direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locaties Handelstraat 5, Dijkerheideweg ong., Hamweg 6 en Hamweg ong., Sintelweg 4 en Horsterweg ong. in de gemeente Horst aan de Maas en is als nieuw hoofdstuk 22k opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

 

De in dit op https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/ uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22k van het omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22k' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22k' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:

Artikel 1 Toepassing begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk.

Artikel 2 Toepassingsbereik

  • a. De regels in afdeling 22 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk;
  • b. De regels in dit hoofdstuk (H22k) zijn van toepassing op de locaties Handelstraat 5, Dijkerheideweg ong., Hamweg 6 en Hamweg ong., Sintelweg 4 en Horsterweg ong. in de gemeente Horst aan de Maas, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01 zoals vastgelegd op https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/.

Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend op het bepaalde in artikel 2 de volgende begripsbepalingen:

3.1 plan

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg

3.2 omgevingsplan

Het omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas met identificatienummer 'NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG-ON01' ;

3.3 aanbouw

een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

3.4 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

3.5 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

3.6 aan huis gebonden bedrijf/kleine economie

Een onderneming welke gevestigd is of kan zijn in een woning en die toebehoort aan een natuurlijk persoon, welke in de betreffende woning woont en die maximaal 2 medewerkers in dienst heeft, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de onderneming de ruimtelijke uitstraling van de woonfunctie niet aantast. De hoofdactiviteit hoeft niet in of bij de woning te worden uitgevoerd.

3.7 aan huis verbonden beroep

een dienstverlenend beroep op zakelijk, maatschappelijk, therapeutisch, juridisch, (para)medisch, ontwerptechnisch of kunstzinnig gebied en tevens een kapsalon/schoonheidssalon, of hiermee gelijk te stellen beroep dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, door één van de bewoners van de woning kan worden uitgeoefend, waarbij de ruimtelijke uitwerking of uitstraling van de woning inclusief bijgebouwen behouden blijft. In Bijlage 1 is een niet-limitatieve lijst opgenomen wat onder andere als aan huis gebonden beroep wordt aangemerkt.

3.8 afvalbrengstation

Een locatie die specifiek bestemd is voor:

  • a. aanvoer, opslag en overslag van los gestorte bouwstoffen zoals zand, grond, grind en (puin)granulaat en daarmee vergelijkbare stoffen;
  • b. aanvoer, opslag, be- en verwerking van materialen die vrijkomen bij de bouw en sloop van gebouwen en terreinen zoals puin, asfalt, hout, glas, asbest, groenresten en daarmee vergelijkbare stoffen;
  • c. het verwerken en opwaarderen van ingenomen bouw- en grondstoffen als genoemd onder a. en b., maar niet beperkt tot het breken van puin en asfalt;
  • d. het reinigen en verwerken van bijvoorbeeld plastics en daarmee vergelijkbare activiteiten en de opslag en overslag van aldus geproduceerde nieuwe producten en nieuwe grondstoffen;
  • e. de inname van afval en te recycleren producten en materialen van particulieren en bedrijven;
  • f. voorzieningen voor het be- en verwerken van de onder a en b genoemde producten ten bate van het hergebruik hiervan of van onderdelen hiervan;
  • g. stalling, opslag en beheer van materiaal en materieel benodigd voor het (incidenten)beheer van wegen zoals gladheidbestrijding maar ook calamiteitenvoorkoming en -bestrijding;
  • h. stalling, opslag en beheer van eigen materiaal en eigen materieel benodigd voor de uitvoering van infrastructurele, bouw, cultuur- en civieltechnische werken;
  • i. voorzieningen voor het onderhoud, stalling, reparatie en beheer van bij bovengenoemde activiteiten noodzakelijke machines, vervoersmiddelen en installaties.
3.9 agrarisch toeleveringsbedrijf

een niet op industriële basis opgezet bedrijf, waarbinnen uitsluitend of overwegend arbeid wordt verricht gericht op de levering van producten en/of diensten, welke rechtstreeks ten dienste staan aan een agrarisch bedrijf.

3.10 agribusiness 2

bedrijfsmatige activiteiten die een ondersteunende, toeleverende, verwerkende of dienstverlenende functie hebben voor agrarische bedrijvigheid. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om bedrijven die zich bezighouden met vervaardiging en verwerking van agrarische grondstoffen, halffabricaten en reststromen, industriële bedrijven in de machinebouw en metaalconstructie.

3.11 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

3.12 bedrijf

een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen

3.13 bedrijfsgebonden kantoorvoorziening

een gebouw of ruimte ten behoeve van administratieve werkzaamheden voor een binnen het plangebied gevestigd bedrijf.

3.14 bedrijfsvloeroppervlak

de totale vloeroppervlakte van een gebouw met inbegrip van magazijnen en overige dienstruimten.

3.15 bedrijfswoning

een woning, in of bij een bedrijf of instelling, bestemd voor (het gezin van) een persoon wiens huisvesting daar gelet op de bestemming noodzakelijk is.

3.16 bestaand

bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van terinzagelegging is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald;

bij gebruik: het gebruik dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat, tenzij in de regels anders is bepaald.

3.17 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

3.18 bouwgrens

de grens van een bouwvlak.

3.19 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond dat aan één bedrijf toebehoort.

3.20 bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel.

3.21 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

3.22 bouwwerk

een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

3.23 bouwwerk geen gebouw zijnde

een bouwwerk of gedeelte daarvan, voor zover dat geen gebouw of onderdeel daarvan is. Hieronder worden ook zeecontainers zonder afdekking begrepen die geplaatst worden voor opslag en inzameling van goederen in afwachting van afvoer. Containers die voor opslag en overslag van afval en bulkgoederen worden gebruikt, worden gezien de kortdurende plaatsing uitgezonderd van een omgevingsvergunningplicht, mits de betreffende opslagmogelijkheid inherent is aan de bedrijfsactiviteiten.

3.24 bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak.

3.25 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop of te huur of in lease aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, ter verhuur, ter leasing, het verkopen, het verhuren en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen respectievelijk huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

3.26 driftgevoelige functie

voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies, zoals wonen, tuin, sport- en speelveldjes, picknickplekken, ligweides. Parkeervoorzieningen, verbindingswegen en -paden worden niet als driftgevoelige functie aangemerkt.

3.27 erfafscheiding

de afbakening van een erf of perceel van een ernaast gelegen erf of perceel, of van de openbare ruimte.

3.28 extensief recreatief medegebruik

die vormen van dagrecreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen en fietsen.

3.29 functiegrens

de grens van een functievlak.

3.30 functievlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie.

3.31 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Hieronder worden ook overdekte zeecontainers begrepen die geplaatst worden voor opslag en inzameling van goederen in afwachting van afvoer. Zeecontainers die voor opslag en overslag van afval en bulkgoederen worden gebruikt, worden gezien de kortdurende plaatsing uitgezonderd van een omgevingsvergunningplicht, mits de betreffende opslagmogelijkheid inherent is aan de bedrijfsactiviteiten.

3.32 geluidszoneringsplichtige inrichting

een inrichting bij welke ingevolge de het Besluit kwaliteit leefomgeving rondom het terrein van vestiging in een omgevingsplan een geluidszone als bedoeld in dat Besluit moet worden vastgesteld.

3.33 gewasbeschermingsmiddelen

gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU 2009, L 309).

3.34 groepsrisico

de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit.

3.35 hoofdgebouw

een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

3.36 huishouden

een aantal aan elkaar door familie- of daarmee gelijk te stellen -band gerelateerde personen, dat gezamenlijk één eenheid vormt en als zodanig ook gebruik maakt van dezelfde voorzieningen in één woning, zoals een gezin, een gezin met inwonende ouders of een woongroep.

3.37 kampeermiddel
  • a. een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een tourcaravan;
  • b. enig ander onderkomen en enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde,

één en ander voorzover de onder a en b bedoelde onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn in- of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

3.38 kantoor

een voorziening gericht op het verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen.

