direct naar inhoud van Toelichting
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x Melderslo, Nieuwenhofweg 4
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1507.MLNIEUWENHOFWEG4-BPO1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

Deze toelichting beschrijft de wijziging van het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Horst aan de Maas met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) voor de locatie Nieuwenhofweg 4 te Melderslo. Bij een wijziging van het omgevingsplan voor een locatie is het van belang dat de gevolgen op de fysieke leefomgeving van de activiteiten die mogelijk worden gemaakt worden afgewogen zodat, ook na het wijzigen van het omgevingsplan, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze afweging vindt plaats in deze toelichting.

1.1 Aanleiding van het initiatief

Met de wijziging van het omgevingsplan wordt de omschakeling van een agrarisch bedrijf, zijnde een intensieve veehouderij, naar een paardenhouderij mogelijk gemaakt. Het initiatief is verder uitgebreid beschreven in het hoofdstuk "Beschrijving van het initiatief" (hoofdstuk 2).

Op de locatie is momenteel een intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderij gevestigd in eigendom van de initiatiefnemer. Ontwikkelingen in de agrarische sector volgen elkaar in hoog tempo op, met name in de (intensieve) veehouderijsector. Door steeds strenger wordende wet- en regelgeving worden steeds meer en steeds strengere eisen gesteld aan veehouderijbedrijven. Om aan deze steeds strengere eisen te kunnen voldoen moeten door de ondernemers vaak forse investeringen worden gedaan in het bedrijf. Voor veel ondernemers is het daarom moeilijk om naast de noodzakelijke investeringen te kunnen blijven bestaan als een duurzaam en volwaardig bedrijf met voldoende inkomsten om te kunnen voorzien in het noodzakelijke levensonderhoud.

Vanuit Europese regelgeving geldt dat de neerslag (depositie) van stikstof op Natura 2000-gebieden moet worden verminderd. Om dit doel te bereiken zijn door de Rijksoverheid verschillende maatregelen in het leven geroepen, waaronder de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv). Deze regeling heeft als doel de depositie van stikstof op de kwetsbare natuur in de Natura 2000-gebieden te verminderen door de beëindiging van veehouderijbedrijven die een hoge uitstoot van ammoniak (stikstof) hebben. De regeling geldt voor landbouwbedrijven met varkens, melkvee, kippen of kalkoenen.

Het bedrijf van de initiatiefnemer komt in aanmerking voor een vergoeding vanuit de Lbv. Met deze vergoeding kan de beëindiging van de intensieve veehouderij op de locatie deels worden bekostigd. De mogelijkheid voor deze vergoeding sluit goed aan bij de overwegingen van de initiatiefnemer om de intensieve veehouderij te beëindigen en maakt dit financieel beter haalbaar, mits na beëindiging kan worden voorzien in een passende nieuwe functie. Als nieuwe invulling van de locatie met voldoende rendement om de beëindiging van de intensieve veehouderij als aanvulling op de vergoeding vanuit de Lbv te kunnen bekostigen wenst de initiatiefnemer de locatie om te schakelen naar een paardenhouderij voor stalling, training en africhting van paarden. Er zal daarbij geen sprake zijn van activiteiten gericht op het fokken van paarden.

Vanuit de Lbv moet worden geborgd dat ter plaatse geen nieuwe veehouderij voor het houden van landbouwhuisdieren kan worden uitgeoefend. Daarnaast wordt de vergoeding alleen uitgekeerd voor (voormalige) stallen die daadwerkelijk worden gesloopt. In ruil daarvoor mogen nieuwe gebouwen worden opgericht, zo lang maar geen sprake is van nieuwe stallen voor het houden van landbouwhuisdieren. Met de omschakeling van het bedrijf naar een paardenhouderij, niet zijnde een fokkerij, wordt geborgd dat ter plaatse geen nieuwe veehouderij kan worden gevestigd. Daarnaast zullen de varkensstallen in zijn geheel worden gesloopt. Daarbij vindt wel vervangende nieuwbouw plaats, maar er zal geen sprake zijn van nieuwe stallen voor het houden van landbouwhuisdieren.

