (Venloseweg-Horsterweg) en het buurtschap Californië het verkeer aan kan, blijkt dat op de Horsterweg in 2030 circa 4.600 mvt/etmaal worden voorzien. Deze intensiteit is laag voor een gebiedsontsluitingsweg (1x2, 80 km/u). Wel is het aandeel vrachtverkeer met circa 17% (ofwel 800 vrachtwagens per etmaal) relatief hoog, hetgeen niet verwonderlijk is gelet op de bedrijven die ontsluiten op deze wegen. Hieruit blijkt dat de toename van het aantal verkeersbewegingen niet leidt tot een overbelaste situatie of verkeersgevaarlijke situaties.

Horsterweg ongenummerd: Op deze locatie worden alle bedrijfsactiviteiten van Driessen samengevoegd tot één nieuwe bedrijfslocatie. Bij de nieuwe bedrijfsfunctie dient voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein te worden gerealiseerd. Hierin dient het volgende onderscheid te worden gemaakt:

  • parkeren van personeel
  • parkeren eigen voertuigen
  • parkeren bezoekers

Voor de parkeerbehoefte wordt aangesloten bij onderstaande parkeernormen van de gemeente Horst aan de Maas, uitgaande van 'buiten bebouwde kom'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0044.png"

Op eigen terrein dienen derhalve 79 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd.

Nabij het kantoor zijn 48 parkeerplaatsen voorzien waarvan 7 parkeerplaatsen met een laadpaal voor het laden van elektrische voertuigen. Verder zijn er nog 2 parkeerplaatsen voorzien bij de opslaghal voor circulaire bouwmaterialen. Op de grasbetontegels aan de noordoostzijde van het langgerekte waterbassin is ruimte voor 31 overloopparkeerplaatsen.

De ervaring leert dat een groot deel van het personeel met de fiets naar het werk komt. Er wordt dus ook voorzien in een fietsenstalling nabij het kantoor, inclusief mogelijkheid om elektrische fietsen op te laden.

Voor de eigen voertuigen zijn plekken ingericht welke op de inrichtingstekening zijn aangeduid met 'wagenpark'. Bijkomend voordeel van het samenvoegen van de diverse bedrijfslocaties is dat er geen voertuigbewegingen meer noodzakelijk zijn tussen de eigen locaties.

De ontsluiting van het bedrijf zal via de Horsterweg/Venloseweg, Meldersloseweg richting A73 plaatsvinden, of via de Horsterweg, Venrayseweg richting A73. Op onderstaande afbeelding is de ontsluiting weergegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0045.png"

Figuur 35: ontsluiting plangebied Horsterweg

Zoals al opgemerkt bij de Sintelweg blijkt uit het in 2019 uitgevoerde verkeerskundig onderzoek dat de toename van het aantal verkeersbewegingen niet leidt tot een overbelaste situatie of verkeersgevaarlijke situaties aan de Horsterweg-Venloseweg.

5.6.3 Conclusie

Vanuit het aspect verkeer en parkeren is er geen sprake van een belemmering.

5.7 Omgevingsveiligheid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, explosies, gifwolken en dergelijke.

Bij risicovolle activiteiten uit het Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal) wijst het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) aandachtsgebieden aan. Het bevoegd gezag dient binnen de aandachtsgebieden bij de vergunningverlening rekening te houden met het groepsrisico; indien sprake is van een verhoogd risico dan gelden aanvullende bouwkundige eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De norm van het plaatsgebonden risico (PR) blijft gelijk en daarmee ook het basisbeschermingsniveau.

5.7.1 Wettelijk kader

De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden.

Het betreft de volgende activiteiten:

  • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving.
  • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor).
  • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving.
  • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Aandachtsgebieden (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl) gelden van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen.
In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl).

In het Bkl staan instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:

  • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl).
  • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
  • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
  • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl)

5.7.2 Onderzoek

Handelstraat 5: De puinbreker verdwijnt en het perceel kan binnen de resterende bedrijfsbestemming gebruikt worden voor overige bedrijfsactiviteiten. Dit is geen activiteit die belemmerd wordt door het aspect omgevingsveiligheid, noch effect heeft op de omgevingsveiligheid ten opzichte van omliggende functies.

Dijkerheideweg: De grondverzetactiviteiten worden beëindigd en het perceel kan binnen de resterende bedrijfsbestemming gebruikt worden voor overige bedrijfsactiviteiten in de milieucategorie 1 en 2. Dit is geen activiteit die effect heeft op de omgevingsveiligheid ten opzichte van omliggende functies.

Volgens de Signaleringskaart ligt in de directe omgeving van dit deel van het plangebied (straal van circa 500 m) géén risicovolle inrichting. Wel vindt er in de omgeving vervoer van gevaarlijke stoffen plaats, te weten over de A73 die op korte afstand van dit deel van het plangebied loopt. Dit deel van het plangebied is deels gelegen binnen het explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied langs deze weg, zoals op de volgende uitsnede uit de signaleringskaart is te zien.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0046.png"

Afbeelding 35a: uitsnede signaleringskaart

Een explosieaandachtsgebied is de locatie begrensd door de afstand, waar een ongewoon voorval leidt tot:

  • a. een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion, BLEVE) de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m2 is; of
  • b. een explosie, anders dan onder a, de overdruk ten hoogste 10 kPa is.

Omdat er geen bebouwing mag worden opgericht, is het verblijf van personen aan de Dijkerheideweg zeer beperkt in aantal en frequentie, waardoor er geen sprake is van een toenemend groepsrisico. Dit nieuwe planologische mogelijkheden zijn qua kwetsbaarheid identiek aan de vigerende planologische mogelijkheden.

Hamweg 6: De bedrijfsactiviteiten worden geheel beëindigd en de locatie wordt gesaneerd. Er zal hiervoor in de plaats één woning ter vervanging van de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfswoning worden gerealiseerd. Een woning is een kwetsbaar gebouw en is dus gevoelig voor het aspect omgevingsveiligheid. Volgens de Signaleringskaart ligt in de directe omgeving van het plangebied (straal van 1 km) géén risicovolle inrichtingen. Wel vindt er in de omgeving vervoer van gevaarlijke stoffen plaats, te weten over de A73 die op een afstand van circa 350 m buiten dit deel van het plangebied loopt. Dit deel van het plangebied is niet gelegen binnen of in de omgeving van enige risicocontour of aandachtsgebied, zoals op de volgende uitsnede uit de signaleringskaart is te zien.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0047.jpg"

Afbeelding 36: uitsnede signaleringskaart

Hamweg ong.: De agrarische functie wordt gewijzigd in de functie 'natuur'. Dit is geen functie die belemmerd wordt door het aspect omgevingsveiligheid, noch effect heeft op de omgevingsveiligheid ten opzichte van omliggende functies.

Sintelweg 4: Na sloop van alle opstallen zal hier een nieuw bedrijf gevestigd kunnen worden. Het nieuwe bedrijf dat een industriefunctie zal krijgen betreft een beperkt kwetsbaar object. Ditzelfde geldt voor de Horsterweg ongenummerd. Op deze locatie worden alle bedrijfsactiviteiten van Driessen samengevoegd tot één nieuwe bedrijfslocatie, waarbij sprake is van een beperkt kwetsbaar object.

Volgens de Signaleringskaart ligt in de directe omgeving van deze delen van het plangebied (straal van circa 300 respectievelijk 450 m) géén risicovolle inrichtingen. Wel vindt er in de omgeving vervoer van gevaarlijke stoffen plaats, te weten over de A73 die op korte afstand van beide delen van het plangebied loopt. Deze delen van het plangebied zijn deels gelegen binnen het explosieaandachtsgebied en het gifwolkaandachtsgebied langs deze weg, zoals op de volgende uitsnede uit de signaleringskaart is te zien.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0048.jpg"

Afbeelding 37: uitsnede signaleringskaart

Een explosieaandachtsgebied is de locatie begrensd door de afstand, waar een ongewoon voorval leidt tot:

  • a. een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion, BLEVE) de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m2 is; of
  • b. een explosie, anders dan onder a, de overdruk ten hoogste 10 kPa is.

Voor de verantwoording van het groepsrisico is op 22 april 2024 onderzoek verricht door Kragten.

Hierin wordt geconcludeerd dat de personendichtheid in het gebied niet significant toeneemt. Geadviseerd wordt om het plangebied goed bereikbaar te maken en houden voor de hulpverleningsdiensten en wel via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen conform de Handreiking bluswatervoorziening en Bereikbaarheid 2019” van Brandweer Nederland. Verder wordt in het onderzoeksrapport beschreven hoe gehandeld dient te worden ingeval van een explosie en een toxische wolk. De zelfredzaamheid van aanwezige personen kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident). In geval van een calamiteit is het van levensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Vluchtroutes dienen zichtbaar en duidelijk te worden aangeduid. Hierbij zijn het opstellen van een bedrijfsnoodplan en de bedrijfshulpverlening inrichten en oefenen op de beschreven scenario’s interne maatregelen die de zelfredzaamheid verhogen.

De rapportage inhoudende de verantwoording van het groepsrisico is als bijlage 2 toegevoegd.

5.7.3 Conclusie

Vanuit het aspect externe veiligheid is er geen sprake van een belemmering.

5.8 Natuur

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie.

5.8.1 Wettelijk kader

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.

Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).


5.8.1.1 Gebiedsbescherming

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten.

5.8.1.1.1 Onderzoek

De delen van het plangebied maken geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Op de volgende afbeelding is de ligging van de plandelen te zien ten opzichte van het NNN (groene vlakken).

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0049.jpg"

Afbeelding 38: natuurnetwerk Nederland

Tevens zijn de Natura 2000-gebieden in de wijde omgeving van het plangebied in beeld gebracht:

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0050.jpg"

Afbeelding 39: Natura 2000-gebieden

Het plangebied ligt tussen natura 2000-gebied Deurnsche Peel en Mariapeel en de Maasduinen (op een afstand van circa 5 resp. 10 km).

Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten. Er dient te worden aangetoond dat met het beoogde plan geen negatieve effecten worden voorzien op de omliggende Natura 2000-gebieden. Bij een projectbijdrage van 0,00 mol/ha/jaar zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Wanneer het projecteffect hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar dient een vergunning te worden aangevraagd en is nader aanvullend onderzoek noodzakelijk. De vergunning kan alleen worden verleend indien de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast.

De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plan; tijdens de (sloop- en) aanlegfase zijn de emissies te relateren aan bouwverkeer, draaiuren van (niet elektrische) werktuigen en machines.

Handelstraat 5: Het fysiek en planologisch verwijderen van de puinbreker leidt tot een afname van uitstoot en dus van deposities van stikstof op in de omgeving gelegen Natura 2000-gebieden.

Dijkerheideweg: De grondverzetactiviteiten worden beëindigd en dit leidt tot een afname van uitstoot en dus van deposities van stikstof op in de omgeving gelegen Natura 2000-gebieden. De resterende planologische gebruiksmogelijkheden zijn gelijk aan de gebruiksmogelijkheden zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan, waardoor er geen enkel negatief effect op de stikstofdepositie behoeft te worden verwacht.