3.39 maaiveld

de bovenkant van het terrein dat een gebouw/bouwwerk omgeeft, met dien verstande dat waar sprake is van een hellend of ongelijk maaiveld onder het “aangrenzende maaiveld” wordt verstaan het maaiveld dat grenst aan de voorgevel van een gebouw.

3.40 normaal onderhoud, gebruik en beheer

een gebruik gericht op het in zodanige conditie houden of brengen van objecten dat het voortbestaan van deze objecten op tenminste het bestaande kwaliteitsniveau wordt bereikt.

3.41 Nota parkeernormen

De parkeernormen zoals opgenomen in de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas vastgesteld op 3 juli 2019, die als bijlage 4 bij deze regels is toegevoegd, dan wel, indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, de wijziging hiervan.

3.42 ondergronds bouwwerk

een (gedeelte van) een bouwwerk, waarvan de bovenkant van de vloer is gelegen op ten minste 1,75 meter beneden peil.

3.43 opslag

het bedrijfsmatig opslaan, verpakken en verhandelen van goederen.

3.44 overig bouwwerk

een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

3.45 overkapping

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak.

3.46 pand

de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is.

3.47 parkeervoorziening

een al of niet overdekte, op straat aanwezige dan wel met een straat in open verbinding staande ruimte, die gelet op de ligging en de ontsluiting geschikt is om te worden gebruikt voor het parkeren van (motor)voertuigen.

3.48 peil

voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;

in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld ter plaatse van het bouwperceel.

3.49 perceelsgrens

een grenslijn tussen bouwpercelen onderling.

3.50 perifere detailhandel

detailhandel op terreinen of locaties buiten de bebouwde kom, die vanwege de aard van het gevoerde assortiment, de benodigde oppervlakte voor uitstalling van het assortiment, de verkeersaantrekkende werking (waaronder begrepen intensieve dagelijkse bevoorrading), niet inpasbaar zijn in bestaande winkelgebieden of de onmiddellijk daaraan grenzende gebieden, waaronder begrepen detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke stoffen, grove bouwmaterialen, keukens en sanitair, woninginrichting en -stoffering, bouwmarkten, boten, campers, caravans en kampeer- en outdoorartikelen, auto's en automaterialen en tuin- en dierbenodigdheden.

3.51 plaatsgebonden risico

de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit.

3.52 productiegebonden detailhandel

detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gekweekt, gerepareerd en/of toegepast worden in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie.

3.53 puinbreker

een machine (vast danwel mobiel) die wordt gebruikt om steenachtig bouw- en sloopafval te verkleinen tot puingranulaat. Dit granulaat kan vervolgens als bouwstof, bijvoorbeeld voor beton of in diverse funderingen, worden hergebruikt.

3.54 risicovolle milieubelastende activiteit

activiteiten met gevaarlijke stoffen, met vuurwerk, met ontplofbare stoffen voor militair of civiel gebruik en om windturbines.

3.55 seksinrichting

de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.

Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.

3.56 Staat van Bedrijfsactiviteiten

de Staat van Bedrijfsactiviteiten 1 die van deze regels deel uitmaakt.

3.57 Veiligheidsregio

De Veiligheidsregio Limburg-Noord als samenwerkingsverband tussen onder andere brandweer, politie en geneeskundige hulpverlening in deze regio, of een daarvoor in de plaats komende instantie.

3.58 verantwoording groepsrisico

uitspraak van het bevoegd gezag bij de ruimtelijke besluitvorming over de aanvaardbaarheid van het risico dat na alle maatregelen resteert.

3.59 verkoopvloeroppervlakte

de voor publiek zichtbare en toegankelijke winkelruimte, gebruikt en bedoeld voor de uitstalling en verkoop van detailhandelsartikelen.

3.60 voorgevellijn

denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van het hoofdgebouw tot aan de perceelsgrenzen.

3.61 voorzieningen van algemeen nut

voorzieningen ten behoeve van het op het net aangesloten nutsvoorziening, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties en gemaal gebouwtjes, voorzieningen ten behoeve van de energieopwekking en -levering, voorzieningen ten behoeve van waterzuivering, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling, geluidswerende voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer, niet zijnde parkeervoorzieningen.

3.62 waterhuishoudkundige voorzieningen

voorzieningen ten dienste van de waterhuishouding waaronder wadi's, waterlopen, waterpartijen, watergangen, dammen, sluizen, duikers, retentiebekkens, vijvers, voorzieningen voor infiltratie, buffering en afvoer van water, voorzieningen ten behoeve van biologische waterzuivering en (secundaire en/of tertiaire) bluswatervoorzieningen.

3.63 woning

een (gedeelte van een) gebouw, geschikt en bestemd voor de zelfstandige huisvesting van één huishouden.

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

Bij toepassing van dit hoofdstuk wordt als volgt gemeten:

4.1 Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
  • a. dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

  • b. de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

  • c. de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

  • d. de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, liftschachten, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

  • e. de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

  • f. afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens:

tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel, niet de voor- en achterzijde van het bouwperceel zijnde, en het eigendom van derden, waar de afstand het kortste is.

4.2 Ondergeschikte bouwdelen

Bij het meten worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 0,75 m bedraagt.

4.3 Maatvoering

Alle maten zijn tenzij anders aangegeven:

  • a. voor lengten in meters (m);
  • b. voor oppervlakten in vierkante meters (m²);
  • c. voor inhoudsmaten in kubieke meters (m³);
  • d. voor verhoudingen in procenten (%);
  • e. voor hoeken/hellingen in graden (º).

Artikel 5 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van de Omgevingswet, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Artikel 6 Zorgplicht

Een ieder draagt bij de uitvoering van activiteiten als bedoeld in dit plan voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving en het voorkomen van nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving.

Een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving, is verplicht:

  • a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
  • b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden beperkt, die activiteit zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken;
  • c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 7 Bedrijf

7.1 Functieomschrijving

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bedrijven behorend tot categorie 1 en 2, zoals opgenomen in Bijlage 3 Standaard Staat van Bedrijfsactiviteiten en/of daarmee qua milieueffecten gelijk te stellen bedrijven en/of activiteiten;
  • b. gebouwen ten behoeve van de openbare nutsvoorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • c. tuinen, erven en terreinen;
  • d. paden, wegen, ontsluitings- en parkeervoorzieningen;
  • e. voorzieningen van openbaar nut;
  • f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • g. groenvoorzieningen, natuur en landschapselementen.

7.2 Beoordelingsregels
7.2.1 Algemeen

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • a. op de gronden als bedoeld in lid 7.1, mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de bestemming worden gebouwd;
  • b. indien en voor zover een bouwvlak is aangegeven, mogen gebouwen uitsluitend worden opgericht binnen dit bouwvlak.

7.2.2 Gebouwen en bijbehorende bouwwerken

De maatvoering voor gebouwen en bijbehorende bouwwerken is als volgt:

Bedrijfsgebouwen   min.   max.  
Goothoogte   n.v.t.   7 m, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte', waarvoor geldt dat de goothoogte niet meer mag bedragen dan is aangegeven  
Bouwhoogte   n.v.t.   11 m, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte', waarvoor geldt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan is aangegeven  
Totale oppervlakte bedrijfsgebouwen   n.v.t .   bestaand, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'oppervlakte (m2)' waarvoor geldt dat de maximale oppervlakte niet meer mag bedragen dan is aangegeven  

7.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

De maatvoering voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde is als volgt:

Bouwhoogte van bouwwerk, geen gebouwen zijnde   min.   max.  
Erf- en terreinafscheidingen   n.v.t.   voor de voorgevelrooilijn: 1 m
achter de voorgevelrooilijn: 2 m  
Antennes uitsluitend toegestaan achter de achtergevelrooilijn   n.v.t.   12 m  
Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   n.v.t.   6 m  

7.3 Specifieke gebruiksregels
7.3.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik voor woondoeleinden.

7.3.2 Parkeren

Ten aanzien van het parkeren dient voldaan te worden aan het bepaalde in artikel 15.3 van deze planregels.