De locatie is voorzien van een gekoppeld bouwvlak dat bestaat uit een deel met de bedrijfsbebouwing en een deel met de (vergunde, maar nog niet gebouwde) bedrijfswoning. De delen van het bouwvlak zijn middels een relatieteken aan elkaar verbonden en moeten vanuit het geldende omgevingsplan worden beschouwd als één bouwvlak. De initiatiefnemer wenst het vlak voor de bedrijfswoning op deze locatie te behouden en daarop de vergunde bedrijfswoning daadwerkelijk te realiseren. Deze zal worden gebruikt een agrarische bedrijfswoning bij de paardenhouderij.

Met de beëindiging van de intensieve veehouderijen zal het woon- en leefklimaat in de omgeving verbeteren. De gewenste paardenhouderij zal een lagere milieuhinder tot gevolg hebben dan de huidige varkenshouderij. Het initiatief zal daarmee bijdragen aan een meer veilige en gezonde fysieke leefomgeving en aan een betere omgevingskwaliteit.

Om het initiatief mogelijk te maken is het noodzakelijk het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Horst aan de Maas te wijzigen. Omdat de gemeente nog geen nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld dient dit te gebeuren met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM). De gemeente heeft aangegeven dat het initiatief voorstelbaar is, mits sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de mogelijke effecten van het initiatief op de fysieke leefomgeving goed zijn afgewogen. Deze toelichting dient als motivatie van deze afweging.

1.2 Omschrijving van de locatie

De locatie is gelegen aan de Nieuwenhofweg 4 te Melderslo en ligt in het landelijk gebied van de gemeente Horst aan de Maas. De locatie ligt ten noordoosten van Melderslo en is kadastraal bekend onder Gemeente Horst aan de Maas, sectie U, nummers 454, 467, 605 en 692. In de volgende afbeelding is de topografische ligging van de locatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.MLNIEUWENHOFWEG4-BPO1_0001.png"

Uitsnede topografische kaart met locatie aangegeven.
Bron: Topotijdreis.nl.

De locatie is gelegen in het zandgrondenlandschap nabij een bos- en natuurgebied. Dit landschap ligt tussen het hoogveenlandschap en het rivierdallandschap in en is opgebouwd uit beekdalen, waaraan in het verleden de dorpen en akkercomplexen zijn ontstaan. Daarnaast zijn er jonge heideontginningen en bosgebieden aanwezig. Dit gebied wordt het meest intensief gebruikt en daarin is de meeste bebouwing geconcentreerd. Het zandgrondenlandschap heeft een sterke menging van landschapselementen, functies en gebruikers. De belangrijkste kwaliteiten van het landschap zijn de openheid van het agrarische landschap, de bosfragmenten en de lanen ten zuiden van Horst.

In de omgeving van de locatie zijn voornamelijk agrarische bedrijven en enkele burgerwoningen of andere niet-agrarische functies gelegen. Er is sprake van een gebied met een grote dynamiek, waarbij steeds meer een transformatie plaatsvindt van overwegend agrarisch gebied naar een meer multifunctioneel en gemengd gebied.

Op de locatie is momenteel een intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderij gevestigd. Volgens de huidig geldende vergunningen mogen ter plaatse 5.142 vleesvarkens en 2.240 gespeende biggen worden gehouden. Deze dieren worden gehuisvest in de ter plaatse aanwezige stallen. Er zijn momenteel vier stallen op de locatie aanwezig. De stallen beslaan tezamen een oppervlakte van 7.700 m² en zijn voorzien van mestkelders. Verder zijn op de locatie nog een mestopslag, voersilo's en een (sleuf)silo aanwezig.

De locatie is voorzien van een gekoppeld bouwvlak. Op een deel van het bouwvlak is de aanwezige bedrijfsbebouwing aanwezig. Op het andere deel van het bouwvlak is een vergunning verleend voor het oprichten van een bedrijfswoning met de daarbij behorende bijgebouwen. De delen van het bouwvlak zijn aan elkaar verbonden met een relatieteken en dienen vanuit het geldende omgevingsplan te worden beschouwd als één bouwvlak. De bedrijfswoning is nog niet gerealiseerd, maar de noodzakelijke vergunningen voor deze bedrijfswoning zijn reeds verleend.

In de volgende afbeelding is de huidige situatie in een situatietekening weergegeven. De oppervlakte van het bouwvlak blijft ongewijzigd, namelijk 2,3 hectare. De oppervlakte van de op te richten bebouwing bedraagt 6.800 m². De volledige tekening op schaal is opgenomen als "Bijlage 1 Tekening(en) op schaal".

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.MLNIEUWENHOFWEG4-BPO1_0002.png"

Situatietekening huidige situatie (niet op schaal).
Bron: DLV Advies.