Hamweg 6: De bedrijfsactiviteiten worden geheel beëindigd en de locatie wordt gesaneerd. Er zal hiervoor in de plaats één woning ter vervanging van de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfswoning worden gerealiseerd. Het slopen van alle bedrijfsbebouwing en de realisatie en het gebruik van de woning leiden tot extra stikstofdeposities; het beëindigen van de bedrijfsactiviteiten heeft echter ook een afname van depositie tot gevolg. Uit de op 30 juni 2025 uitgevoerde aeriusberekening blijkt dat er per saldo geen sprake is van een significante toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.

De aeriusberekening is bijgevoegd als Bijlage 11.

Hamweg ong. Het omzetten van de agrarische functie naar de functie 'natuur' heeft geen danwel uitsluitend positieve invloed op de stikstofdeposities. Het uitvoeren van een aeriusberekening is derhalve niet noodzakelijk.

Sintelweg 4: Na sloop van alle opstallen zal hier een nieuw bedrijf gevestigd kunnen worden. Het slopen van alle bebouwing en de realisatie en het gebruik van een nieuw bedrijf leiden tot extra stikstofdeposities. Uit de in juni 2024 uitgevoerde (en als bijlage 12 bijgevoegde) aeriusberekening is gebleken dat er per saldo geen sprake is van een significante toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.

Horsterweg ongenummerd: Op deze locatie worden alle bedrijfsactiviteiten van Driessen samengevoegd tot één nieuwe bedrijfslocatie. Het slopen van alle bebouwing en de realisatie en het gebruik van een nieuw bedrijf leiden tot extra stikstofdeposities. Voor onderhavig project is derhalve bij de provincie Limburg een omgevingsvergunning aangevraagd voor deze flora en fauna-activiteit. Primair zal onderzocht worden of middels saldering van stikstofrechten die op de vertreklocaties en op onderhavige locatie rusten, een sluitende stikstofberekening te krijgen. Indien dit niet mogelijk is zal voor de omgevingsvergunning gebruik worden gemaakt van de depositiebank van Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo, waarin nog ruim voldoende rechten aanwezig zijn om tot een sluitende berekening en dus vergunning te komen.

In de volgende subparagraaf zal ingegaan worden op mogelijke aantasting van flora en fauna.

5.8.1.2 Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.

Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:

  • er soorten aanwezig zijn; en
  • welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

5.8.1.2.1 Onderzoek

Handelstraat 5: De puinbreker verdwijnt en het perceel kan binnen de resterende bedrijfsbestemming gebruikt worden voor overige bedrijfsactiviteiten. Door het verwijderen van een machine worden flora noch fauna aangetast omdat de machine op een bedrijfsperceel staat waar zich geen beschermde planten- en diersoorten bevinden nu dit geen geschikte habitat is.

Dijkerheideweg: De grondverzetactiviteiten worden beëindigd en het perceel kan binnen de resterende bedrijfsbestemming gebruikt worden voor overige bedrijfsactiviteiten met bijbehorende bedrijfsbebouwing. Gelet op de huidige grondverzetactiviteiten vormt dit deel van het plangebied geen geschikte habitat voor dieren en planten. Als gevolg van de gewijzigde functie worden flora noch fauna aangetast. Het uitvoeren van een ecologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

Hamweg 6: De bedrijfsactiviteiten worden geheel beëindigd en de locatie wordt gesaneerd. Er zal hiervoor in de plaats één woning ter vervanging van de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfswoning worden gerealiseerd, omringd door nieuwe natuur. Als gevolg van het slopen van bebouwing kan het zijn dat beschermde soorten verstoord worden indien hun nestgelegenheid zich in of aan de te slopen bebouwing bevindt.

Op basis van de flora- en faunagegevens uit 'Waarnemingen.nl' is over een heel kalenderjaar (maart 2023 -maart 2024) voor het gebied 'Horst - Ruttenweg' nagegaan welke dier- en plantensoorten in dit gebied (meer specifiek op korte afstand van het plangebied) waargenomen zijn welke bescherming verdienen. Op de volgende afbeelding zijn de waarnemingen ten opzichte van de relevante delen van het plangebied weergegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0051.jpg"

Figuur 40: bron: Waarneming.nl, Stichting Observation International en lokale partners

Hieruit is gebleken dat ter plaatse van het plangebied aan de Hamweg de speerdistel is aangetroffen, maar dat laat onverlet dat er ook nog soorten aanwezig kunnen zijn welke niet vanaf de openbare weg zichtbaar zijn.

Om deze reden is op 2 mei 2024 door Faunaconsult een onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van beschermde soorten. Hierin is het volgende geconcludeerd:

'Huismus 

In de daken van de te slopen bedrijfswoning en werkloods (resp. 1 en 2 in figuur 4.1) broeden mogelijk jaarlijks huismussen. Nesten van de huismus zijn jaarrond beschermd. Voordat de gebouwen worden gesloopt, dient daarom eerst het voorkomen van huismusnesten conform Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2023) te worden onderzocht. Hierbij wordt voor de huismus uitgegaan van 2 ochtendbezoeken in de periode 1 april – 15 mei.

Voor elk nest dat verloren gaat, dienen er meerdere alternatieve nestlocaties voor de huismus in de nieuwe situatie te worden gerealiseerd (BIJ12, 2023). Dat kan door het plaatsen van nestkasten. Huismussen hebben de tijd nodig om aan nieuwe nestplaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beide aanwezig zijn (minimaal 3 maanden voor de start van de werkzaamheden). Om vertraging te voorkomen is het daarom verstandig om vooruitlopend op de onderzoeksresultaten al een 4-tal houtbetonnen huismusnestkasten (type NK SA 01 Nestkast ovaal, vivarapro.nl) aan niet te slopen gebouwen binnen 200 meter van het plangebied op te hangen. Dit dient te gebeuren onder begeleiding van een deskundige.

Algemene in opgaande vegetatie broedende vogels

In de opgaande vegetatie in het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Omgevingswet begaan. Omdat vogels sporadisch ook buiten de periode 15 maart – 15 juli broeden, kan het verwijderen van de vegetatie toch leiden tot overtreding van de Omgevingswet. Indien blijkt dat er broedende vogels aanwezig zijn, dan mogen deze niet worden verstoord. Ook mogen in gebruik zijnde nesten niet worden vernield.

Vleermuizen: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf

De te slopen bedrijfswoning en werkloods (resp. 1 en 2 in figuur 4.1) bevatten mogelijk vleermuisverblijven. Het slopen van deze gebouwen kan daarom leiden tot verstoring of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven. Omdat alle vleermuissoorten streng zijn beschermd, dient het voorkomen van dergelijke verblijven conform het vleermuisprotocol (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2021) te worden onderzocht. Volgens het vleermuisprotocol zijn daartoe 5 onderzoeksronden nodig:

- 3 ronden (2 avonden en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de kraamtijd 15 mei – 15 juli (waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee avonden en tussen één avond en de ochtend);

- 2 ronden (1 avond en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de paartijd (15 augustus – 1 oktober, waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken).

Indien blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn, dient er een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten te worden aangevraagd. Ook dient de functionaliteit van het plangebied te worden gewaarborgd. Dit houdt in dat er op aangepaste wijze wordt gesloopt (zodat er geen vleermuizen worden gedood) en dat er nieuwe vleermuisverblijven gecreëerd moeten worden. Om vertraging te voorkomen, is het verstandig om vooruitlopend op de resultaten van het vleermuizenonderzoek alvast vleermuiskasten tegen nabijgelegen gebouwen op te hangen. Gewone dwergvleermuizen hebben bijvoorbeeld de tijd nodig om aan nieuwe verblijfplaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beide aanwezig zijn (BIJ12, 2024). Het is daarom beter om voor zekerheid te gaan en alvast 4 vleermuiskasten op te hangen van types als VK WS 02 en VK MP 05 (te bestellen bij vivarapro.nl), Beaumaris maxi (te bestellen bij vivara.nl) of VMT1, VMT1a, VMTH1 (te bestellen bij unitura.nl). Dit dient te gebeuren aan niet te slopen panden binnen een straal van 200 meter van het plangebied (BIJ12, 2024), onder begeleiding van een deskundige. Als blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn die door de sloopwerkzaamheden zullen worden vernietigd, wordt vertraging van de werkzaamheden (in verband met de gewenningsperiode) in de meeste gevallen voorkomen.

Vleermuizen: vliegroutes

De bomen aan de randen van het plangebied fungeren mogelijk als vaste vliegroute en/of foerageergebied van vleermuizen. Deze bomen blijven behouden maar om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van deze bomen alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst; van de bomen af omlaag gerichte straatverlichting, met een scherpe bundel, zoals ledlampen. Hierbij kan worden gekozen voor amberkleurige UV-vrije led armaturen (Zoogdiervereniging, 2011) of rood licht (Spoelstra et al, 2017).

Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën

In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Omgevingswet zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde andere beschermde soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten voor is verkregen (deze soorten zijn opgenomen in Bijlage X van de Omgevingsverordening Limburg; Provinciale Staten van Limburg, 2023). Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 11.27 Bal); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.'

Dit ecologisch onderzoek is als Bijlage 7 toegevoegd aan de motivering. Vervolgonderzoek zal plaatsvinden het jaar voorafgaand aan de sloop.

Hamweg ong.: De belangen van flora en fauna zijn erbij gebaat dat dit perceel wordt ingericht als nieuwe natuur en een verbinding wordt gemaakt tussen het beekdal van de Groote Molenbeek en de Reulsberg. Hiertoe is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld dat als Bijlage 6 bij deze motivering is gevoegd. Het perceel biedt foerageer- en broedgelegenheid waardoor (beschermde) soorten hier kunnen neerstrijken en ongestoord leven.

Sintelweg 4: Na sloop van alle opstallen zal hier een nieuw bedrijf gevestigd kunnen worden, omgeven door een groene inpassing.

Als gevolg van het slopen van bebouwing kan het zijn dat beschermde soorten verstoord worden indien hun nestgelegenheid zich in of aan de te slopen bebouwing bevindt. Om deze reden is op 2 mei 2024 door Faunaconsult een onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van beschermde soorten. Hierin is het volgende geconcludeerd:

'Algemene in opgaande vegetatie en akkervegetatie broedende vogels

In de opgaande vegetatie en akkervegetatie in het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Omgevingswet begaan. Omdat vogels sporadisch ook buiten de periode 15 maart – 15 juli broeden, kan het verwijderen van de vegetatie toch leiden tot overtreding van de Omgevingswet. Indien blijkt dat er broedende vogels aanwezig zijn, dan mogen deze niet worden verstoord. Ook mogen in gebruik zijnde nesten niet worden vernield.