7.4 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.1 ten behoeve van bedrijven die naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met het bestaande bedrijf, onder de voorwaarde dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • a. onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
  • b. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  • c. de verkeersveiligheid.

Artikel 8 Bedrijventerrein - Agribusiness 2

8.1 Functieomschrijving

De voor 'Bedrijventerrein - Agribusiness 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. uitsluitend agribusinessbedrijven – zoals beschreven in 'agribusiness – 2' in artikel 1 - met dien verstande dat deze bedrijven moeten passen binnen ten hoogste de hoogst toegestane milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2': bedrijven tot en met categorie 2 van de Bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten 2;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1': bedrijven tot en met categorie 3.1 van de Bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten 2;
    • 3. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2': bedrijven tot en met categorie 3.2 van de Bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten 2;
    • 4. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 4.2': bedrijven tot en met categorie 4.2 van de Bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten 2;
  • b. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van Bedrijventerrein - Agribusiness 2 -afvalbrengstation' een afvalbrengstation;
  • c. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van Bedrijventerrein - Agribusiness 2 - puinbreker' een inpandige puinbreker;

alsmede voor:

  • d. groenvoorzieningen, zoals bermen en grondwallen;
  • e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • f. voorzieningen voor zuivering van water;
  • g. voorzieningen van algemeen nut;
  • h. (ontsluitings)wegen en paden;
  • i. parkeervoorzieningen;
  • j. laad- en losvoorzieningen;

met dien verstande dat:

  • k. bedrijfswoningen niet zijn toegestaan;
  • l. geluidzoneringsplichtige inrichtingen niet zijn toegestaan;
  • m. risicovolle milieubelastende activiteiten zijn niet toegestaan;
  • n. kwetsbare objecten uitsluitend zijn toegestaan indien deze deel uitmaken van een bedrijf zoals bedoeld onder a en b.

8.2 Beoordelingsregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

8.2.1 Algemeen
  • a. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1 (sba - 1)' is bebouwing uitsluitend in de vorm van erfafscheidingen en lichtmasten toegestaan.

8.2.2 Slopen
  • a. Het is verboden bestaande gebouwen zonder omgevingsvergunning te slopen.
  • b. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning voor slopen als bedoeld onder a. verlenen indien door aanvrager ter beoordeling van het bevoegd gezag, een rapport is overgelegd waarin:
    • a. de resultaten van onderzoek zijn opgenomen naar het daadwerkelijk voorkomen van vleermuizen en vogels binnen de bebouwing, en
    • b. eventueel te nemen noodzakelijke mitigerende en/of compenserende maatregelen met het oog op de gunstige staat van instandhouding van soorten zijn aangegeven, en/of
    • c. afschriften zijn bijgevoegd van, op grond van het onderzoek als bedoeld onder 1, eventueel noodzakelijk gebleken, omgevingsvergunning voor de activiteit flora en fauna op grond van de Omgevingswet.

8.2.3 Gebouwen en overkappingen
  • a. gebouwen en overkappingen worden binnen het bouwvlak gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van gebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte;
  • c. het bebouwingspercentage voor gebouwen en overkappingen per perceel bedraagt ten hoogste het ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' aangegeven percentage;
  • d. de afstand van gebouwen en overkappingen bedraagt ten minste 5 m tot:
    • 1. de aanduidingsgrens van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1';
    • 2. openbare wegen in de bestemming Bedrijventerrein - Agribusiness 2.

8.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde
  • a. bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, met uitzondering van erfafscheidingen en lichtmasten, worden binnen het bouwvlak gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 2,5 m, met uitzondering van erfafscheidingen welke zijn bedoeld om de opslag van stoffen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van Bedrijventerrein - Agribusiness 2 -afvalbrengstation' aan het oog te onttrekken, waarvan de bouwhoogte maximaal 8 m mag bedragen.
  • c. de bouwhoogte van lichtmasten, vlaggenmasten en daarmee vergelijkbare masten bedraagt ten hoogste 9 m;
  • d. reclamemasten zijn niet toegestaan;
  • e. de bouwhoogte van hijsinstallaties en andere voor de bedrijfsactiviteiten noodzakelijke installaties bedraagt ten hoogste 5 m boven de ter plaatse toegestane bouwhoogte zoals bedoeld in lid 8.2.3 onder b;
  • f. de bouwhoogte van bassins ten behoeve van de wateropvang bedraagt ten hoogste 5 m;
  • g. de hoogte van windturbines bedraagt ten hoogste 25 m;
  • h. de bouwhoogte van een warmte-koude-opslag (WKO) voorziening en andere bouwwerken ten behoeve van de energieopwekking bedraagt ten hoogste de toegestane bouwhoogte zoals bepaald in lid 8.2.3 onder b;
  • i. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, bedraagt ten hoogste 5 m;
  • j. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 2' gelden in afwijking van het bepaalde in dit lid de volgende regels:
    • 1. bouwwerken geen gebouwen zijnde, anders dan erfafscheidingen en vlaggenmasten, zijn uitsluitend toegestaan achter de voorgevellijn van hoofdgebouwen;
    • 2. de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevel bedraagt ten hoogste 1 m.

8.2.5 Voorwaardelijke verplichting

Voor de stedenbouwkundige vormgeving en landschappelijke inpassing geldt dat moet worden voldaan aan de kaders zoals gesteld in het beeldkwaliteitsplan overeenkomstig Bijlage 2;

8.3 Maatwerkvoorschriften
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van:
    • 1. de stedenbouwkundige vormgeving en landschappelijke inpassing waarbij geldt dat moet worden voldaan aan de kaders zoals gesteld in het beeldkwaliteitsplan overeenkomstig Bijlage 2;
    • 2. de in het kader van waterhuishoudkundige voorzieningen alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen te nemen maatregelen ter voorkoming van overlast van hemelwater ten gevolge van nieuw op te richten bebouwing en/of aan te brengen oppervlakteverharding;
    • 3. de waarborging van de brandveiligheid, rampenbestrijding en zelfredzaamheid van personen;
    • 4. aan de situering en omvang van de bebouwing ter waarborging van voldoende parkeerplaatsen en laad- en losmogelijkheden;
    • 5. externe veiligheid in het algemeen, bijvoorbeeld ten aanzien van de oriëntatie van gebouwen en toegang en vluchtwegen, de bereikbaarheid van het perceel en bouwkundige maatregelen ter beperking van de effecten van bijvoorbeeld een ongeval met gevaarlijke stoffen, alsmede ter voorkoming van hoge personendichtheden.
  • b. Burgemeester en wethouders stellen de Veiligheidsregio in de gelegenheid om advies uit te brengen over de nadere eis(en) die aan een omgevingsvergunning wordt gekoppeld, zoals bedoeld onder a sub 1 en a sub 4.

8.4 Afwijken van de beoordelingsregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van:

  • a. lid 8.2.3 onder c om een hoger bebouwingspercentage toe te staan, tot een hoogte van maximaal 60%, mits wordt aangetoond dat dit noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering;
  • b. lid 8.2.4 onder b om maximale bouwhoogte van 4 m voor erfafscheidingen toe te staan, mits wordt aangetoond dat die noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering of verzekeringstechnische redenen.

8.5 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:

  • a. bedrijfsgebonden kantoorvoorzieningen zijn toegestaan tot ten hoogste 1.500 m² bedrijfsvloeroppervlak per bedrijfsvestiging;
  • b. ondersteunende horecavoorzieningen zijn toegestaan tot ten hoogste 10% van het totale bedrijfsvloeroppervlak tot een maximum van 300 m² per bedrijf;
  • c. detailhandel is niet toegestaan, met uitzondering van:
    • 1. productiegebonden en ondergeschikte detailhandel tot een verkoopvloeroppervlakte van ten hoogste 300 m² per bedrijf;
    • 2. detailhandel waarbij de verkoop uitsluitend via elektronische weg plaatsvindt en ter plaatse geen goederen worden uitgestald en aan particulieren worden afgeleverd;
  • d. opslag van meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk is niet toegestaan;
  • e. bedrijfswoningen zijn niet toegestaan;
  • f. ten aanzien van buitenopslag gelden de volgende regels:
    • 1. opslag is, conform het bepaalde in het beeldkwaliteitsplan zoals opgenomen als Bijlage 2, toegestaan tot een hoogte van maximaal 5 m;
    • 2. opslag is niet toegestaan op de gronden binnen 5 m afstand van openbare wegen in de bestemming Bedrijventerrein - Agribusiness - 2;
  • g. het verwijderen van vegetatie is uitsluitend toegestaan indien uit aanvullend ecologisch onderzoek is gebleken dat er geen beschermde soorten worden verstoord en dit onderzoek is geakkordeerd door het bevoegd gezag.