1.3 Geldend omgevingsplan

Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Vanuit de Omgevingswet moet iedere gemeente een omgevingsplan voor het gehele grondgebied van de gemeente vaststellen. Veel gemeenten hebben echter nog geen nieuw omgevingsplan vast kunnen stellen. Voor de gemeenten die nog geen nieuw omgevingsplan hebben vastgesteld geldt het zogenaamde omgevingsplan van rechtswege. Dit bestaat uit de regels uit verschillende ruimtelijke instrumenten die met de ingang van de Omgevingswet zijn komen te vervallen (zoals bijvoorbeeld bestemmingsplannen en verordeningen) en uit de regels over activiteiten die vanuit de Rijksoverheid gelden (de zogenaamde bruidsschat). De gemeente Horst aan de Maas heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld, waarmee het omgevingsplan van rechtswege van toepassing is binnen deze gemeente. Voor het toetsen van nieuwe ontwikkelingen wordt vanuit het omgevingsplan van rechtswege nog getoetst aan het voorheen geldende bestemmingsplan of de voorheen geldende beheersverordening en, waar nodig, aan de aanvullende bepalingen uit de bruidsschat. Dit wordt dan gezien als een toetsing aan het geldende omgevingsplan.

Binnen het geldende omgevingsplan is de locatie in een gebied met de volgende functies gelegen:

  • Functie 'Agrarisch met waarden';
  • Waarde 'Waarde - Archeologie 4' (over een deel van de locatie);
  • Gebiedsaanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Venloschol'
  • Gebiedsaanduiding 'overige zone - heideontginning'.

Daarnaast zijn op de locatie zelf de volgende functies en aanduidingen van toepassing:

  • Aanduiding 'bouwvlak';
  • Aanduiding 'relatie' (deze koppelt de delen van het bouwvlak);
  • Functieaanduiding 'intensieve veehouderij'.

In de volgende afbeelding is een uitsnede van de kaart van het geldende omgevingsplan ter plaatse van de locatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.MLNIEUWENHOFWEG4-BPO1_0003.png"

Uitsnede kaart geldend omgevingsplan ter plaatse van de locatie.
Bron: Omgevingsloket.

Het initiatief is in strijd met het omgevingsplan op de volgende punten:

  • Vanuit artikel 3.1 van het geldende omgevingsplan is ter plaatse van de functie 'Agrarisch met waarden' een agrarisch bedrijfsmatig grondgebruik of een agrarisch hobbymatig grondgebruik toegestaan. Een paardenhouderij is niet rechtstreeks mogelijk op grond van artikel 3.1 van het geldende omgevingsplan. Ter plaatse dient daarom de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - paardenhouderij' te worden toegevoegd, zodat de gewenste paardenhouderij kan worden uitgevoerd.
  • De locatie is voorzien van de functieaanduiding 'intensieve veehouderij', welke vanuit artikel 3.1 van het geldende omgevingsplan ter plaatse het uitvoeren van een intensieve veehouderij mogelijk maakt. Vanuit deelname aan de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) moet worden geborgd dat ter plaatse geen nieuwe veehouderij kan worden gevestigd. Zo lang de functieaanduiding 'intensieve veehouderij' op de locatie aanwezig blijft kan ter plaatse een nieuwe intensieve veehouderij worden gevestigd. De aanduiding dient derhalve van de locatie te worden verwijderd.
  • Vanuit deelname aan de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) moet worden geborgd dat ter plaatse geen nieuwe veehouderij kan worden gevestigd. Om dit volledig te borgen wordt aan de locatie de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - uitgesloten landbouwhuisdieren' toegekend.
  • Vanwege de mogelijke gezondheidseffecten die kunnen optreden bij blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen wordt binnen het bouwvlak een zone van 50 meter rondom de omliggende landbouwgronden die niet in eigendom zijn van de initiatiefnemer vastgelegd waarop geen gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt. Deze zone wordt voorzien van de functieaanduiding 'milieuzone - spuitvrije zone' om te borgen dat binnen de zone geen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Daarmee kunnen nadelige effecten door mogelijk gebruik van gewasbeschermingsmiddelen worden voorkomen.
  • Vanuit artikel 3.1, onder s zijn paardenbakken binnen de agrarische functie mogelijk, mits deze binnen het bouwvlak worden aangelegd. In de gewenste situatie is sprake van een paardenbak die deels binnen en deels buiten het huidige bouwvlak worden gelegd. Dit is niet rechtstreeks mogelijk vanuit het geldende omgevingsplan. Derhalve wordt de vorm van het bouwvlak zodanig van vorm veranderd dat de paardenbak binnen het bouwvlak wordt gesitueerd.