Vleermuizen: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf

De te slopen woning en garage bevatten mogelijk vleermuisverblijven. Het slopen van deze gebouwen kan daarom leiden tot verstoring of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven. Omdat alle vleermuissoorten streng zijn beschermd, dient het voorkomen van dergelijke verblijven conform het vleermuisprotocol (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2021) te worden onderzocht. Volgens het vleermuisprotocol zijn daartoe 5 onderzoeksronden nodig:

- 3 ronden (2 avonden en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de kraamtijd 15 mei – 15 juli (waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee avonden en tussen één avond en de ochtend);

- 2 ronden (1 avond en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de paartijd (15 augustus – 1 oktober, waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken).

Indien blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn, dient er een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten te worden aangevraagd. Ook dient de functionaliteit van het plangebied te worden gewaarborgd. Dit houdt in dat er op aangepaste wijze wordt gesloopt (zodat er geen vleermuizen worden gedood) en dat er nieuwe vleermuisverblijven gecreëerd moeten worden. Om vertraging te voorkomen, is het verstandig om vooruitlopend op de resultaten van het vleermuizenonderzoek alvast vleermuiskasten tegen nabijgelegen gebouwen op te hangen. Gewone dwergvleermuizen hebben bijvoorbeeld de tijd nodig om aan nieuwe verblijfplaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beide aanwezig zijn (BIJ12, 2024). Het is daarom beter om voor zekerheid te gaan en alvast 4 vleermuiskasten op te hangen van types als VK WS 02 en VK MP 05 (te bestellen bij vivarapro.nl), Beaumaris maxi (te bestellen bij vivara.nl) of VMT1, VMT1a, VMTH1 (te bestellen bij unitura.nl). Dit dient te gebeuren aan niet te slopen panden binnen een straal van 200 meter van het plangebied (BIJ12, 2024), onder begeleiding van een deskundige. Als blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn die door de sloopwerkzaamheden zullen worden vernietigd, wordt vertraging van de werkzaamheden (in verband met de gewenningsperiode) in de meeste gevallen voorkomen.

Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën

In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Omgevingswet zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde andere beschermde soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten voor is verkregen (deze soorten zijn opgenomen in Bijlage X van de Omgevingsverordening Limburg; Provinciale Staten van Limburg, 2023). Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 11.27 Bal); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.'

Dit ecologisch onderzoek is als Bijlage 8 toegevoegd aan de motivering. Vervolgonderzoek zal plaatsvinden het jaar voorafgaand aan de sloop.

Horsterweg ongenummerd: Op deze locatie worden alle bedrijfsactiviteiten van Driessen samengevoegd tot één nieuwe bedrijfslocatie. Dit deel van het plangebied is nog geheel onbebouwd en is in gebruik als akkerbouwgrond. Als gevolg van het met regelmaat maaien, ploegen en oogsten is de kans zeer gering dat de akkers een veilige habitat vormen voor beschermde soorten, hoewel het wel aannemelijk is dat beschermde soorten de akkers gebruiken om te foerageren.

Op basis van de flora- en faunagegevens uit 'Waarnemingen.nl' is over een heel kalenderjaar (maart 2023 -maart 2024) voor het gebied 'Horst - Californië e.o.' nagegaan welke dier- en plantensoorten in dit gebied (meer specifiek op korte afstand van de Sintelweg 4 en de Horsterweg ong.) waargenomen zijn welke bescherming verdienen. Op de volgende afbeelding zijn de waarnemingen ten opzichte van de relevante delen van het plangebied weergegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0052.jpg"

Figuur 41: bron: Waarneming.nl, Stichting Observation International en lokale partners

In november 2024 is ecologisch veldwerk uitgevoerd door M&A. In de rapportage van het veldwerk is het volgende geconcludeerd:

'Het veldonderzoek, uitgevoerd in de dagperiode op 22 november 2024, is buiten het broedvogelseizoen uitgevoerd. Daarom is er speciale aandacht besteed aan andere kenmerken van broedende vogelsoorten. Onder andere uitwerpselen van broedvogelsoorten, achtergebleven nestmaterialen en vraatsporen zijn kenmerken waarop speciaal is gelet.

Het veldonderzoek kan daarom als vrij uitvoerig worden beschouwd.

Bij de inventarisaties is ook aandacht besteed aan verblijfplaatsen van vleermuizen en nestkasten en -mogelijkheden in het gebied. Bij de inventarisatie van de vleermuizen is extra aandacht besteed aan mestsporen, keutels en vraatsporen.

De afstanden tot de ecologische verbindingszones en Natura 2000 gebieden zijn voldoende groot om te kunnen stellen dat de ontwikkelingen in het plangebied geen negatieve invloed zullen hebben op de beschermde natuurgebieden.

De verstoringsfactoren op Natura 2000 gebieden zijn toegelicht in paragraaf 2.6.1 van de raportage. Deze gelden eveneens voor de natuurwaarden binnen het plangebied. Door nieuwbouw van een bedrijf op de locatie, wordt het karakter van het gebied enigszins beïnvloed. Door extra aanleg van groen bij het bedrijf wordt dit effect positief beïnvloed. Wellicht dat in het beleid van de gemeente het ‘natuurinclusief bouwen’ is verankerd en er eisen worden gesteld aan mogelijkheden voor fauna in de bebouwing. Er verdwijnen echter geen verblijfs- of broedmogelijkheden, gezien de resultaten van de veldonderzoek.

Over de kap van bomen op het perceel, wordt geadviseerd om dit uit te voeren buiten het vogelbroedseizoen.

Bij de werkzaamheden dient niettemin aandacht te worden besteed aan eventuele verstoring van natuurwaarden in het algemeen. Door extra zorg hieraan de besteden tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden, wordt vermeden dat de dieren hiervan teveel hinder zullen ondervinden.

De zorgmaatregelen bestaan in elk geval uit de volgende aspecten:

1. Voor algemeen voorkomende broedvogels (waarvan het nest gedurende broedperiode beschermd is) dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden:

• Voer eventuele snoeiwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit.

Het broedseizoen loopt ongeveer van 15 maart tot 15 juli, maar kan afhankelijk van het weer en andere factoren verschuiven.

• Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, dienen geschikte broedlocaties voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt te worden gemaakt en gehouden te worden totdat de werkzaamheden zijn afgerond.

• Indien werkzaamheden starten binnen het broedseizoen, dienen de aanbevelingen in deze rapportage in acht te worden genomen.

2. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van algemene soorten als konijn, egel en diverse muizensoorten worden vergraven. De volgende maatregelen zijn nodig om rekening te houden met deze soorten:

• Indien verstoring plaatsvindt, dient een passende vluchtroute beschikbaar te zijn. Dit geldt in het bijzonder voor grondgebonden zoogdieren (zoals muizen en egels), maar ook voor vogels, om verkeersslachtoffers te voorkomen. Werk vanaf één zijde en bij voorkeur van een drukke naar een rustige locatie toe, zoals een open veld of ruigte. Werk ook op een aangepast tempo, zodat dieren kunnen vluchten.

• Kunstmatige verlichting werkt verstorend op zoogdieren en andere fauna. Werk daarom niet tussen zonsondergang en zonsopkomst.

• Voorkom of beperk daarnaast de toepassing van kunstlicht en de verstrooiing van licht buiten de projectlocatie. Voorkom ook het direct schijnen op wateroppervlakken en groenelementen, zoals bosschages en ruigtes (met name voor vleermuizen).

3. Gelet op de algemene zorgplicht dienen voorafgaand aan de werkzaamheden alle maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Dit geldt altijd en voor alle planten- en diersoorten.

• Ook voor mogelijke aanwezigheid van egel en vestiging van de rugstreeppad dient de zorgplicht in acht te worden genomen. Voorkom opslag van materialen waaronder dieren kunnen gaan verblijven. Het ontstaan van poeltjes en plassen op het terrein dient gedurende het zomerhalfjaar (vanaf april) te worden voorkomen. Als deze soorten worden waargenomen, dienen zij zichzelf in veiligheid te kunnen brengen.

4. Indien een soort die niet in de quickscan wordt genoemd in het terrein wordt geconstateerd bij aanvang van de werkzaamheden, dient hier passend op te worden gereageerd. Het is hierbij nodig om contact op te nemen met een ter zake kundige en een maatregel toe te passen, zodat de wet niet wordt overtreden.

Op grond van deze inventarisatie gelden er geen belemmeringen voor de plannen op grond van de natuurwaarden.'

Indien voldaan wordt aan voornoemde zorgmaatregelen, de specifieke zorgplicht welke in artikel 11.27 van het Bal is opgenomen en indien de graaf- en bouwwerkzaamheden buiten de periode van maart tot augustus worden opgestart, is de kans op verstoring van broedende vogels het kleinst. Ook buiten deze periode mogen broedende vogels niet worden verstoord en moet gewacht worden tot het broeden voorbij is en de jongen zijn uitgevlogen.

5.8.2 Conclusie

Vanuit het aspect natuur is er geen sprake van een belemmering; het project vormt in beginsel geen belemmering voor dier- of plantensoorten.

5.9 Water en watersystemen

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water en watersystemen.

5.9.1 (Wettelijk) kader

Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap en de gemeente.

Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Horst aan de Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Concreet betekent dit dat er sprake moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt.

Vanuit het waterschap Limburg gelden daarbij de volgende uitgangspunten:

1. Circa 10% van het plangebied reserveren voor water.

Doorgaans zijn lager gelegen gebiedsdelen het meest geschikt. Nagaan of plangebied nodig is voor wateropgave van omliggende gebieden; zorgen dat geen logische waterstructuren worden geblokkeerd.

2. Rekening houden met hoogteverschillen in plangebied en omgeving.

Voorkomen van wateroverlast en erosie door afstromend water vanuit de omgeving naar het plangebied en andersom.

3. Uitvoeren van bodem- en infiltratieonderzoek en bepalen grondwaterstand.

Input voor ontwerpen van het hemelwatersysteem. Denk ook aan bodemverontreinigingen.

4. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwaliteit.

Schoonhouden, scheiden, zuiveren.

5. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwantiteit.

Hergebruik water, vasthouden in de bodem (infiltratie), tijdelijk bergen, afvoeren naar oppervlaktewater, afvoeren naar gemengd of DWA-riool.

6. Toepassen voorkeurstabel afkoppelen.

Verantwoorde systeemkeuze conform voorkeurstabel; maatwerk per situatie. Bij voorkeur toepassen van bovengrondse waterhuishoudkundige voorzieningen. Bij diepte-infiltratie gelden zeer strenge randvoorwaarden; liever geen diepte-infiltratie toepassen.

7. Voldoende opvangcapaciteit en een duurzame leegloop realiseren.

Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op 100 mm per etmaal voor Noord Limburg (ten noorden van Sittard) en 80 mm per twee uur ten zuiden van Sittard met een beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur.

8. Beheer en onderhoud regelen.

Denk aan bereikbaarheid, controlemogelijkheid, verantwoordelijkheid.