8.6 Afwijken van de gebruiksregels
8.6.1 Afwijken van de Staat van Bedrijfsactiviteiten
  • a. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 8.1 onder a ten behoeve van bedrijfsactiviteiten die niet in de Bijlage 3 Standaard Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn vermeld, of ten behoeve van activiteiten die in ten hoogste één hogere categorie zijn ingedeeld, mits de bedrijfsactiviteiten passen binnen de definitie van agribusiness.
  • b. Een omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend, indien de betreffende bedrijfsactiviteit naar aard en invloed op de omgeving kan worden gelijkgesteld met de milieu-uitstraling van bedrijfsactiviteiten die ter plaatse krachtens lid 8.1 onder a zijn toegestaan.

8.6.2 Afwijken van de regels ten aanzien van opslag
  • a. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van lid 8.5 onder f sub 1 om opslag van goederen toe te staan tot een hoogte van 15 m, met dien verstande dat dit vanuit bedrijfseconomisch oogpunt noodzakelijk is.
  • b. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van lid 8.5 onder f sub 2 om opslag op een kortere afstand toe te staan tot de perceelsgrens die niet grenst aan een weg, mits dit vanuit het oogpunt van brandveiligheid aanvaardbaar is en vanuit bedrijfseconomisch oogpunt noodzakelijk. Voorafgaande aan het verlenen van de vergunning wordt advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio.

Artikel 9 Bedrijventerrein

9.1 Functieomschrijving

De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven van categorie 3.1 tot en met categorie 3.2, die zijn opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten (bijlage 1 bij deze regels) en/of daarmee qua milieueffecten gelijk te stellen bedrijven en/of activiteiten, met uitzondering van:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 4.2' zijn tevens bedrijven van categorie 4.1 en 4.2 toegestaan, die zijn opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten (bijlage 1 bij deze regels) en/of daarmee qua milieueffecten gelijk te stellen bedrijven en/of activiteiten;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf van categorie 2' zijn tevens bedrijven van categorie 2 toegestaan, die zijn opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten (bijlage 1 bij deze regels) en/of daarmee qua milieueffecten gelijk te stellen bedrijven en/of activiteiten;
  • c. geluidzoneringsplichtige inrichtingen;
  • d. risicovolle milieubelastende activiteiten;

met daaraan ondergeschikt:

  • a. parkeer-, laad- en losvoorzieningen, in een zodanige omvang, dat op eigen terrein in de behoefte van het bedrijf kan worden voorzien;
  • b. met de daarbij behorende tuinen, erven en terreinen, nutsvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en groenvoorzieningen.

9.2 Beoordelingsregels
9.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen, uitgezonderd een bedrijfswoning, gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  • b. het bouwperceel mag voor 80% worden bebouwd;
  • c. de voorgevel van gebouwen is gericht op de wegenstructuur;
  • d. indien bouwvlak meerdere bouwpercelen omvat dient de afstand van gebouwen tot de perceelsgrenzen van de afzonderlijke bouwpercelen, ten minste 5,00 meter te bedragen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'minimum afstand tot zijdelingse perceelsgrens (m)' de aangeduide maat als minimale afstand geldt;
  • e. de bouwhoogte van een gebouw mag niet meer bedragen dan 12,00 meter, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' de aangeduide maat als maximale bouwhoogte geldt.

9.2.2 Bedrijfswoning

Het bouwen van een bedrijfswoning is niet toegestaan.

9.3 Afwijken van de beoordelingsregels
9.3.1 Vergroten van het bebouwingspercentage

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 9.2.1 onder b ten behoeve van het vergroten van het bebouwingspercentage, mits wordt voldaan aan de voorwaarden als genoemd in artikel 9.3.3.

9.3.2 Vergroten van de goot- en bouwhoogte

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 9.2.1 onder e ten behoeve van het vergroten van de bouwhoogte, mits wordt voldaan aan de voorwaarden als genoemd in artikel 9.3.3 en de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 15,00 meter.

9.3.3 Voorwaarden afwijkingsbevoegdheden

Van de in deze regels opgenomen afwijkingsbevoegdheden kan slechts gebruik worden gemaakt indien, naast de aan de betreffende afwijkingsbevoegdheden verbonden specifieke voorwaarden, wordt voldaan aan de navolgende voorwaarden:

  • a. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van het woon- en leefmilieu;
  • b. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden en bouwwerken;
  • c. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid mag niet in het geding zijn;
  • e. de brandveiligheid moet zijn gewaarborgd;
  • f. het straat- en bebouwingsbeeld mag niet in negatieve zin worden beïnvloed;
  • g. de bestaande rechten van omliggende bedrijven mogen niet worden ingeperkt.

9.4 Specifieke gebruiksregels
9.4.1 Strijdig gebruik

Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. horeca;
  • b. detailhandel, uitgezonderd productiegebonden detailhandel waarbij de totale verkoopvloeroppervlakte niet meer mag bedragen dan 10% van het bruto-verkoopvloeroppervlakte, met een maximum van 500 m2;
  • c. groothandel;
  • d. buitenopslag, anders dan inherent aan het toegelaten gebruik, tot en hoogte van maximaal 3,00 meter en ruimtelijk afgestemd op de aanwezige omgevingskwaliteiten (landschappelijke inpassing, eventueel stedenbouwkundig ontwerp en cultuurhistorische aspecten). Buitenopslag voor de voorgevelrooilijn is in zijn geheel niet toegestaan;
  • e. zelfstandig kantoor.

9.5 Afwijken van de gebruiksregels
9.5.1 Uitoefening van bedrijven met een lagere milieucategorie

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 9.1 ten behoeve van de uitoefening van bedrijven met een lagere milieucategorie mits het betreft:

  • a. bedrijven van milieucategorie 1 in de Staat van Bedrijfsactiviteiten (bijlage 1 bij deze regels), en/of daarmee qua milieueffecten gelijk te stellen bedrijven en/of activiteiten, voor zover het betreft:
  • b. de vestiging en uitoefening van agrotechnische bedrijvigheid;
  • c. de vestiging en uitoefening van industriële, ambachtelijke (verzorgend), dienstverlenende en groothandelsbedrijven;

onder de voorwaarden dat:

  • d. geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonmilieu in de directe omgeving of het bedrijfsmilieu ontstaan of kunnen ontstaan;
  • e. het geen geluidzoneringsplichtige inrichtingen betreft;
  • f. het geen risicovolle milieubelastende activiteiten betreft.

9.5.2 Perifere detailhandel

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 9.4.1 onder b ten behoeve van perifere detailhandel, mits:

  • a. er in de kern geen geschikte locatie aanwezig is voor de nieuwvestiging van perifere detailhandel;
  • b. het niet betreft bedrijfsmatige verkoop van meubelen en artikelen ten behoeve van de inrichting van een woning en van daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen, zoals woninginrichting, sanitair en keukens;
  • c. er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig is;
  • d. er voldoende ruimte op eigen terrein aanwezig is ten behoeve van het laden en lossen.

Artikel 10 Groen

10.1 Functieomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. een grondwal met een hoogte van ten minste 2 m oplopend tot 4 m over de gehele lengte van de bestemming langs de A73 en een breedte van tenminste 2 m;
  • b. landschappelijke inpassing.

alsmede voor:

  • c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • d. voorzieningen voor zuivering van water;
  • e. voorzieningen van algemeen nut.

met daaraan ondergeschikt:

  • f. straatmeubilair;
  • g. noodzakelijke wegverbindingen in verband met het voorkomen en bestrijden van calamiteiten en de daarbij behorende voorzieningen.