Om die reden is het noodzakelijk het geldende omgevingsplan van rechtswege te wijzigen. Omdat de gemeente nog geen nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld en nog niet gereed is het omgevingsplan van rechtswege te wijzigen met toepassing van de Standaard officiële publicaties en Toepassingsprofielen voor omgevingsdocumenten (STOP/TPOD), dient dit te gebeuren met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM). Daarmee kan een wijziging van het omgevingsplan van rechtswege worden gepubliceerd volgens de systematiek die werd toegepast bij het publiceren van de voormalige bestemmingsplannen. Voor het wijzigen van het omgevingsplan is het belangrijk om een goede afweging te maken van de mogelijke effecten van het initiatief op de fysieke leefomgeving. In deze toelichting is deze afweging verder gemotiveerd.

Concreet zal er met deze wijziging van het omgevingsplan het volgende worden gewijzigd:

  • Ter plaatse zal de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - paardenhouderij' worden toegekend;
  • De functieaanduiding 'intensieve veehouderij' zal van de locatie worden verwijderd';
  • De functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - uitgesloten landbouwhuisdieren' wordt toegevoegd.
  • Op delen van het bouwvlak wordt de functieaanduiding 'milieuzone - spuitvrije zone' toegekend.
  • De vorm van het bouwvlak wordt gewijzigd.

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting bestaat uit:

  • Hoofdstuk 2 met daarin de beschrijving van het initiatief. Daarbij wordt het initiatief beschreven en wordt ingegaan op de landschappelijke inpassing van het initiatief.
  • Hoofdstuk 3 met daarin de beschrijving van de voorbereiding op de te doorlopen procedure. Daarin is beschreven welke (procedurele) stappen al zijn gezet ter voorbereiding op de wijziging van het omgevingsplan van rechtswege.
  • Hoofdstuk 4 met daarin de beleidsmatige afweging. Daarbij wordt het initiatief getoetst aan het beleid dat van toepassing is vanuit de Rijksoverheid, de provincie, het waterschap en de gemeente.
  • Hoofdstuk 5 met daarin de afweging van de mogelijke effecten van het initiatief op de fysieke leefomgeving. Daarbij wordt het initiatief getoetst aan de verschillende van belang zijnde regels voor de fysieke leefomgeving en of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
  • Hoofdstuk 6 met daarin de afweging aan eventuele beperkingengebieden. Daarin wordt gekeken naar eventuele beperkingengebieden ter plaatse van of nabij de locatie en wordt een afweging gemaakt van de eventuele gevolgen van het initiatief op werken of objecten waarop deze beperkingengebieden van toepassing zijn.
  • Hoofdstuk 7 met daarin de uitvoerbaarheid van het initiatief. Daarbij wordt een afweging gemaakt van de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het initiatief.
  • Hoofdstuk 8 met daarin de belangenafweging en een conclusie. Daarbij wordt afgewogen of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 2 Beschrijving van het initiatief

De wijziging van het omgevingsplan van rechtswege met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) maakt de omschakeling van een intensieve veehouderij naar een paardenhouderij mogelijk. In dit hoofdstuk wordt het initiatief verder omschreven en toegelicht en wordt ingegaan op de landschappelijke inpassing van het initiatief en de bijdrage daarvan aan de maatschappelijke doelen uit de Omgevingswet.

2.1 De gewenste situatie

De initiatiefnemer is voornemens om de intensieve veehouderij op de locatie te beëindigen. De initiatiefnemer neemt deel aan de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv). Vanuit deze regeling komt de initiatiefnemer in aanmerking voor een vergoeding voor het slopen van de stallen op de locatie, waarmee de beëindiging van de intensieve veehouderij deels kan worden gefinancierd, mits een passende nieuwe invulling kan worden gegeven aan de locatie. Bij deelname aan de Lbv dient te worden geborgd dat geen nieuwe stallen kunnen worden gebouwd voor het houden van landbouwhuisdieren. Om dit te borgen zal op de locatie de agrarische (bedrijfs)functie worden gewijzigd in een andere functie.