5.9.2 Onderzoek

Hemelwater

Binnen het plangebied moet een duurzaam waterhuishoudkundig systeem aanwezig zijn om de hoeveelheid regenwater te verwerken dat gelet op het ter plaatse aan de orde zijnd afvoerend verhard oppervlak binnen het plangebied valt.

Per locatie zal worden ingegaan op de verwerking van het hemelwater.

Handelstraat 5: De puinbreker verdwijnt en het perceel kan binnen de resterende bedrijfsbestemming gebruikt worden voor overige bedrijfsactiviteiten. Het afvoerend verhard oppervlak zal hierdoor niet toenemen, zodat er niet voorzien hoeft te worden in extra infiltratievoorzieningen.

Dijkerheideweg: De grondverzetactiviteiten worden beëindigd en het perceel kan binnen de nieuwe bedrijfsbestemming gebruikt worden voor overige bedrijfsactiviteiten in de milieucategorie 1 en 2. Doordat er niet gebouwd mag worden is er geen sprake van een verhard oppervlak waarvoor een hemelwaterinfiltratievoorziening behoeft te worden gerealiseerd. Mocht er ten behoeve van de nieuwe bedrijfsactiviteiten erfverharding worden aangebracht, dan wordt wel geadviseerd om zodanige erfverharding te gebruiken dat hemelwater direct kan infiltreren, danwel een voldoende gedimensioneerde hemelwaterinfiltratievoorziening aan te leggen.

Hamweg 6: De bedrijfsactiviteiten worden geheel beëindigd en de locatie wordt gesaneerd. Er zal hiervoor in de plaats één woning ter vervanging van de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfswoning worden gerealiseerd, omringd door nieuwe natuur.

Gelet op het ter plaatse aan de orde zijnd nieuw afvoerend verhard oppervlak van circa 300 m² (nieuwe woning met bijgebouw en niet doorlatende erfverharding), zal voorzien moeten worden in een duurzaam waterhuishoudkundig systeem om de hoeveelheid regenwater te verwerken die hierop neerslaat.

De K-waarde (geeft de mate van infiltratiegeschiktheid aan ) van dit deel van het plangebied bedraagt volgens de kaart inzake de bodemdoorlatendheid (K-waarde) van de gemeente Horst aan de Maas van het waterschap voor het grootste deel 0,45 - 0,75 m/dag en voor de langs de Hamweg gelegen strook 0,75 - 1,5 m/dag. De onderhavige gronden zijn derhalve (redelijk) geschikt voor hemelwaterinfiltratie. Bij de bepaling van de capaciteit/kwantiteit van de gekozen infiltratievoorziening wordt uitgegaan van een neerslaggebeurtenis waarbij 100 mm neerslag valt in 24 uur. De te realiseren waterbergingsruimte kan dan berekend worden door de toename van het afvoerend verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met 0,1 m.

Benodigde buffercapaciteit bedraagt in casu 300 m2 x 0,1 m = 30 m3.

Binnen het plangebied aan de Hamweg 6 zal achter de nieuw te realiseren woning een infiltratievoorziening worden gerealiseerd van circa 30 m3 welke zal worden geïntegreerd in de landschappelijke inpassing, zoals op de volgende afbeelding is te zien:

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0053.png"

Figuur 42: hemelwaterinfiltratie Hamweg 6

Hamweg ong.: De agrarische bestemming wordt ingevuld voor de nieuwe functie 'natuur'. Hierbij is er geen sprake van toename van het afvoerend verhard oppervlak; het neerslaand hemelwater kan op het gehele perceel infiltreren.

Sintelweg 4: Na sloop van alle opstallen zal hier een nieuw bedrijf gevestigd kunnen worden, omgeven door een groene inpassing. Gelet op het ter plaatse aan de orde zijnd nieuw afvoerend verhard oppervlak (nieuwe bedrijfsbebouwing en niet doorlatende erfverharding), zal voorzien moeten worden in een duurzaam waterhuishoudkundig systeem om de hoeveelheid regenwater te verwerken die hierop neerslaat.

De K-waarde (geeft de mate van infiltratiegeschiktheid aan ) van dit deel van het plangebied bedraagt volgens de kaart inzake de bodemdoorlatendheid (K-waarde) van de gemeente Horst aan de Maas van het waterschap 0,45 - 0,75 m/dag. De onderhavige gronden zijn derhalve redelijk geschikt voor hemelwaterinfiltratie. Bij de bepaling van de capaciteit/kwantiteit van de gekozen infiltratievoorziening wordt uitgegaan van een neerslaggebeurtenis waarbij 100 mm neerslag valt in 24 uur. De te realiseren waterbergingsruimte kan dan berekend worden door de toename van het afvoerend verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met 0,1 m.

Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het nieuwe bedrijf dient de voorwaarde te worden gekoppeld dat er voorzien moet worden in hemelwaterinfiltratievoorziening van voldoende omvang op eigen perceel.

Horsterweg ongenummerd: Op deze locatie worden alle bedrijfsactiviteiten van Driessen samengevoegd tot één nieuwe bedrijfslocatie. Dit deel van het plangebied is nog onbebouwd en is in gebruik als akkerbouwgrond.

Gelet op het ter plaatse aan de orde zijnd nieuw afvoerend verhard oppervlak (nieuwe bedrijfsbebouwing en niet doorlatende erfverharding), zal voorzien moeten worden in een duurzaam waterhuishoudkundig systeem om de hoeveelheid regenwater te verwerken die hierop neerslaat.

De K-waarde (geeft de mate van infiltratiegeschiktheid aan ) van dit deel van het plangebied bedraagt volgens de kaart inzake de bodemdoorlatendheid (K-waarde) van de gemeente Horst aan de Maas van het waterschap 0,45 - 0,75 m/dag. De onderhavige gronden zijn derhalve redelijk geschikt voor hemelwaterinfiltratie.

In de waterparagraaf bij het vigerende bestemmingsplan Klaver 11 is aangegeven dat het watersysteem van Klaver 11 erop gericht is zoveel mogelijk water in de bodem te infiltreren en de waterkringlopen te sluiten. Dit betekent dat afstromend hemelwater wordt opgevangen en via centrale infiltratievijvers wordt geïnfiltreerd.

De inzameling van hemelwater bij de bedrijfspercelen binnen Klaver 11 gaat uit van drie principes:

  • Water van daken wordt afgevoerd naar de infiltratiezones in het openbaar gebied. Hiertoe worden geen bergende voorzieningen vereist op particulier terrein. Behoudens wanneer dit regenwater deels dient te worden gebufferd voor hergebruik.
  • Hemelwater op bedrijfsverharding (bv. parkeerplaatsen) wordt op eigen terrein ingezameld. Infiltratie in openbaar gebied vindt enkel plaats als het water een kwaliteit heeft vergelijkbaar met hemelwaterkwaliteit. Naast het toepassen van een beperkte berging op particulier terrein (6 mm) kan het inhouden dat een voorzuivering op particulier terrein vereist is voordat afstroming plaatsvindt.
  • Hemelwater op sterk vervuilde oppervlaktes, bijvoorbeeld laadkuilen van vrachtwagens, zal in overleg met de gemeente en Development Company Greenport Venlo (DCGV (voorganger van Ontwikkelbedrijf)) worden aangesloten op de vuilwatervoorziening, zodat het water naar een zuiverende voorziening wordt afgevoerd. Hiervoor is vereist dat er voldoende berging op eigen terrein aanwezig is en het vuil water met een beperkt debiet aan het riool wordt aangeboden (1 l/s/ha). Het is ook mogelijk om dit water met voorzuivering op eigen terrein te infiltreren.

Het infiltratiegebied voor hemelwater ligt tussen dit deel van het plangebied en de A73 in.

Dit deel van het plangebied (gebied M3 op onderstaande afbeelding) beslaat een oppervlakte van 70.010 m2 en zal voor een zeer groot deel voorzien worden van erfverharding en bebouwing. Het nieuw verhard afvoerend oppervlak bedraagt circa 63.525 m2. Het hierop neerslaand hemelwater kan geheel worden afgevoerd naar het infiltratiegebied tussen het bedrijf en de A73 in. Dit mag alleen in het openbaar gebied worden geïnfiltreerd, als het na eventuele zuivering, de kwaliteit van hemelwater heeft.

Op 31 mei 2024 is door Arcadis een memo opgesteld over de wateropgave voor het gehele gebied van Klaver 11. In deze memo, welke is bijgevoegd als Bijlage 20, wordt geconcludeerd dat als wordt aangenomen dat alle verharding in het middengedeelte van Klaver 11 in de toekomstige situatie afstroomt naar berging B2 en berging B2 volledig beschikbaar is, er in de toekomstige situatie een overschot van 2765 m3 aan bergingscapaciteit in berging B2 is.

Daarmee hoeft er geen extra berging gerealiseerd te worden in middengebied. Op onderstaande afbeelding is de situering van de bedrijfskavels (M1-4, N1-4 en Z1) en de hemelwaterbergings- gebieden (B1-3) te zien:

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0054.png"

Figuur 43: Gebied Klaver 11 met uit te geven gebieden en bergingen

Huishoudelijk- en bedrijfsafvalwater

In Bijlage 21 is het afwateringsplan opgesteld door Kragten op 17 februari 2025 opgenomen waarin is aangegeven hoe omgegaan wordt met de volgende afvalwaterstromen:

1. Droogweerafvoer en bedrijfsafvalwater

2. Dakwaterafvoer

3. Terreinwater van semi-verharding (opslag granulaat en puin)

4. Niet-verontreinigd terreinwater

5. Terreinwater met verontreinigingen die een behandeling ondergaan middels afscheiders, evt. buffering en gedoseerde afvoer.

Bouwmaterialen

De gemeente Horst aan de Maas streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen. Er zal derhalve, voorzover relevant, geen gebruik worden gemaakt van uitlogende bouwmaterialen.

5.9.3 Conclusie

Vanuit het aspect water en watersystemen is er geen sprake van een belemmering.

5.10 Cultureel erfgoed en archeologie

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezig cultureel erfgoed en werelderfgoed.

5.10.1 Wettelijk kader

Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren

Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden 'landschappen' als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd.

5.10.2 Onderzoek

De raad van Horst aan de Maas heeft op 26 mei 2015 de 'Archeologische Maatregelenkaart Horst aan de Maas' vastgesteld. Het gemeentelijk grondgebied wordt hier opgedeeld in verschillende categorieën. Per categorie maakt het gemeentelijk archeologie beleid inzichtelijk of, en zo ja waar en wanneer archeologisch (voor)onderzoek nodig is bij ruimtelijke planvorming en bodemingrepen, en welke onderzoekseisen en ontheffingen daarbij gelden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0055.jpg"

Afbeelding 44: Archeologische Maatregelenkaart

Deze maatregelenkaart is verwerkt in de bestemmingsplannen 'Buitengebied Horst aan de Maas' en 'Hamweg 6, Horst'.

Onderstaand zal worden beoordeeld of de ontwikkeling per locatie effect heeft of zou kunnen hebben op de ter plaatse aanwezige archeologische waarden.