10.2 Beoordelingsregels

Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt ten hoogste 9 m;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, bedraagt ten hoogste 5 m.

Artikel 11 Leiding - Hoogspanningsverbinding

11.1 Functieomschrijving

De voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor een bovengrondse hoogspanningsverbinding van ten hoogste 150 kV.

11.2 Beoordelingsregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 11.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.

11.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
11.3.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanbrengen van hoog opgroeiende beplantingen en bomen;
  • b. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

11.3.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 11.3.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. normaal onderhoud en beheer betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

11.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

De werken en werkzaamheden, zoals in lid 11.3.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad.

Artikel 12 Natuur

12.1 Functieomschrijving

De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. het behoud, de bescherming, de ontwikkeling en/of het herstel van de desbetreffende cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden ter plaatse van de aanduidingen zoals zijn opgenomen in artikel 16;
  • b. bescherming van aardkundige waarden;
  • c. extensief dagrecreatief medegebruik.

12.2 Beoordelingsregels
12.2.1 Algemeen

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • a. op de gronden als bedoeld in lid 12.1 mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming worden gebouwd, in de vorm van:
    • 1. bankjes, picknicktafels, afvalemmers, bewegwijzering en dergelijke;
    • 2. open afrasteringen;
    • 3. voederbergingen of voederruiven voor wild;
    • 4. hoogzitten.

12.2.2 Slopen
  • b. Het is verboden bestaande gebouwen zonder omgevingsvergunning te slopen.
  • c. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning voor slopen als bedoeld onder a. verlenen indien door aanvrager ter beoordeling van het bevoegd gezag, een rapport is overgelegd waarin:
    • 1. de resultaten van onderzoek zijn opgenomen naar het daadwerkelijk voorkomen van vleermuizen en vogels binnen de bebouwing, en
    • 2. eventueel te nemen noodzakelijke mitigerende en/of compenserende maatregelen met het oog op de gunstige staat van instandhouding van soorten zijn aangegeven, en/of
    • 3. afschriften zijn bijgevoegd van, op grond van het onderzoek als bedoeld onder 1, eventueel noodzakelijk gebleken, omgevingsvergunning voor de activiteit flora en fauna op grond van de Omgevingswet.

12.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

De maatvoering voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde is als volgt:

Bouwhoogte/volume bouwwerk, geen gebouwen zijnde   min.   max.  
hoogzit   n.v.t.   3,5 m  
erf- en terreinafscheidingen   n.v.t.   1 m  
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   n.v.t.   2 m  
inhoud voederberging of voerruif voor wild   n.v.t.   3 m³  

12.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 12.2 ten behoeve van gebouwen in verband met het extensief recreatief medegebruik, met dien verstande dat:

  • a. de inhoud niet meer bedraagt dan 50 m3;
  • b. de hoogte niet meer bedraagt dan 4,5 m;
  • c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarden zoals bedoeld in lid 12.1.

12.4 Specifieke gebruiksregels
12.4.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval begrepen:

  • a. het gebruik van gronden voor agrarische doeleinden, tenzij voorzover dat ten dienste staat van de instandhouding of ontwikkeling van de natuurwaarden;
  • b. het verwijderen van vegetatie is uitsluitend toegestaan indien uit aanvullend ecologisch onderzoek is gebleken dat er geen beschermde soorten worden verstoord en dit onderzoek is geakkordeerd door het bevoegd gezag.

12.5 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan middels een vergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit afwijken van het bepaalde in lid 12.1 ten behoeve van nieuwe parkeer- en verkeersvoorzieningen, met dien verstande dat:

  • a. er geen onevenredige of significante aantasting plaatsvindt van de in de omgeving aanwezige natuurwaarden;
  • b. er vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de provincie.

12.6 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de navolgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren te doen of te laten uitvoeren:

  • c. het aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • d. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere diepwortelende beplantingen en het verrichten van handelingen, die de dood of ernstige beschadiging daarvan ten gevolge hebben of kunnen hebben;
  • e. het aanbrengen, verwijderen of verleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • f. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap;
  • g. het aanleggen, (ver)graven, verruimen, dempen of herprofileren van watergangen, sloten en andere waterpartijen
  • h. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage.

12.7 Uitzonderingen vergunningplicht

Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 12.6 is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden:

  • a. die worden uitgevoerd in het kader van het normale onderhoud en beheer van de gronden en de daaraan toegekende bestemmingen(en);
  • b. op de gronden gelegen binnen bouwvlakken dan wel binnen de bestemmingsvlakken van de bestemmingen Bedrijf of Wonen binnen dit bestemmingsvlak geen bouwvlak is opgenomen;
  • c. die op het moment van inwerkingtreding van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende of aangevraagde vergunning.

12.8 Afwegingskader

Burgemeester en wethouders verlenen de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 12.6 alleen indien door de in lid 12.6 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden, dan wel door de gevolgen daarvan, hetzij direct, hetzij indirect de waarden, belangen en/of functies die het plan beoogt te beschermen, niet blijvend onevenredige of niet onevenredig kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen.

Artikel 13 Wonen

13.1 Functieomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen in een woning;
  • b. aan huis verbonden beroepen, onder de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 15.5;

met de daarbij behorende:

  • c. tuinen, erven en terreinen;
  • d. paden, wegen, ontsluitings- en (al dan niet verharde) parkeervoorzieningen;
  • e. paardenbakken, uitsluitend binnen het bouwvlak dan wel bestaande paardenbakken;
  • f. voorzieningen van openbaar nut;
  • g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • h. groenvoorzieningen, natuur en landschapselementen.

13.2 Beoordelingsregels
13.2.1 Algemeen

Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. op de gronden als bedoeld in lid 13.1, mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de bestemming worden gebouwd;
  • b. er is niet meer dan 1 woning per bestemmingsvlak toegestaan;
  • c. indien en voor zover binnen een bestemmingsvlak een bouwvlak is aangegeven, mag het hoofdgebouw uitsluitend worden opgericht binnen dit bouwvlak;
  • d. een omgevingsvergunningaanvraag voor de realisatie van een woning dient vergezeld te gaan van een aanvullend bodemonderzoek waaruit blijkt dat de kwaliteit van de bodem niet aan de vergunningverlening in de weg staat;
  • e. aangebouwde bijbehorende bouwwerken dienen aan de onderstaande regeling met betrekking tot hoofdgebouw te voldoen, dan wel aan het gestelde onder regeling bijbehorende bouwwerken.

13.2.2 Slopen
  • a. Het is verboden bestaande gebouwen zonder omgevingsvergunning te slopen.
  • b. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning voor slopen als bedoeld onder a. verlenen indien door aanvrager ter beoordeling van het bevoegd gezag, een rapport is overgelegd waarin:
    • 1. de resultaten van onderzoek zijn opgenomen naar het daadwerkelijk voorkomen van vleermuizen en vogels binnen de bebouwing, en
    • 2. eventueel te nemen noodzakelijke mitigerende en/of compenserende maatregelen met het oog op de gunstige staat van instandhouding van soorten zijn aangegeven, en/of
    • 3. afschriften zijn bijgevoegd van, op grond van het onderzoek als bedoeld onder 1, eventueel noodzakelijk gebleken, omgevingsvergunning voor de activiteit flora en fauna op grond van de Omgevingswet.