De initiatiefnemer wenst de intensieve veehouderij om te schakelen naar een paardenhouderij, waarbij deze niet is gericht op het fokken van paarden, maar op het bieden van stalling aan paarden, het africhten van paarden en het trainen van paarden. Er is daarmee sprake van een gebruiksgerichte paardenhouderij en niet van een productiegerichte paardenhouderij. Er is daarmee geen sprake van het houden van landbouwhuisdieren.

Vanuit deelname aan de Lbv worden de varkensstallen ter plaatse in zijn geheel gesloopt. Voor de gewenste paardenhouderij wenst de initiatiefnemer een nieuw bedrijfsgebouw op te richten. Het gaat daarbij om een rijhal met een lounge, aangebouwde paardenstallen en 10 inpandige appartementen/verblijven voor ruiters en grooms. Daarnaast is het wenselijk een nieuwe quarantaine stal op te richten om snel te kunnen handelen in geval van eventuele ziekten en om verdere verspreiding daarvan te kunnen voorkomen. Verder wenst de initiatiefnemer een loods voor opslag en fourage op te richten met daarin een kleine werkplaats en hoefsmid.

In het kader van de herontwikkeling zullen de bestaande varkensstallen volledig worden gesloopt. Ter vervanging daarvan worden nieuwe bedrijfsgebouwen gerealiseerd die passen bij de beoogde paardenhouderij. Concreet gaat het om:

  • Een nieuw bedrijfsgebouw waarin de rijhal, een lounge, aangebouwde paardenstallen en tien inpandige appartementen/verblijven voor ruiters en grooms zijn ondergebracht.
  • I. De lounge is bedoeld voor het ontvangen van klanten en zal daarnaast dienstdoen als kantine voor het aanwezige personeel. De betreffende longstay-appartementen voor grooms, stagiaires, en/of (buitenlandse) ruiters hebben een maximale oppervlakte van 55 m² per appartement.
  • II. De appartementen zijn bestemd voor de huisvesting van grooms, stagiaires en (buitenlandse) ruiters die tijdelijk op het terrein verblijven in verband met de verzorging en training van de paarden.
  • Een quarantaine stal, noodzakelijk om in voorkomende gevallen paarden tijdelijk te kunnen afzonderen van de overige paarden, bijvoorbeeld bij (vermoedelijke) ziekte of na aanvoer uit het buitenland.
  • Een loods ten behoeve van de opslag van fourage en als stallingsruimte voor voertuigen. Daarnaast wordt binnen deze loods een kleine werkplaats ingericht voor onderhoud aan materiaal en een ruimte voor de hoefsmid.

De exacte invulling van de bebouwing en uitvoering hiervan zal later plaats vinden. Daarbij zullen uiteraard de bouwregels vanuit het omgevingsplan meegenomen worden. Daarnaast zal bij het ontwerp rekening gehouden worden met het geldende beeldkwaliteitsplan en de welstandsnota.

Ter indicatie:

  • Rijhal: (goothoogte ± 5m bouwhoogte ±11m)
  • Loods (goothoogte ± 5m bouwhoogte ±8m)
  • Stallen (goothoogte 3,5m bouwhoogte ±8m)
  • Longeercirkel/ stapmolen (bouwhoogte ±5m)

De gezamenlijke oppervlakte van de nieuwe bedrijfsgebouwen bedraagt circa 5.850 m², waarin maximaal 84 paarden zullen worden gehuisvest. Mogelijk zullen omliggende gronden ook worden gebruikt voor weidegang en het laten grazen van paarden.

Bij deelname aan de Lbv mogen, na sloop van de stallen, nieuwe bedrijfsgebouwen worden opgericht, mits wordt geborgd dat geen sprake is van nieuwe stallen voor het houden van landbouwhuisdieren. Met de omschakeling naar een gebruiksgerichte paardenhouderij is geen sprake meer van het houden van landbouwhuisdieren, waarmee dit voldoende is geborgd. Dit zal daarnaast verder planologisch worden geborgd door de aanduiding 'intensieve veehouderij' van de locatie te verwijderen en de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - paardenhouderij' op de locatie toe te kennen.

Voor het uitvoeren van de gewenste paardenhouderij is het wenselijk ook een buitenrijbaan te realiseren met een oppervlakte van maximaal 4.050 m². Deze past niet helemaal binnen het huidige bouwvlak. Daarom wordt het bouwvlak zodanig van vorm veranderd dat de buitenrijbaan volledig binnen het bouwvlak komt te liggen.