Handelstraat 5: Het wegbestemmen van de puinbreker heeft geen effect op de eventueel aanwezige archeologische waarden. De vigerende bedrijfsbestemming voor overige toegestane bedrijfsactiviteiten en bijbehorende bouwmogelijkheden wordt niet verruimd.

Eventueel archeologische waarden op deze locatie zullen derhalve niet worden aangetast.

Dijkerheideweg: Binnen de nieuwe bedrijfsbestemming is geen bebouwing mogelijk.

Eventueel archeologische waarden op deze locatie zullen derhalve niet worden aangetast.

Hamweg 6: De bedrijfsactiviteiten worden geheel beëindigd en de locatie wordt gesaneerd. Er zal hiervoor in de plaats één woning ter vervanging van de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfswoning worden gerealiseerd, omringd door nieuwe natuur.

De realisatie van de nieuwe woning zou tot gevolg kunnen hebben dat archeologische waarden worden aangetast.

Het vigerende bestemmingsplan 'Hamweg 6, Horst' bepaalt dat ingeval van bouwen van gebouwen en/of bouwwerken, waarbij de bebouwing minder diep reikt dan 50 centimeter (en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst) én de oppervlakte niet meer dan 500 m² bedraagt, een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Omdat de nieuwe woning met bijgebouw geen groter verstoringsoppervlak zal kunnen beslaan dan 500 m2 , is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.

De dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3 zal wel op het perceel gehandhaafd blijven.

Hamweg ong.: Binnen de agrarische bestemming was geen bebouwing toegestaan en dit zal binnen de nieuwe natuurbestemming evenmin het geval zijn.

Eventueel archeologische worden op deze locatie zullen derhalve niet worden aangetast, nu de aan te leggen wadi zeer ondiep zal zijn en slechts dient als vernat gedeelte van de nieuwe natuur waarbij het zeker niet zo is dat een groter oppervlak dan 500 m2 dieper dan 50 cm zal worden verstoord.

Sintelweg 4: Na sloop van alle opstallen zal hier een nieuw bedrijf gevestigd kunnen worden, omgeven door een groene inpassing.

Op voorgaande uitsnede uit de maatregelenkaart is te zien dat dit del van het plangebied is aangeduid als categorie 3 (hoge archeologische waarde) en 5 (lage archeologische waarde).

Binnen categorie 3 is ingeval van bouwen van gebouwen en/of bouwwerken, waarbij de bebouwing minder diep reikt dan 50 centimeter (en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst) én de oppervlakte niet meer dan 500 m² bedraagt, een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is.

De nieuwe bedrijfsbestemming ziet op een bouwvlak dat meer bebouwing dan 500 m2 mogelijk maakt.

Bij het opstellen van het bestemmingsplan Klaver 11 is al een archeologisch onderzoek uitgevoerd. In de motivering van voornoemd bestemmingsplan is het volgende opgenomen:

'De (op basis van het bureauonderzoek opgestelde) gespecificeerde archeologische verwachting (Vanderhoeven 2012) gaat uit van een hoge verwachting voor het noordwestelijke deel, en een middelhoge verwachting voor het zuidoostelijke deel van het plangebied op het aantreffen van resten uit met name Paleolithicum en Mesolithicum, maar mogelijk ook uit het Neolithicum en de Bronstijd. Jongere resten, uit de Ijzertijd tot Nieuwe tijd, worden niet verwacht. Van de paleolithische resten mogen vooral die uit het Laat Paleolithicum verwacht worden.

Tijdens het verkennend booronderzoek is vastgesteld dat er weliswaar plaatselijk een deels intacte bodem voorkomt, maar dat er geen zones met een deels intacte bodem te definiëren zijn. Daarnaast was de archeologische verwachting hoog en middelhoog voor resten uit het Laat Paleolithicum en Mesolithicum, maar is deze op basis van de resultaten van het booronderzoek bijgesteld naar zeer laag vanwege het ontbreken van voor dergelijke archeologische resten belangrijke intacte resten van het toenmalige loopoppervlak. Voor eventuele jongere archeologische resten is de verwachting ook zeer laag door het beperkte aantal plaatsen waar sprake is van een deels intacte bodemopbouw en doordat er geen zones met een deels intacte bodem zijn.

Gezien de zeer lage verwachting voor alle archeologische perioden is het niet noodzakelijk vervolgonderzoek uit te voeren. De gemeente Horst aan de Maas heeft hiermee ingestemd.'

Uit de afbeelding 3 uit het gespecificeerde archeologische onderzoek blijkt dat de Sintelweg 4 grotendeels buiten het onderzoek is gelaten, zodat niet het gehele plandeel Sintelweg 4 tot het vrijgegeven gebied behoort.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0056.jpg"

Figuur 45: uitsnede kaart behorende bij archeologisch onderzoek Klaver 11

Als gevolg hiervan is voor deze locatie alsnog op 13 mei 2024 door Econsultancy BV een archeologisch onderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek is het volgende geconcludeerd:

'Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek

Vanwege de aanwezigheid van water (vennen) nabij het plangebied is er een middelhoge verwachting opgesteld op het aantreffen van archeologische resten uit de perioden (Laat-)Paleolithicum en Mesolithicum. Voor de perioden Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd geldt een lage verwachting omdat het gebied te nat zal zijn geweest voor landbouw en bewoning.

Resultaten inventariserend veldonderzoek

Het booronderzoek toonde aan dat in het plangebied een AC profiel aanwezig is, waarbij de top van de C-horizont is geroerd en er sprake is van een scherpe overgang. De oorspronkelijke top van de C-horizont is dan ook niet meer aanwezig, tevens is de C-horizont erg nat. Er is dus geen sprake meer van een natuurlijk bodemprofiel en de verwachtte podzolbodem is niet aangetroffen.

Conclusie

Op basis van de afwezigheid van een natuurlijk bodemprofiel, de verstoorde top van de C-horizont en de nattigheid van de C-horizont, kan de gespecificeerde archeologische verwachting voor alle archeologische periodes worden bijgesteld naar laag.

Advies

Op grond van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden en de verstoorde bodemopbouw adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden.

Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Horst aan de Maas), die vervolgens het advies over neemt of niet.

Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Horst aan de Maas wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen, moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente Horst aan de Maas op de hoogte te stellen.'

Het archeologisch onderzoek is integraal toegevoegd als Bijlage 5; vervolgonderzoek is niet noodzakelijk.

Horsterweg ongenummerd: 

Op deze locatie worden alle bedrijfsactiviteiten van Driessen samengevoegd tot één nieuwe bedrijfslocatie. De bedrijfsactiviteiten richten zich primair op grondwerken en recycling.

Uit het voorgaande kan geconcludeerd worden dat naar aanleiding van het archeologisch onderzoek dat is uitgevoerd ten tijde van het opstellen van het bestemmingsplan Klaver 11, het plandeel aan de Horsterweg geheel is vrijgegeven, zodat hier geen archeologisch onderzoek meer hoeft plaats te vinden.

In het plangebied liggen geen beschermde aardkundige waarden of GEA-objecten. GEA-objecten zijn geologische, geomorfologische of bodemkundige objecten die door hun zeldzaamheid, gaafheid en onvervangbaarheid een educatieve en aardwettenschappelijke waarden hebben.

Binnen de delen van het plangebied komen geen objecten met een monumentale status voor. Het plangebied kent een niet beschermde cultuurhistorische waarde in de vorm van de Horsterweg en de Hamweg. Deze wegen hebben al een lange bestaansgeschiedenis (van voor de ontginning van het gebied) en zijn daarmee cultuurhistorisch waardevol. De laanstructuur die reeds aanwezig is, zal behouden blijven.

5.10.3 Conclusie

Vanuit het aspect cultureel erfgoed, en archeologie is er geen sprake van een belemmering.

5.11 Ontplofbare oorlogsresten

5.11.1 Algemeen

Ingeval een planologische maatregel nieuwe bebouwing en/of gebruiksmogelijkheden tot gevolg heeft, dient rekening te worden gehouden met het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten (OO) uit de Tweede Wereldoorlog. Indien er OO aanwezig zijn in de bodem van het te onderzoeken gebied, dan bestaat de mogelijkheid op een ongecontroleerde explosie van een of meerdere OO. Op basis van de Arbo-wetgeving en de Openbare Orde en Veiligheid dienen alle risico's voorafgaand aan de voorgenomen werkzaamheden in kaart te worden gebracht waarbij de risico's zoveel mogelijk moeten worden ingeperkt.

5.11.2 Onderzoek

Aan de hand van een vooronderzoek OO is bepaald of er sprake is van een risico op het aantreffen van OO alsmede waar er een risico is op het aantreffen hiervan. Dit onderzoek heeft voor de hiervoor relevante deelgebieden aan de Hamweg 6, Sintelweg 4 en Horsterweg ong. op 26 juni 2015 plaatsgevonden door Bombs Away B.V. voor het onderzoeksgebied 'NW-oksel A73 en A67' (kenmerk 15P005).

Op basis van de geraadpleegde bronnen, de beoordeling en evaluatie van de indicaties is vastgesteld dat binnen de grenzen van het onderzoeksgebied NW-oksel A73 en A67 en de nabije omgeving hiervan oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden tijdens de Tweede Wereldoorlog, waardoor er OO in de bodem achtergebleven zijn. Op basis van de resultaten van dit vooronderzoek en de conclusies is geadviseerd om vervolgstappen te ondernemen in de explosievenopsporing voorafgaand aan de voorgenomen (grond)werkzaamheden binnen de op OO verdachte gebieden het onderzoeksgebied NW-oksel A73 en A67.

Op 6 mei 2022 is door Bombs Away B.V. een update gemaakt van de Bodembelastingkaart Explosieven uit 2015 van Klavertje 4 Venlo, omdat er sinds 2015 diverse opsporingswerkzaam- heden zijn uitgevoerd. Voor een aantal gebieden binnen Klavertje zijn er Risico Analyses uitgevoerd waarbij de naoorlogs grondroeringen/werkzaamheden in kaart zijn gebracht. Sinds 2020 heeft Bombs Away B.V. meer gegevens uit onder andere The National Archives and Records Administration (NARA II) te Washington D.C. weten te vergaren waaruit aanvullende gegevens zijn gevonden die een ander licht laten schijnen over gebeurtenissen die hebben plaats gevonden binnen het onderzoeksgebied. Deze aanvullende gegevens zijn eveneens verwerkt in de update van de Bodembelastingkaart Klavertje waarvan een uitsnede met de duiding van de te ontwikkelen plandelen is opgenomen:

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0057.jpg"

Figuur 46: uitsnede uit Bodembelastingkaart Klavertje

Drie van de vier te (her)ontwikkelen plandelen vallen in het 'aandachtsgebied geschutsmunitie'. Binnen de aandachtsgebieden kunnen de voorgenomen (grond)werkzaamheden regulier worden uitgevoerd met een OO- protocol. In het geval dat er één stuks OO wordt aangetroffen tijdens de (grond)werkzaamheden, wordt geadviseerd om het OO-protocol in werking te stellen. Welke opsporingsmaatregelen er getroffen dienen te worden is afhankelijk van de soort (hoeveelheid) en verschijningsvorm van de OO alsmede de geplande (grond)werkzaamheden. In onderstaand stroomschema zijn de te nemen stappen schematisch weergegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0058.jpg"

Figuur 47: stroomschema opsporing OO (voorheen CE: conventionele explosieven)

5.11.3 Conclusie

Binnen de aandachtsgebieden kunnen de voorgenomen (grond)werkzaamheden regulier worden uitgevoerd. In het geval dat er één of meer stuks OO wordt aangetroffen tijdens de (grond)werkzaamheden, wordt het OO-protocol in werking gesteld en dient contact opgenomen te worden met de politie, waarna opsporing van OO noodzakelijk is.