13.2.3 Gebouwen en bijbehorende bouwwerken

De maatvoering voor gebouwen en bijbehorende bouwwerken is als volgt:

Hoofdgebouw   min.   max.  
Goothoogte   n.v.t.   4 m  
Bouwhoogte   n.v.t.   10 m  
Afstand tot perceelgrens   2,5 m   n.v.t.  
Inhoud   n.v.t.   750 m³  
dakhelling   35o   65o  

Aangebouwde bijbehorende bouwwerken en carports   min.   max.  
Goothoogte   n.v.t.   3,5 m  
Bouwhoogte   n.v.t.   6 m  
Afstand carports achter de voorgevel van het hoofdgebouw   0 m
carports mogen tot 1 m voor de voorgevel worden gebouwd  
n.v.t.  
Afstand overige bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel van het hoofdgebouw   1 m   n.v.t.  
Afstand overige bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel van het hoofdgebouw in het geval dat het hoofdgebouw meerdere naar de weg gekeerde gevels kent   3 m
 
n.v.t.  
Afstand overige bijbehorende bouwwerken tot het openbaar gebied in het geval van een hoeksituatie   1 m   n.v.t.  
Totale gezamenlijke oppervlakte van alle bijbehorende bouwwerken   n.v.t.   150 m²  
Bebouwingspercentage van het terrein dat hoort bij het hoofdgebouw   n.v.t.   50%  

Vrijstaande bijbehorende bouwwerken   min.   max.  
Goothoogte   n.v.t.   3,5 m  
Bouwhoogte   n.v.t.   6 m  
Afstand carports achter de voorgevel van het hoofdgebouw   0 m
carports mogen tot 1 m voor de voorgevel worden gebouwd  
n.v.t.  
Afstand overige bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel van het hoofdgebouw   1 m   n.v.t.  
Afstand tot zijdelingse perceelgrens   2,5 m   n.v.t.  
Afstand tot hoofdgebouw   n.v.t.   40 m  
Totale gezamenlijke oppervlakte van alle bijbehorende bouwwerken   n.v.t.   150 m²  
Bebouwingspercentage van het terrein dat hoort bij het hoofdgebouw   n.v.t.   50%  

13.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

De maatvoering voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde is als volgt:

bouwhoogte van bouwwerk, geen gebouwen zijnde   min.   max.  
erf- en terreinafscheidingen   n.v.t.   voor de voorgevelrooilijn: 1 m
achter de voorgevelrooilijn: 2 m  
antennes uitsluitend toegestaan achter de achtergevelrooilijn   n.v.t.   12 m  
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen het bouwvlak   n.v.t.   3 m  

13.2.5 Voorwaardelijke verplichting
  • c. Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van het perceel conform de functieomschrijving is toegestaan mits voldaan wordt aan de voorwaarde dat het landschappelijk inpassingsplan dat als bijlage onderdeel uitmaakt van dit omgevingsplan wordt uitgevoerd; binnen 1 jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor de nieuwe woning dient de landschappelijke inpassing te zijn uitgevoerd. De omvang van de landschappelijke inpassing is opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan dat is toegevoegd als Bijlage 5 bij de planregels.
  • d. Het verwijderen van vegetatie is uitsluitend toegestaan indien uit aanvullend ecologisch onderzoek is gebleken dat er geen beschermde soorten worden verstoord en dit onderzoek is geakkordeerd door het bevoegd gezag.

13.3 Afwijken van de beoordelingsregels
13.3.1 Verhogen goot- en bouwhoogte hoofdgebouwen

Het bevoegd gezag kan een vergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit verlenen voor afwijken van het bepaalde in lid 13.2 ten behoeve van een grotere goot- en/of bouwhoogte van hoofdgebouwen, onder de volgende voorwaarden:

  • a. de hoogte mag met maximaal 20% worden verhoogd;
  • b. de cultuurhistorische en architectonische waarden moeten behouden blijven;
  • c. de landschappelijke en natuurwaarden mogen niet onevenredig worden aangetast.

13.4 Afwijken van de gebruiksregels
13.4.1 Aan huis verbonden bedrijf/kleine economie

Het bevoegd gezag kan door middel van een vergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit afwijken van het bepaalde in lid 13.1 ten behoeve van een huis verbonden bedrijf/kleine economie indien dat bedrijf gezien de aard, omvang en intensiteit passend is binnen de woonfunctie. Van een dergelijk aan huis verbonden bedrijf is sprake indien de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft. Dat is het geval indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. Er mag geen onevenredige hinder worden toegebracht aan de kwaliteit van het woonmilieu, de maximaal toelaatbare categorie is 2;
  • b. Door de uitoefening van de activiteit mag het uiterlijk aanzien van de (bedrijfs)woning inclusief bijgebouwen niet zodanig veranderen, dat de woning inclusief bijgebouwen het karakter van een (bedrijfs)woning geheel of gedeeltelijk verliest; reclame-uitingen zijn niet toegestaan behoudens beperkte naamsaanduidingen aan of bij de woning;
  • c. de oppervlakte van de (bedrijfs)woning inclusief bijgebouwen welke voor de bedrijfsvoering wordt gebruikt mag 30% van het totale vloeroppervlak van de (bedrijfs)woning en de bijgebouwen bedragen; de totale oppervlakte van de activiteit mag niet meer bedragen dan 100 m2. Het te gebruiken oppervlak dient op een tekening te worden aangegeven die bij het besluit wordt gevoegd;
  • d. Degene die het aan huis gebonden bedrijf uitoefent, is tevens één van de bewoners van de woning, met dien verstande dat de bedrijfsactiviteiten naast de bewoner door maximaal twee medewerkers mogen worden uitgeoefend;
  • e. Er dient sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat in de (bedrijfs)woning;
  • f. De activiteit mag niet leiden tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
  • g. In de parkeerbehoefte wordt in voldoende mate voorzien op eigen terrein, dan wel kan de parkeerbehoefte in de directe omgeving worden opgevangen;
  • h. Buitenopslag ten behoeve van het bedrijf op het perceel is niet toegestaan. Stalling van maximaal twee bedrijfsvoertuig(en)met een maximale lengte van 5 meter is toegestaan;
  • i. Er mag geen sprake zijn van een seksinrichting;
  • j. Detailhandel is niet toegestaan, behoudens ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdend met de activiteiten.

13.4.2 Kleinschalige horeca

Het bevoegd gezag kan door middel van een vergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit afwijken van het bepaalde in lid 13.1 ten behoeve van het toestaan van kleinschalige horeca, met dien verstande dat:

  • a. de horeca gezien de aard, omvang en intensiteit passend dient te zijn binnen de woonfunctie;
  • b. de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft;
  • c. maximaal 30% van het totale vloeroppervlak van de aanwezige bebouwing mag worden gebruikt ten behoeve van de horeca, met dien verstande dat het aan te wenden vloeroppervlak nimmer meer dan 100 m2 mag bedragen;
  • d. de openingstijden (inclusief terras) van de inrichting tussen 7.00 en 19.00 uur liggen;
  • e. het gebruik de woonfunctie ondersteunt en de horeca door de gebruiker van de woning dient te worden geëxploiteerd;
  • f. een projectplan dient te worden overlegd waaruit naar het oordeel van het bevoegd gezag onderscheidendheid en kwaliteit blijkt;
  • g. het gebruik geen ernstige hinder voor het woonmilieu oplevert;
  • h. het gebruik niet mag leiden tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
  • i. gronden buiten het bouwvlak niet mogen worden gebruikt voor deze bedrijfsmatige activiteiten;
  • j. detailhandel niet mag plaatsvinden;
  • k. het gebruik geen nadelige invloed mag hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeerbalans.

13.4.3 Kleinschalig kamperen

Het bevoegd gezag kan bij een vergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit afwijken van het bepaalde in lid 13.1 ten behoeve van het toelaten van kleinschalig kamperen bij een woning, met dien verstande dat:

  • a. er dient sprake te zijn van een bedrijfsvoering die als geheel onderscheidend en vernieuwend is voor Horst aan de Maas;
  • b. kleinschalig kamperen uitsluitend is toegestaan op gronden op of direct grenzend aan de bestemming 'Wonen';
  • c. slechts kampeermiddelen zijn toegestaan met een niet-permanent karakter (tenten, toercaravans en dergelijke);
  • d. maximaal 25 kampeermiddelen zijn toegestaan;
  • e. het gebruik mag niet leiden tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
  • f. door middel van een inrichtingsplan is aangetoond dat zorg gedragen wordt voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing of landschappelijke compensatie;
  • g. het woon- en leefklimaat op omliggende percelen niet onevenredig wordt aangetast;
  • h. er vooraf schriftelijk advies dient te worden ingewonnen bij de regionale werkgroep Vrijetijdseconomie.