Verder zijn voor een doelmatige uitvoering van de gewenste paardenhouderij nog enkele voorzieningen nodig. Daarom is het wenselijk nog een viertal stapmolens/trainingsmolens en een vaste mestopslag op te richten. De longeercirkel heeft een diameter van 15 meter (200 m²) en de stapmolen heeft een diameter van 21 meter (345 m²). De mestopslag krijgt de gebruikelijke afmeting van 16 x 10 meter en dan keerelementen van 2,6 meter hoog. De paddocks die zijn aangegeven op de tekening, betreffen graspaddocks. Daarnaast zal worden voorzien in voldoende erfverharding voor de ontsluiting van het terrein en voldoende parkeergelegenheid.

Momenteel is een vergunning verleend voor het oprichten van een bedrijfswoning bij de intensieve veehouderij. Hiervoor is een apart bouwvlak toegekend dat met een relatieteken is gekoppeld aan het bouwvlak waarop de bedrijfsgebouwen zijn gerealiseerd. Door de koppeling van de vlakken met het relatieteken worden de afzonderlijke bouwvlakken gezien als één bouwvlak. Daarvan wordt het ene deel benut voor de bedrijfswoning en het andere deel voor de bedrijfsgebouwen. De bedrijfswoning is nog niet gerealiseerd. De noodzakelijke vergunningen daarvoor zijn echter allen verleend. Het is de wens van de initiatiefnemer om deze bedrijfswoning op te richten op basis van de verleende vergunningen. De functie van de woning blijft een agrarische bedrijfswoning en verandert daarmee niet ten aanzien van de huidige vergunde situatie.

De oppervlakte van het bouwvlak blijft gelijk, namelijk 2,3 hectare. De gewenste situatie is in de volgende afbeelding in een situatietekening weergegeven. De volledige tekening op schaal is opgenomen als "Bijlage 1 Tekening(en) op schaal".

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.MLNIEUWENHOFWEG4-BPO1_0004.png"

Situatietekening (niet op schaal) gewenste situatie.
Bron: DLV Advies.

2.2 Landschappelijke inpassing

Bij nieuwe ontwikkelingen is het belangrijk dat de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat of dat deze, waar mogelijk, juist wordt versterkt. Afhankelijk van de impact die een ontwikkeling heeft op het landschap en de omgeving wordt een tegenprestatie gevraagd om bij te dragen aan het behouden of het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij is het belangrijk om het initiatief op een goede manier landschappelijk in te passen.

Ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing van het initiatief is door een landschappelijk deskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld. Daarin is een nadere afweging gemaakt van het omliggende landschap en hoe de voorgestelde landschappelijke inpassing kan bijdragen aan het behoud en/of de versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Daarnaast is in het landschappelijk inrichtingsplan opgenomen welke landschappelijke elementen worden aangebracht en welke beplanting daarvoor wordt gebruikt.

In de volgende afbeelding is de tekening met daarop de voorgestelde landschappelijke inpassing weergegeven. Het volledige landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen als "Bijlage 2 Landschappelijk inrichtingsplan".

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.MLNIEUWENHOFWEG4-BPO1_0005.png"

Tekening landschappelijke inpassing van het initiatief.
Bron: Ir , Tuin- & landschapsarchitect Bnt.

Met de voorgestelde landschappelijke inpassing wordt aangesloten bij de belangrijke kwaliteiten van het landschap waarin de locatie is gelegen. Daarbij is vanuit het landschap bekeken op welke manier de landschappelijke inpassing kan bijdragen aan de kwaliteit van het landschap, zonder dat dit al te veel ten koste gaat van een efficiënte inrichting van het erf. Daarmee is ter plaatse sprake van een goede landschappelijke inpassing van het initiatief.

2.3 Bijdrage aan maatschappelijke doelen

In de Omgevingswet zijn maatschappelijke doelen opgenomen. De Rijksoverheid wil dat wordt bijgedragen aan duurzame ontwikkeling, bewoonbaarheid van het land en bescherming en verbetering van het leefmilieu. Daarvoor wordt ingezet op het bereiken van een balans tussen het beschermen en het benutten van de fysieke leefomgeving. Daarover is in de Omgevingswet het volgende opgenomen:

  • Beschermen: het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit.
  • Benutten: het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving om er maatschappelijke behoeften mee te vervullen.