 

5.12 Bedrijfsmatige activiteiten

5.12.1 Zonering

Bedrijven kunnen hinder opleveren voor gevoelige functies, zoals woningen. Daarom is het belangrijk voldoende afstand aan te houden. Wat voldoende afstand is, is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid. Meestal is geluid de belangrijkste factor. Soms is juist de geurhinder, stofhinder of veiligheid (door opslag van gevaarlijke stoffen) bepalend voor de afstand tot gevoelige functies.

Gemeenten kunnen deels zelf bepalen wat aanvaardbare afstanden of aanvaardbare geluid- of geurhinderniveaus zijn. Daarbij moeten zij wel rekening houden met de landelijk geldende regels.

Bij het toelaten van bedrijven is het van belang dat er geen onaanvaardbare hinder ontstaat voor de omgeving. Bijvoorbeeld door geluid, externe veiligheid of geur. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft hiervoor de handreiking Milieuzonering opgesteld. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden.

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ worden een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer.

Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

De richtafstanden behorende bij de te onderscheiden omgevingstypen worden in de navolgende tabel inzichtelijk gemaakt:

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0059.jpg"

5.12.2 Onderzoek

Bij het toelaten van een nieuwe functie op een locatie dienen alle milieurelevante aspecten te worden gewogen, waarbij het enerzijds gaat om het effect van de milieubelastende activiteit op de omgeving en anderzijds om het effect van bestaande milieubelastende activiteiten op een nieuwe gevoelige functie.

Voor de locaties Handelstraat 5 en Hamweg ong. zullen er bedrijfsactiviteiten worden wegbestemd, waardoor het evident is dat het effect op de omgeving alleen maar positief is. Voor de overige te ontwikkelen locaties zal per locatie het effect op de omgeving (en vice versa) aan de orde worden gesteld.

Dijkerheideweg: De grondverzetactiviteiten zullen worden beëindigd maar de bedrijfsactiviteiten in de milieucategorie 1 en 2 blijven gehandhaafd. In casu is sprake van een gemengd gebied, gezien de aanwezigheid van onderhavige en overige niet-agrarische bedrijfsbestemming, een aantal agrarische bedrijven en een sportbestemming, afgewisseld met enkele burgerwoningen, op korte afstand van het plangebied. Ook de autosnelweg A73 bevindt zich niet al te ver verwijderd van het plangebied. De richtafstand behorende bij de op basis van het vigerende bestemmingsplan toegestane activiteiten zullen in het gewijzigde omgevingsplan niet anders zijn en bedraagt maximaal 10 m. De bedrijfsfunctie en de omliggende woonfunctie grenzen in de huidige situatie reeds aan elkaar, waardoor de gewijzigde functietoedeling niet leidt tot extra hinder ten opzichte van de woning aan de Venloseweg 104.

Er wordt derhalve geconcludeerd dat onderhavige wijziging geen danwel uitsluitend positieve effecten teweeg brengt voor omliggende woningen van derden.

Hamweg 6: De bedrijfsactiviteiten worden geheel beëindigd en de locatie wordt gesaneerd. Er zal hiervoor in de plaats één woning ter vervanging van de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfswoning worden gerealiseerd, welke een gevoelige functie betreft in relatie tot omliggende bedrijvigheid. In casu is sprake van een gemengd gebied, gezien de aanwezigheid van een aantal agrarische bedrijven, een niet-agrarische bedrijfsbestemming en een sportbestemming, afgewisseld met enkele burgerwoningen, op korte afstand van het plangebied. Ook de autosnelweg A73 bevindt zich niet al te ver verwijderd van het plangebied.

Binnen een straal van 200 m rondom het nieuwe woonperceel bevinden zich de volgende bedrijven:

Adres   type bedrijf(sbestemming)   richtafstand (gemengd, dynamisch gebied)   afstand nieuwe woonperceel  
Hamweg 5-Hamweg 14   champignonkwekerij met mestfermentatie   50 m (ingeval van mestfermentatie)   50 m  
Haagweg 1   agrarisch (geen veehouderij)   10 m   150 m  
Haagweg 5-5a   champignonkwekerij   10 m   170 m  
Ruttenweg 3   agrarisch (geen veehouderij)   10 m   110 m  

Het nieuwe woonperceel zal worden gerealiseerd buiten de richtafstanden van de maximaal toegestane milieubelastende activiteiten in de omgeving. Hierdoor dient ervan uit te worden gegaan dat ter plaatse van de nieuw te realiseren woning aan de Hamweg 6 een aanvaardbaar woon- en leefklimaat heerst.

Voor wat betreft de aspecten 'gezondheid' en 'geur' is in paragraaf 5.1 en 5.4 al aangetoond dat hierin geen belemmeringen kunnen worden gevonden.

Sintelweg 4: Na sloop van alle opstallen zullen hier nieuw bedrijven (zonder bedrijfswoning) gevestigd kunnen worden. Het bedrijf zelf is geen gevoelige functie zodat alleen beoordeeld hoeft te worden of er binnen de maximale richtafstand van de nieuwe bedrijven gevoelige functies zijn gelegen die een negatief effect zouden kunnen ondervinden van de vestiging van het nieuwe bedrijf. Deze op het bedrijventerrein Klaver 11 gelegen locatie en de directe omgeving kan worden gekwalificeerd als gemengd gebied. De maximale bedrijfscategorie bedraagt 3.2 waarbij een richtafstand hoort van 50 m in gemengd gebied. Binnen deze afstand bevinden zich de volgende woningen:

adres   soort object   afstand bedrijfswoning resp. bestemming Wonen tot nieuwe bedrijfsperceel  
Horsterweg 57   burgerwoning   30 m  
Sintelweg 1   bedrijfswoning   20 m  

Omdat het naar de weg gekeerde deel van de nieuwe bedrijfsbestemming een categorie 2 aanduiding zal krijgen, geldt hier een richtafstand van 10 m, die ruimschoots wordt gehaald. De categorie 3.2 aanduiding ligt op een afstand van meer dan 50 m vanaf de Horsterweg 57, waarmee in beginsel wordt voorkomen dat er sprake is van onaanvaardbare hinder en het woon- en leefklimaat goed blijft.

Tegenover de bedrijfswoning aan de Sintelweg 1 zal eveneens de aanduiding 'milieucategorie 2' worden opgenomen, voor bedrijven met een richtafstand van 10 m, waarmee ook ten opzichte van de Sintelweg 1 in beginsel wordt voorkomen dat er sprake is van onaanvaardbare hinder en het woon- en leefklimaat goed blijft. De bedrijfscategorie 3.2 bevindt zich op een afstand van ten minste 50 m uit de grens van de bestaande agrarische bedrijfswoning.

Horsterweg ongenummerd: Op deze locatie worden alle bedrijfsactiviteiten van Driessen samengevoegd tot één nieuwe bedrijfslocatie. De bedrijfsactiviteiten richten zich primair op grondwerken en recycling, aanvoer, opslag en overslag van los gestorte bouwstoffen zoals zand, grond, grind en (puin)granulaat en daarmee vergelijkbare stoffen, aanvoer, opslag, be- en verwerking van materialen die vrijkomen bij de bouw en sloop van gebouwen en terreinen zoals puin, asfalt, hout, glas, asbest, groenresten en daarmee vergelijkbare stoffen, het verwerken en opwaarderen van ingenomen bouw- en grondstoffen, maar niet beperkt tot het breken van puin en asfalt en het reinigen en verwerken van bijvoorbeeld plastics en daarmee vergelijkbare activiteiten en de opslag en overslag van aldus geproduceerde nieuwe producten en nieuwe grondstoffen.

Als gevolg van de puinbreekactiviteiten (< 100.000 ton/jaar) behoort het bedrijf tot de milieucategorie 4.2 met een bijbehorende richtafstand van 200 m in verband met het aspect 'geluid' in een gemengd gebied. Op de verbeelding behorende bij dit omgevingsplan zal een aanduiding worden opgenomen ter plaatse van de te realiseren puinbreker die, omwille van het beperken van de effecten naar de omgeving, inpandig zal worden opgesteld en op zo groot mogelijke afstand van omliggende woningen. De richtafstand van 200 m geldt voor het gehele bedrijf, ook waar de afzonderlijke milieubelastende activiteiten onder een lagere milieucategorie zijn te scharen.

Binnen de richtafstand van 200 m vanuit de grens van het plangebied aan de Horsterweg ong. bevinden zich geen woningen of andere gevoelige functies zodat geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van de omliggende woningen sprake blijft van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Dit volgt ook uit het in mei 2025 door HMB uitgevoerde akoestisch onderzoek dat is opgesteld omdat een zogenoemde 'locatiegebonden activiteit' in de nabijheid van geluidgevoelige gebouwen zal worden toegelaten, waarvoor op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving instructieregels gelden. Het doel van dit onderzoek is het toetsen van het optredende geluid aan de waarden uit het Omgevingsplan, en de algemene taak tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De optredende geluidimmissiewaarden als gevolg van de beoogde activiteit zijn bepaald met behulp van een overdrachtsberekening conform de Meet- en rekenmethode geluid industrie (bijlage IVh van de Omgevingsregeling).

  • LAr,LT: uit het onderzoek volgt dat aan alle geldende eisen voldaan kan worden.
  • LAmax: uit het onderzoek volgt dat aan alle geldende eisen voldaan kan worden.

Uit de beoordeling volgt ook dat op drukke dagen ter plaatse van omliggende woningen een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde optreedt. Er vindt geen overschrijding plaats van de maximale ontheffingswaarde, en de berekende waarde is dusdanig dat een aanvaardbaar binnenniveau in de woningen gewaarborgd is. Bovendien geldt dat voor indirecte hinder (overeenkomstig de methodiek voor wegverkeer) uitgegaan moet worden van een weekdaggemiddelde. In dat geval wordt overal ruimschoots aan de voorkeursgrenswaarde voldaan. Uit het onderzoek volgt dat de ontwikkeling vanuit akoestisch oogpunt alleszins inpasbaar is in de lokale omgeving. Er blijft derhalve sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Aanvullende geluidreducerende maatregelen zijn niet noodzakelijk.