13.4.4 Kleinschalige verblijfsrecreatie

Het bevoegd gezag kan door middel van een vergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit afwijken van het bepaalde in lid om bij een woning kleinschalige verblijfsrecreatie in de vorm van maximaal 5 recreatiewoningen toe te staan, met dien verstande dat:

  • a. de verblijfsrecreatie gezien de aard, omvang en intensiteit passend moet zijn binnen de woonfunctie;
  • b. de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft. Dat is het geval indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • 1. maximaal mag 1/3 van het totale vloeroppervlak van de aanwezige bebouwing worden gebruikt ten behoeve van recreatiewoningen, met dien verstande dat het aan te wenden vloeroppervlak nimmer meer dan 100 m2 per recreatiewoning mag bedragen;
    • 2. de woning blijft voldoen aan de bepalingen ingevolge of krachtens de Woningwet; dat wil zeggen dat de gebruiker van de woning ook de bedrijfsmatige activiteit ontplooit;
    • 3. het gebruik mag geen ernstige hinder voor het woonmilieu opleveren en mag ook niet leiden tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing. Dit betekent bijvoorbeeld dat het geen activiteit mag zijn waarvoor een milieuvergunning of een melding op grond van de milieuwetgeving verplicht is. Ook mag de activiteit geen industriële handelingen inhouden, evenmin is een seksinrichting toegestaan;
    • 4. gronden buiten het bouwvlak mogen niet worden gebruikt voor deze bedrijfsmatige activiteiten
    • 5. detailhandel mag niet plaatsvinden tenzij het gaat om detailhandel die direct verband houdt met de kleinschalige verblijfsrecreatie;
    • 6. in de benodigde parkeercapaciteit dient geheel op eigen terrein te worden voldaan;
    • 7. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeerbalans;
  • c. er vooraf schriftelijk advies dient te worden ingewonnen bij de regionale werkgroep Vrijetijdseconomie.

Hoofdstuk 3 Beschermen van waarden

Artikel 14 Waarde - Archeologie 3

14.1 Functieomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden.

14.2 Beoordelingsregels

Op en in de gronden als bedoeld in lid 14 mag niet worden gebouwd, met uitzondering van:

  • a. het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken, waarbij de bebouwing minder diep reikt dan 50 centimeter en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst;
  • b. bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte met niet meer dan 500 m² wordt uitgebreid;
  • c. de bestaande bebouwing wordt vergroot met een oppervlakte van ten hoogste 500 m²;
  • d. gebouwen en/of bouwwerken die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan dan wel mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.

14.3 Afwijken van de beoordelingsregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 14.2 teneinde het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden liggende andere bestemming(en), indien op basis van (archeologisch) onderzoek is aangetoond, dat archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
  • c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

14.4 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de navolgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren te doen of te laten uitvoeren:

  • a. het aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanplanten van bomen, hakhout en andere houtopstanden hoger dan 1,50 m;
  • c. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere diepwortelende beplantingen en het verrichten van handelingen, die de dood of ernstige beschadiging daarvan ten gevolge hebben of kunnen hebben;
  • d. het aanbrengen, verwijderen of verleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • e. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap;
  • f. het aanleggen, (ver)graven, verruimen, dempen of herprofileren van watergangen, sloten en andere waterpartijen
  • g. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • h. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem.

14.5 Uitzonderingen vergunningplicht

Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 14.4 is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden:

  • a. op een kleinere diepte dan 50 cm en/of met een oppervlakte kleiner dan 500 m², dan wel op gronden die voor wat betreft archeologie reeds zijn vrijgegeven middels een selectiebesluit;
  • b. die worden uitgevoerd in het kader van het normale onderhoud en beheer van de gronden en de daaraan toegekende bestemmingen(en);
  • c. op de gronden gelegen binnen bouwvlakken dan wel binnen de bestemmingsvlakken van de bestemmingen Bedrijf of Wonen binnen dit bestemmingsvlak geen bouwvlak is opgenomen;
  • d. die op het moment van inwerkingtreding van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende of aangevraagde vergunning.

14.6 Afwegingskader

Burgemeester en wethouders verlenen de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 14.4 alleen indien door de in lid 14.4 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden, dan wel door de gevolgen daarvan, hetzij direct, hetzij indirect de waarden, belangen en/of functies die het plan beoogt te beschermen, niet blijvend onevenredige of niet onevenredig kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen.

Hoofdstuk 4 Algemene regels

Artikel 15 Algemene gebruiksregels

15.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik met de bestemmingen wordt in ieder geval verstaan het (laten) gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor en/of als:

  • a. het (bedrijfsmatig) vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- of verwerken van producten en mest;
  • b. het plaatsen van kampeermiddelen;
  • c. verblijfsrecreatie;
  • d. het gebruik van gronden als volkstuin;
  • e. het beoefenen van lawaaisporten;
  • f. opslag voor de voorgevelrooilijn;
  • g. detailhandel;
  • h. verkooppunt voor motorbrandstoffen, al dan niet inclusief lpg,
  • i. het gebruik van de gronden gronden en opstallen voor een seksinrichting;
  • j. intensief militair gebruik;
  • k. opslag en/of stalling van aan het gebruik onttrokken voer- en vaartuigen en kampeermiddelen, anders dan in het kader van een normaal gebruik overeenkomstig het bestaand gebruik;
  • l. permanente bewoning van bijbehorende bouwwerken;
  • m. permanente bewoning van recreatiewoningen/verblijfsrecreatieve voorzieningen;
  • n. huisvesting van arbeidsmigranten;
  • o. een coffeeshop, growshop, smartshop of een daarmee vergelijkbaar bedrijf;
  • p. geurgevoelig object binnen de aanduiding 'Milieuzone - geurzone';

een en ander, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer of gebruik van de gronden en behoudens indien het gebruik blijkens de regels is toegestaan.

15.2 Warmte-koudeopslag

Open en gesloten systemen die door middel van het isolerend vermogen van de ondiepe bodem energie opwekken, niet zijnde aardwarmte, zijn toegestaan, met dien verstande dat gesloten systemen binnen gronden met de aanduiding 'Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Venloschol' uitsluitend zijn toegestaan tot een diepte van 5 m boven NAP.

15.3 Parkeren
15.3.1 Algemene parkeerregels

Het is verboden te bouwen dan wel het gebruik van gronden en/of bouwwerken te wijzigen indien er niet wordt voldaan aan de op grond van dit artikel gestelde parkeernormen.

15.3.2 Specifieke parkeerregels bij bouwplannen

Een bouwplan dient te voorzien in voldoende parkeermogelijkheden. De parkeerbehoefte wordt bepaald op de wijze zoals beschreven in de nota parkeernormen. Indien deze nota gedurende de planperiode wijzigt of wordt vervangen, geldt de gewijzigde c.q. de vervangende nota.

15.3.3 Specifieke parkeerregels bij gebruikswijzigingen

Indien het wijzigen van het gebruik van gronden en/of bouwwerken daartoe aanleiding geeft, moet voor wat betreft de toename in de parkeerbehoefte worden voorzien in voldoende parkeermogelijkheden. De parkeerbehoefte wordt bepaald op de wijze zoals beschreven in de Nota parkeernormen. Indien deze nota gedurende de planperiode wijzigt of wordt vervangen, geldt de gewijzigde c.q. de vervangende nota.

15.3.4 Specifieke gebruiksregels

Ruimte(n) voor het parkeren van voertuigen, voor zover de aanwezigheid van deze ruimte(n) krachtens deze parkeerregels is geëist, dient te allen tijde voor dit doel beschikbaar te blijven. Ander gebruik wordt aangemerkt als strijdig gebruik.