Het is daarmee van belang dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan een gezonde, veilige en aantrekkelijke leefomgeving, waarbij wordt voorzien in behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen.

Met het voorliggende initiatief wordt de intensieve veehouderij beëindigd en wordt omgeschakeld naar een paardenhouderij, gericht op het stalling, trainen en africhten van paarden. Deze omschakeling betekent dat een milieubelastende activiteit (intensieve veehouderij) wordt beëindigd en plaatsmaakt voor een bedrijf met een aanzienlijk lagere milieudruk. De emissies van onder andere ammoniak, geur en fijnstof komen grotendeels te vervallen. Daarmee wordt een directe bijdrage geleverd aan de bescherming van de fysieke leefomgeving en aan het realiseren van een gezonde leefomgeving voor mens en dier.

De AERIUS-berekeningen die zijn uitgevoerd voor dit initiatief (zie bijlage 5 van deze toelichting) onderbouwen deze milieuwinst kwantitatief. Uit deze berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie (intensieve veehouderij) aanzienlijk afneemt (minimaal 85%). Hiermee wordt aantoonbaar bijgedragen aan de verbetering van de omgevingskwaliteit en de bescherming van nabijgelegen natuurgebieden.

Daarnaast wordt, zoals beschreven in paragraaf 2.2Landschappelijke inpassing”, voorzien in een versterking van de landschappelijke kwaliteit door het aanbrengen van nieuwe, gebiedseigen beplanting en landschappelijke structuren. Dit draagt bij aan het herstel van ruimtelijke kwaliteit en aan een aantrekkelijker buitengebied.

Vanuit maatschappelijk oogpunt sluit het initiatief aan bij een bredere ontwikkelrichting van het landelijk gebied, waarin wordt gestreefd naar een transitie van emissie-intensieve agrarische activiteiten naar meer duurzame en landschappelijk inpasbare functies. Waar intensieve veehouderijen in toenemende mate druk leggen op milieu en leefomgeving, wordt met deze omschakeling juist gekozen voor een bedrijfsvorm die beter past bij de huidige maatschappelijke en beleidsmatige doelstellingen voor het buitengebied. Deze formulering doet recht aan de maatschappelijke trend, zonder de agrarische sector in zijn geheel te diskwalificeren.

Het initiatief draagt bovendien bij aan een veiligere leefomgeving. Door de beëindiging van de intensieve veehouderij verdwijnen risico’s die samenhangen met de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen (zoals mest, gas en chemische reinigingsmiddelen) en met dierziekten die in intensieve houderijen kunnen voorkomen. Ook de verkeersbewegingen nemen in aantal en zwaarte af, wat de verkeersveiligheid in de directe omgeving ten goede komt.

Conclusie

Met dit initiatief wordt concreet invulling gegeven aan de maatschappelijke doelen uit de Omgevingswet. Door de beëindiging van de intensieve veehouderij en de realisatie van een gebruiksgerichte paardenhouderij wordt bijgedragen aan:

  • een gezonde en veilige fysieke leefomgeving (beschermingsdoel), door afname van emissies, vermindering van risico’s en verbetering van de omgevingskwaliteit;
  • een doelmatige en toekomstbestendige benutting van de leefomgeving (benuttingsdoel), door hergebruik van de locatie voor een maatschappelijk gewenste, duurzame en landschappelijk ingepaste functie.

Daarmee levert het initiatief een aantoonbare en structurele bijdrage aan de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet.

Hoofdstuk 3 Voorbereiding

In dit hoofdstuk is een beschrijving opgenomen van de voorbereiding op de wijziging van het omgevingsplan die nodig is om het initiatief mogelijk te maken. Daarbij wordt ingegaan op welke stappen in de procedure al zijn gezet ter voorbereiding van de wijziging van het omgevingsplan.

3.1 Vooroverleg met de gemeente

Zoals al eerder omschreven in de inleiding van deze onderbouwing is het voor de initiatiefnemer om meerdere redenen noodzakelijk om op de locatie het initiatief mogelijk te maken. Hiervoor heeft eerst een vooroverleg met de gemeente plaatsgevonden. Daarbij is eerst een verzoek bij de gemeente Horst aan de Maas ingediend om mee te werken met het initiatief. In dat verzoek is uitgebreid omschreven waarom het initiatief wenselijk of noodzakelijk is en wat het initiatief precies inhoudt. Het ingediende verzoek is door de gemeente behandeld op de zogenaamde "intaketafel" en/of "omgevingstafel", waarbij de gemeente het verzoek op verschillende vakgebieden uitgebreid heeft beoordeeld.