Dit akoestisch onderzoek is als Bijlage 18 aan de planstukken toegevoegd.

5.12.3 Conclusie

Er kan derhalve worden gesteld dat qua milieuzonering wordt voldaan aan de methodiek van de handreiking Milieuzonering er dat er geen sprake van een belemmering.

5.13 Toetsing Besluit m.e.r./m.e.r.-beoordeling

5.13.1 Wettelijk kader

Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een Bopa volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit.

5.13.2 Project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig

Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit.

Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de wijziging van het omgevingsplan.

Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan.

5.13.3 Project-mer-beoordeling

Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, bedoeld in artikel 16.43, tweede lid, van de wet, met de bijbehorende motivering op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11, lid 2 Omgevingsbesluit).

Motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit)
In de motivering van de beslissing wordt in ieder geval verwezen naar:

  • de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn;

en

  • als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt:

1°. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en

2°. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd.

5.13.4 Onderzoek

Handelstraat 5: Op deze locatie zal slechts de puinbreker worden wegbestemd waardoor de toegestane bedrijfsactiviteiten afnemen. Dit is geen activiteit waarvoor een mer-beoordelingsplicht geldt.

Dijkerheideweg: Op deze locatie zullen de grondverzetactiviteiten worden wegbestemd waardoor de toegestane bedrijfsactiviteiten afnemen. Het project heeft hierdoor geen aanzienlijke milieueffecten waardoor kan worden afgezien van het opstellen van een aanmeldnotitie.

Hamweg 6: De bedrijfsactiviteiten worden geheel beëindigd en de locatie wordt gesaneerd. Er zal hiervoor in de plaats één woning ter vervanging van de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfswoning worden gerealiseerd. Het betreft weliswaar een stedelijk ontwikkelingsproject, doch de impact hiervan op de leefomgeving is, mede in vergelijking tot de huidige bedrijfsactiviteiten, zeer beperkt en leidt eerder tot positieve effecten dan tot negatieve. Het project heeft geen aanzienlijke milieueffecten. Hierdoor kan worden afgezien van het opstellen van een aanmeldnotitie.

Hamweg ong. Het wijzigen van de agrarische bestemming in de functie 'natuur' is geen activiteit waarvoor een mer-beoordelingsplicht geldt.

Sintelweg 4: Na sloop van alle opstallen zullen hier nieuwe bedrijven gevestigd kunnen worden. Het betreft een stedelijk ontwikkelingsproject dat milieu-effecten kan hebben.

Voorliggende wijziging van het omgevingsplan maakt een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit mogelijk, namelijk de uitbreiding van een bedrijventerrein. Deze ontwikkeling betreft de uitbreiding van een industrieterrein (J10). Op basis van kolom 3 van bijlage V van het Omgevingsbesluit geldt voor deze ontwikkeling een m.e.r.-beoordelingsplicht.

De wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld voor een klein gebied op lokaal niveau. Daarom is in voorliggend geval een plan-m.e.r.-beoordeling aan de orde. Hiervoor is een aanmeldnotitie vormvrije plan-m.e.r.-beoordeling opgesteld. Deze is opgenomen in Bijlage 24. Hieruit blijkt dat gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, er geen aanzienlijke milieueffecten zijn te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.

Horsterweg ongenummerd: Op deze locatie worden alle bedrijfsactiviteiten van Driessen samengevoegd tot één nieuwe bedrijfslocatie. Het betreft een project inzake het verwijderen van afvalstoffen, dat aanzienlijke milieu-effecten kan hebben. Deze ontwikkeling betreft de wijziging van een industrieterrein (J10). Op basis van kolom 3 van bijlage V van het Omgevingsbesluit geldt voor deze ontwikkeling een m.e.r.-beoordelingsplicht.

De wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld voor een klein gebied op lokaal niveau. Daarom is in voorliggend geval een plan-m.e.r.-beoordeling aan de orde. Op 30 juni 204 is voor deze locatie een aanmeldnotitie mer opgesteld. Deze is opgenomen in Bijlage 22. Uit deze aanmeldingsnotitie blijkt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. De relevante milieuaspecten zijn middels separate onderzoeken beoordeeld en hebben geen dusdanige effecten dat dit noodzaakt tot verder onderzoeken van de effecten en alternatieven.

Ook bezien vanuit de archeologische -, historische en/of cultuurhistorische en de natuurwaarden geldt dat er geen (nadelige) effecten optreden. Derhalve kan dan ook worden geconcludeerd dat het initiatief niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu en bestaat er geen aanleiding tot het opstellen van een milieueffectrapport.

Op 22 mei 2025 hebben gedeputeerde staten van Limburg besloten dat er voor dit project geen milieueffectrapport behoeft te worden opgesteld (Bijlage 23).

5.13.5 Conclusie

Uit de mer-beoordeling is gebleken dat de gevolgen van het uitvoeren van de aan de orde zijnde activiteiten op de fysieke leefomgeving geen aanleiding geven tot het opstellen van een mer-rapportage en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies.

Hoofdstuk 6 BEPERKINGENGEBIEDEN

6.1 Beperkingengebieden

Een beperkingengebied wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, ter plaatse van de weg of het waterstaatswerk als ook in de daaraan grenzende (beschermings-) zones.

De Handelstraat 5, Dijkerheideweg, Hamweg 6 en Hamweg ong. zijn niet gelegen binnen een beperkingengebied.

De plandelen aan de Sintelweg 4 en de Horsterweg ongenummerd zijn wel deels gelegen in een beperkingengebied, te weten binnen de 'vrijwaringszone - weg', welke delen op onderstaande afbeelding blauw omkaderd zijn:

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01_0060.jpg" Figuur 48: plandelen binnen 'vrijwaringszone- weg' blauw omkaderd

Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - weg' zijn de gronden mede bestemd voor mogelijke toekomstige reconstructies en/of uitbreidingen van de A73, alsmede voor het creëren van een optimale infrastructurele omgeving. Binnen deze zone mag daarom niet worden gebouwd.

Van dit verbod kan worden afgeweken indien het bouwwerken in de zone tussen de 50 en 100 meter gemeten uit de as van de dichtstbij gelegen rijbaan, en welke zijn toegelaten krachtens de onderliggende bestemming, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van het wegverkeer,en nadat de wegbeheerder (RWS) is gehoord.

De op bovenstaande figuur blauw omkaderde delen liggen geheel binnen de zone van 50-100 m uit de as van de buitenste rijbaan van de A73.

Op 12 maart 2024 heeft RWS laten weten dat de voorgenomen ontwikkeling binnen de vrijwaringszone van de weg geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen, zodat de geplande nieuwe bebouwing binnen de vrijwaringszone mag worden gepositioneerd.

Tevens loopt het tracé van de hoogspanningsleiding over een deel van het plangebied aan de Horsterweg ong. Met de terreininrichting is rekening gehouden van deze hoogspannings- leidingen. Onder het leidingtracé is het waterbassin gepland, evenals een deel van de interne ontsluitingsstructuur. Er zal in het geheel geen bebouwing (gebouwen, noch bouwwerken geen gebouwen zijnde) onder de hoogspanningsleidingen worden gerealiseerd. De beheerder van de hoogspanningsleiding heeft te kennen gegeven akkoord te kunnen gaan met de voorgenomen terreinindeling.

Hoofdstuk 7 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

7.1 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Op grond van artikel 4.2 Omgevingswet moet het omgevingsplan voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Verder gelden de beleidskaders en instructieregels. In hoofdstuk 4 Beleid, hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten en hoofdstuk 6 beperkingengebied is aangegeven dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In deze paragraaf worden de conclusies uit de genoemde hoofdstukken beschreven. In paragraaf 7.2 wordt beschreven op welke wijze het TAM-omgevingsplan is opgesteld.

7.1.1 Conclusie beleid

De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op 6 deellocaties waarvan 3 deellocaties zien op het wegbestemmen van bedrijfsmatige activiteiten danwel een geheel neutrale omzetting naar een andere functie. De andere 3 deellocaties zien op de volgende ontwikkelingen:

Hamweg 6: De bedrijfsactiviteiten worden geheel beëindigd en de locatie wordt gesaneerd. Er zal hiervoor in de plaats één woning ter vervanging van de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfswoning worden gerealiseerd.

Sintelweg 4: Na sloop van alle opstallen (waaronder een burgerwoning) zal hier een nieuw bedrijf gevestigd kunnen worden.

Horsterweg ongenummerd: Op deze locatie zal de bestemming Bedrijventerrein Agribusiness - 2 verruimd worden ten behoeve van de niet-agrarisch gerelateerde bedrijfsactiviteiten. Alle bedrijfsactiviteiten van Driessen Grondwerken BV zullen worden samengevoegd op deze nieuwe locatie.

Deze herontwikkelingen hebben betrekking op buitenstedelijke locaties. Door de herontwikkeling zullen buitengebiedsvreemde functies gecentraliseerd worden op een bedrijventerrein, wordt de vertreklocatie passend herbestemd en zal binnen de contouren van het bedrijventerrein een burgerwoonbestemming worden herbestemd naar een bedrijfsfunctie, wat op een bedrijventerrein passender is; hierdoor wordt de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied verhoogd. Voornoemde drie locaties zullen passend landschappelijk worden ingepast, waarbij ook rekening is gehouden met de omliggende functies.

Er wordt een klimaatbestendige nieuwbouw gerealiseerd waarbij rekening wordt gehouden met hevigere neerslag door klimaatverandering. Er wordt in de buitenruimte voldoende waterberging gerealiseerd. Ook is aandacht voor hittestress door het aanplanten van groen en bomen.

De daken zullen voorzien worden van zonnepanelen.

7.1.2 Conclusie omgevingsaspecten

De impact van de beoogde ontwikkeling op omgevingsaspecten is beperkt van aard en er treden geen nadelige gevolgen voor het milieu op.

7.2 Wijzigen omgevingsplan

7.2.1 Systematiek van de bestemmingsregels

Voor de systematiek van het TAM-omgevingsplan 'Driessen Grondwerken Horsterweg' is aangesloten bij de vigerende bestemmingsplannen voor de diverse deellocaties. Het TAM-omgevingsplan fungeert als toetsingskader voor bouwplannen in het plangebied alsmede vormt het TAM-omgevingsplan een bindend kader voor het gebruik van gronden en opstallen in het gebied.

Via dit TAM-omgevingsplan wordt via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen het omgevingsplan gewijzigd. Het TAM-omgevingsplan maakt juridisch gezien deel uit van het omgevingsplan, maar heeft technisch gezien het 'oude' formaat. Dit betekent dat oude begrippen zoals bestemmingsregels nog in het TAM-omgevingsplan voorkomen.

De regels van het TAM-omgevingsplan zijn onderverdeeld in:

  • Inleidende bepalingen;
  • Functies en activiteiten;
  • Beschermen van waarden;
  • Algemene regels;
  • Overgangsregels.