15.4 Hemelwaterinfiltratie
15.4.1 Infiltratieplicht

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een nieuw gebouw, de uitbreiding van een bestaand gebouw of de verbouw van een bestaand gebouw, wordt uitsluitend verleend indien voor de aanwezige functie op eigen terrein wordt voorzien in infiltratie van hemelwater.

15.4.2 Afwijking

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 15.4.1 voor zover op andere wijze in de nodige infiltratievoorziening wordt voorzien.

15.5 Aan huis verbonden beroep

In woningen en/of bijbehorende bouwwerken is het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep toegestaan, onder de volgende voorwaarden:

  • a. De totale oppervlakte ten behoeve van een aan huis verbonden beroep mag niet meer dan 30% van het totale vloeroppervlak van de woning en de bijgebouwen bedragen tot een maximale oppervlakte van 100 m2. Het te gebruiken oppervlak dient op een tekening te worden aangegeven die bij het besluit wordt gevoegd;
  • b. Degene die het aan huis gebonden beroep uitoefent, is tevens één van de bewoners van de woning, met dien verstande dat de beroepsactiviteiten naast de bewoner door maximaal twee medewerkers mogen worden uitgeoefend;
  • c. De activiteit mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving en geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de omgeving;
  • d. In de parkeerbehoefte wordt in voldoende mate voorzien op eigen terrein, dan wel kan de parkeerbehoefte in de directe omgeving worden opgevangen;
  • e. Detailhandel is niet toegestaan, behoudens ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdend met de activiteiten.

15.6 Bed & breakfast

In woningen en/of bijbehorende bouwwerken is het uitoefenen van een bed & breakfast toegestaan, onder de volgende voorwaarden:

  • a. het gebruik mag niet leiden tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
  • b. in de parkeerbehoefte wordt in voldoende mate wordt voorzien op eigen terrein, dan wel kan de parkeerbehoefte in de directe omgeving worden opgevangen;
  • c. het vloeroppervlak ten behoeve van bed & breakfast niet meer dan 100 m2 bedraagt.

Artikel 16 Algemene aanduidingsregels

16.1 Cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden

Ter plaatse van de aanduidingen in de navolgende tabel zijn de gronden tevens bestemd voor het behoud, de bescherming, de ontwikkeling en/of het herstel van de desbetreffende cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden welke zijn opgenomen in de navolgende tabel:

Aanduiding   Landschaps- en natuurwaarden  
overige zone - heideontginning   - Open landschap met onderverdeling van de openheid door bomenlanen.
- Overwegend patroon van rechte wegen.
- Overwegend rechthoekige tot blokvormige verkaveling.
- Kunstmatig lage grondwaterstanden.
- Bebouwingslinten met wisselende onderlinge afstanden tussen de erven.
- Huidige natuurwaarde is beperkt.
- Plaatselijk van belang voor vogels (Hooge Heide, Brommer) en amfibieën.
- Van nature natte, laag gelegen zandgronden in de natte heide ontginningsgebieden.
- Natuurwaarde is gering in de natte heide ontginningsgebieden, met uitzondering van de weilanden die van waarde zijn voor (weide)vogels.
- Openheid en landbouwkarakteristiek van het landschap in de natte heideontginningsgebieden behouden en agrarische bebouwing goed verdichten met groen (stevige, strakke erfbelasting).  
overige zone - beekdal   - Beekdalen zijn belangrijke structuurdragers van het landschap met (al dan niet rechtlijnige) beeklopen.
- Doorgaans natte structuur, waardoor de beekdalen functioneren als ecologische verbindingszones.
- Hoge natuurwaarde voor: Reulsberg en 't Ham; omgeving Kasteelpark Ter Horst (flora, amfibieën en vogels), en zone Groote Molenbeek.
- Specifieke functie voor (strategische) waterberging.  

16.2 Milieuzone - geurzone

Gebouwen welke aan te merken zijn als geurgevoelige objecten, zoals omschreven in artikel 5.91 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving, mogen niet worden gebouwd of in gebruik genomen ter plaatse van de aanduiding 'Milieuzone - geurzone'.

16.3 Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Venloschol
16.3.1 Omschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Venloschol' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de winning van (drink)water.

16.3.2 Beoordelingsregels

Binnen het grondwaterbeschermingsgebied mag worden gebouwd voor zover dat op grond van de onderliggende bestemming is toegestaan met inachtneming van de voorwaarden, zoals die door de Omgevingsverordening Limburg worden gesteld.

16.4 milieuzone – spuitvrije zone
16.4.1 Omschrijving

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone – spuitvrije zone' zijn mede aangewezen als spuitvrije zone vanwege de bescherming van de gezondheid als gevolg van het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen.

16.4.2 Gebruiksregel

Op de gronden is het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen niet toegestaan.

16.5 Vrijwaringszone - weg
16.5.1 Omschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'Vrijwaringszone - weg' zijn de gronden mede bestemd voor mogelijke toekomstige reconstructies en/of uitbreidingen van de Rijksweg A73, alsmede voor het creëren van een optimale infrastructurele omgeving.

16.5.2 Beoordelingsregels

Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - weg' mag, in afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 2, niet worden gebouwd.

16.5.3 Afwijken van de beoordelingsregels

In de zone tussen de 50 en 100 meter, gemeten uit de as van de dichtstbij gelegen rijbaan, waartoe ook toe- en afritten behoren kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van het wegverkeer, met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in 16.5.2, voor de bouw van bouwwerken die zijn toegelaten krachtens de onderliggende bestemming nadat de wegbeheerder terzake is gehoord.

16.5.4 Bestaande bebouwing

De in 16.5.3 bedoelde afwijking wordt geacht te zijn verleend ten aanzien van bouwwerken, of een complex van bouwwerken die bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dan wel mogen worden opgericht krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen.

Artikel 17 Algemene afwijkingsregels

17.1 Algemeen

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het plan ten behoeve van het vergroten van:

  • a. de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages, met uitzondering van oppervlakte- en inhoudmaten, tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages, voor zover hiervoor niet reeds op een andere wijze afwijking is verleend;
  • b. de bestemmingsregels en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of verkeersintensiteit daartoe aanleiding geven;
  • c. de bestemmingsregels teneinde de op de verbeelding ingetekende begrenzingen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, met maximaal 10 m te verschuiven;
  • d. de bestemmingsregels en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
  • e. de bestemmingsregels ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en toestaan dat de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot tot niet meer dan 40 m;
  • f. de bestemmingsregels voor het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwtjes van openbaar nut, zoals wachthuisjes, gasreduceerstations en schakelstations, mits de inhoud niet meer dan 50 m3 de goothoogte niet meer dan 3 m bedraagt,

mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • 1. het straat-, bebouwings- en landschapsbeeld;
  • 2. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
  • 3. de verkeersveiligheid;
  • 4. de sociale veiligheid;

Artikel 18 Overige regels

18.1 Wettelijke regelingen

Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, dienen deze regelingen te worden gelezen, zoals deze luidden op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan.

18.2 Voorrangsregels

In het geval van strijdigheid van de regels voor functies en activiteiten uit hoofdstuk 2 van deze regels met de regels voor de (waarde)functies uit hoofdstuk 3 van deze regels, gaan de regels van de (waarde)functies uit hoofdstuk 3 van deze regels voor.

Hoofdstuk 5 Overgangsregels

Artikel 19 Overgangsrecht

19.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a. een omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a. met maximaal 10%.
  • c. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan, en op bouwwerken ter plaatse van de bestemmingen 'Bedrijf' en 'Natuur' .

19.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. Het overgangsrecht voor het gebruik van de bedrijfslocatie aan de Hamweg 6 eindigt uiterlijk 2 jaar na het onherroepelijk worden van:
    • 1. onderhavige wijziging van het omgevingsplan, én;
    • 2. de voor de realisatie en het integrale gebruik van het deelgebied 'Horsterweg' noodzakelijke omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten, én;
    • 3. de voor de realisatie en het integrale gebruik van het deelgebied 'Horsterweg' noodzakelijke omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten.
  • b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan één jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen op gronden ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone – spuitvrije zone' en het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.