7.2.1.1 Inleidende regels

Om misverstanden over de toepassing en interpretatie van het TAM-omgevingsplan te voorkomen worden in de begripsbepalingen (artikel 1) de verschillende in het plan voorkomende begrippen nader omschreven ook om de eenduidigheid bij het gebruik van het plan te bevorderen. Bij de meet- en regelbepalingen (artikel 2) wordt beschreven hoe voor de toepassing van dit TAM-omgevingsplan bepaalde maten gemeten dienen te worden.

Alleen de begrippen en meet- en regelbepalingen die nodig zijn voor de toepassing van dit TAM-omgevingsplan zijn opgenomen.

7.2.1.2 Bestemmingsregels

De regels, behorende bij de verschillende in het plan voorkomende functies, zijn opgebouwd, volgens een vast stramien. Elk artikel is opgebouwd volgens de onderstaande standaardindeling:

  • Functieomschrijving;
  • Beoordelingsregels;
  • Maatwerkvoorschriften;
  • Vergunningplicht voor afwijken;
  • Specifieke functieregels;
  • Vergunningplicht voor afwijken van de functieregels;
  • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden.

Één en ander uiteraard voor zover in dit specifieke plan van toepassing.

In het voorliggende TAM-omgevingsplan 'Driessen Grondwerken Horsterweg' komen de volgende functies voor:

  • Bedrijf: bestemd voor bedrijven behorend tot categorie 1 en 2, zoals opgenomen in Bijlage 3 Standaard Staat van Bedrijfsactiviteiten en/of daarmee qua milieueffecten gelijk te stellen bedrijven en/of activiteiten;
  • Bedrijventerrein Agribusiness 2: bestemd voor agribusinessbedrijven – zoals beschreven in 'agribusiness – 2' in artikel 1 - van categorie 2 tot en met categorie 4.2 van de Bijlage 1 Standaard Staat van Bedrijfsactiviteiten; uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van Bedrijventerrein - Agribusiness 2 -afvalbrengstation' een afvalbrengstation;
    uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van Bedrijventerrein - Agribusiness 2 - puinbreker' een inpandige puinbreker;
  • Bedrijventerrein: bestemd voor bedrijven van categorie 3.1 tot en met categorie 3.2, die zijn opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten (bijlage 1 bij deze regels) en/of daarmee qua milieueffecten gelijk te stellen bedrijven en/of activiteiten, en tevens bedrijven van categorie 4.1 en 4.2 en bedrijven van categorie 2 en/of daarmee qua milieueffecten gelijk te stellen bedrijven en/of activiteiten indien hiertoe een aanduiding op de verbeelding is opgenomen. Een en ander met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichtingen,
    puinbrekers en risicovolle milieubelastende activiteiten;
  • Groen: bestemd voor een grondwal met een hoogte van ten minste 2 m, oplopend tot 4 m, over de gehele lengte van de bestemming langs de A73 en een breedte van tenminste 2 m, met landschappelijke inpassing conform het bepaalde in het beeldkwaliteitsplan;
  • Leiding - Hoogspanningsverbinding: mede bestemd voor een bovengrondse hoogspanningsverbinding van ten hoogste 150 kV.
  • Natuur: bestemd voor het behoud, de bescherming, de ontwikkeling en/of het herstel van de desbetreffende cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden, bescherming van aardkundige waarden en extensief dagrecreatief medegebruik.
  • Wonen: bestemd voor wonen in een woning en aan huis verbonden beroepen
  • Waarde - Archeologie 3: mede bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden.

7.2.1.3 Algemene regels en overgangsregels

In het TAM-omgevingsplan is een aantal algemene regels opgenomen. Het betreft hier een aantal algemene bouw- en gebruiksregels en een aantal algemene afwijkingsregels.

Tenslotte zijn bepalingen ten aanzien van het overgangsrecht opgenomen in het TAM-omgevingsplan.

7.3 Toepassing en handhaving van het plan

Het ontwikkelen van beleid en de vertaling daarvan in een omgevingsplan heeft geen zin, indien na de vaststelling van het omgevingsplan geen handhaving plaatsvindt. Daarom is het belangrijk om al tijdens het opstellen van een omgevingsplan aandacht te besteden aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels. De wettelijke basis hiervoor is gelegd in artikel 125 van de Gemeentewet, in samenhang met de afdelingen 5.3 en 5.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Vier factoren zijn van wezenlijk belang voor een goed handhavingsbeleid:

  • Voldoende kenbaarheid van het plan. Een goed handhavingsbeleid begint bij de kenbaarheid van het omgevingsplan bij degenen die het moeten naleven. Het omgevingsplan is immers aan een ieder kenbaar gemaakt zodat wordt aangenomen dat belanghebbenden in de planlocatie op de hoogte (kunnen) zijn van de regels.
  • Voldoende draagvlak voor beleid en regeling in het plan. De inhoud van het plan kan slechts gehandhaafd worden indien het beleid en de regeling in grote kring ondersteund wordt door de gebruikers van de planlocatie. Uiteraard kan niet iedereen zich vinden in elk onderdeel van het plan. Een algemene positieve benadering van het omgevingsplan is echter wel wenselijk.
  • Realistische en inzichtelijke regeling. Een juridische regeling dient realistisch en inzichtelijk te zijn; dat wil zeggen niet onnodig beperkend of inflexibel. Bovendien moeten de bepalingen goed controleerbaar zijn. De regels moeten derhalve niet meer regelen dan noodzakelijk is.
  • Actief handhavingsbeleid. Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in de planlocatie. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de regels worden overtreden. Indien dit wordt nagelaten, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid.

Het bevoegd gezag is belast met de handhaving van de regels in dit TAM-omgevingsplan. In het algemeen geldt op grond van vaststaande jurisprudentie een beginselplicht tot handhaving. Dat neemt niet weg dat per geval moet worden onderzocht of handhaving (nog) mogelijk of proportioneel is. Een uitzondering is bijvoorbeeld concreet zicht op legalisatie van de overtreding. Bij handhaving van de regels wordt onder meer aandacht besteed aan de normen met betrekking tot brandveiligheid en constructieve veiligheid, monumentenstatus, toezicht op de naleving en uitvoering van omgevingsvergunningen en de handhaving op milieuovertredingen.

Hoofdstuk 8 UITVOERBAARHEID

8.1 Economische uitvoerbaarheid

8.1.1 Financieel economische haalbaarheid

De realisatie van het project geschiedt conform de afspraken welke tussen beide initiatiefnemers en de gemeente Horst aan de Maas zijn gemaakt en zijn vastgelegd in de door partijen aangegane overeenkomst 'Verplaatsing en centralisatie bedrijfsactiviteiten Driessen Grondwerken B.V.'.

8.1.2 Kostenverhaal

Het kostenverhaal is geregeld in de anterieure overeenkomst zoals genoemd in paragraaf 7.1.1.

8.1.3 Nadeelcompensatie

Als er een omgevingsvergunning verleend wordt, en als op grond daarvan schade wordt veroorzaakt, dan is artikel 4.5 Awb van toepassing. Het bevoegd gezag sluit met initiatiefnemer een overeenkomst tot verhaal van de kosten aan nadeelcompensatie welke rechtstreeks te herleiden zijn tot de omgevingsvergunning.

Op voorhand kan gesteld worden dat de kans op een vergoedbare claim om nadeelcompensatie als gevolg van de project delen Handelstraat 5, Dijkerheideweg ong. en Hamweg (tegenover nummer 6) uiterst gering wordt ingeschat. Voor de locatie Hamweg 6 is de nieuwe ontwikkeling zodanig vormgegeven dat ook hier de kans op een vergoedbare claim gering wordt ingeschat.

De nieuwe bedrijfsontwikkelingen binnen bedrijventerrein Klaver 11 zijn grotendeels passend binnen de visie welke voor dit gebied geldt. Het omzetten van de burgerwoning aan de Sintelweg 4 naar de functie 'bedrijf' moet als een planologisch logischerwijs te verwachten ontwikkeling worden beschouwd, welke ontwikkeling naar eerste globale inschatting niet zal leiden tot een vergoedbare claim. Als gevolg van het verruimen van de toegestane bedrijfscategorie aan de Horsterweg ong. neemt de groep potentieel gehinderden niet toe omdat de bedrijfsactiviteiten blijven vallen binnen milieucategorie 4.2; indien de bouwhoogte niet groter wordt dan 12 m en het bebouwingspercentage niet meer dan 40%, dan is er ook geen sprake van toenemende visuele hinder. De kans op een vergoedbare claim tot nadeelcompensatie wordt derhalve gering ingeschat.

8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.2.1 Participatie

Artikel 7.4 van de Omgevingsregeling bevat aanvraagvereisten over participatie. Het aanvraagvereiste participatie geldt voor alle omgevingsvergunningen. Dus zowel voor:

• de van rijkswege aangewezen vergunningplichtige activiteiten; en voor

• de decentraal aangewezen vergunningplichtige activiteiten zoals opgenomen in een omgevingsplan (omgevingsplanactiviteitvergunningen).

Participatie in het kader van onderhavig initiatief is stapsgewijs door de initiatiefnemers gedaan. In meerdere sessies zijn omwonenden, omliggende bedrijven en omliggende grondeigenaren van alle delen van het plangebied geïnformeerd over de diverse deelinitiatieven. Van deze bijeenkomsten zijn verslagen gemaakt die met het bevoegd gezag zijn gedeeld. De hierin gedane toezeggingen hebben met name betrekking op verkeersveiligheid. Hiertoe is in onderhavige procedure een verkeerskundig onderzoek uitgevoerd dat onderdeel uitmaakt van de planstukken.

8.2.2 Vaststellingsprocedure

De gemeente geeft in het gemeenteblad via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB) kennis van het voornemen om een omgevingsplan te wijzigen.

In de kennisgeving staat onder andere hoe de gemeenteraad burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding gaat betrekken (participatie).

De wijziging van het omgevingsplan maakt direct ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Uiterlijk op het moment van terinzagelegging van het milieueffectrapport stelt het bevoegd gezag de Commissie voor de milieueffectrapportage in de gelegenheid daarover te adviseren.

De gemeente geeft vóór de terinzagelegging kennis van het ontwerp-omgevingsplan in het gemeenteblad via de LVBB. Het milieueffectrapport maakt onderdeel van het ontwerp-omgevingsplan. Beide worden tegelijkertijd ter kennisgeving gepubliceerd.

Het ontwerp-omgevingsplan, het milieueffectrapport en de overige bijbehorende stukken liggen gedurende 6 weken ter inzage (artikel 3:11 Awb). Gedurende de termijn van inzage kan iedereen zienswijzen inbrengen.

De gemeenteraad stelt het omgevingsplan vast. Bij de vaststelling wordt aangegeven welke rol publieksparticipatie heeft gespeeld.

Het besluit wordt wederom bekendgemaakt door publicatie in het gemeenteblad via de LVBB. Tegelijk met de bekendmaking geeft de gemeente kennis van de terinzagelegging van het milieueffectrapport en de bijbehorende stukken.

Een wijziging van een omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit bekend heeft gemaakt.