Naar aanleiding van het verzoek heeft de gemeente aangegeven onder voorwaarden medewerking te willen verlenen met het initiatief. De gemeente heeft daarbij aangegeven dat zij de omschakeling van de intensieve veehouderij naar een paardenhouderij als voorstelbaar zien, mits sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en daarbij de mogelijke effecten van het initiatief op de fysieke leefomgeving goed zijn afgewogen. Deze toelichting dient als motivatie van deze afweging.

Daarnaast heeft de gemeente de volgende concrete voorwaarden gesteld:

  • Het is bij de uitwerking toegestaan om maximaal 10 grooms mogelijk te maken in het nieuwe bedrijf;
  • Gebouwen en voorzieningen dienen binnen bouwvlak gerealiseerd te worden, inclusief de piste;
  • Het is niet toegestaan om evenementen te organiseren.

Omdat de gemeente echter nog geen nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld dat aan de wettelijke standaarden voldoet kan dit alleen met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM).

3.2 Participatie

Participatie, of met andere woorden het betrekken van anderen bij het initiatief, is een belangrijk onderdeel van de Omgevingswet. Bij een nieuwe ontwikkeling is het belangrijk dat belangen van anderen die met die ontwikkeling te maken kunnen hebben, zoals bijvoorbeeld de buren, mee worden genomen in de afweging van het initiatief. De participatie moet in een vroeg stadium worden uitgevoerd, zodat op tijd alle belangen en meningen op tafel komen te liggen. Daarmee kan worden voorkomen dat er laat in het traject nog zaken op tafel komen die ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor de ontwikkeling.

In het kader van een goede participatie heeft een zorgvuldige dialoog met de omgeving plaatsgevonden. Daarbij heeft de initiatiefnemer de bewoners van de woningen aan de Broekhuizerdijk 53, 57 en 59 persoonlijk geïnformeerd over de plannen en is het gesprek met hen aangegaan. Geen van hen heeft aangegeven bezwaren te hebben op de plannen van de initiatiefnemer en geen van hen hebben aandachtspunten of verbeterpunten aangedragen. Van de dialoog is een verslag gemaakt. Dit verslag is opgenomen in bijlage 3 bij deze toelichting. Vanwege privacyoverwegingen zijn de persoonsgegevens in dit verslag onherkenbaar gemaakt.

Hoofdstuk 4 Beleidsmatige afweging

Een ontwikkeling moet passen binnen het beleid dat door zowel de gemeente als door de Rijksoverheid en de provincie is vastgesteld. Daarbij dient een afweging te worden gemaakt of een initiatief passend is binnen de uitgangspunten en regels die in de verschillende beleidsstukken zijn opgenomen of, wanneer een initiatief daar niet helemaal binnen past, dat met behulp van maatwerk sprake kan zijn van een aanvaardbare of wenselijke ontwikkeling. In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan het beleid dat is vastgesteld door de Rijksoverheid, de provincie, het waterschap en de gemeente.

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie
Het initiatief zal geen nadelige invloed hebben op de nationale belangen zoals zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie van de Rijksoverheid.  

Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de visie voor de lange termijn van de Rijksoverheid op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de duurzame leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting door strategische keuzes te maken. Ook maakt de NOVI ruimte voor maatwerk in de regio en werkt gebiedsgericht, dat wil zeggen bij de aanpak van de opgaven worden de kenmerken van het gebied als uitgangspunt genomen.

Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan.

Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:

  • een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio's rondom de mainports, brainports, greenports en valleys;
  • over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed;
  • een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is een ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie.
  • 2. duurzaam economisch groeipotentieel.
  • 3. sterke en gezonde steden en regio's.
  • 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies te vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte.
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere.
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze samenleving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

Met het initiatief wordt een intensieve veehouderij beëindigd, waardoor de emissies van ammoniak, geur en fijnstof verdwijnen. De vrijgekomen ruimte wordt vervolgens benut voor een nieuwe, duurzame invulling van het erf: een gebruiksgerichte paardenhouderij met een aanzienlijk lagere milieubelasting en een landschappelijk goed ingepaste inrichting.

Daarmee draagt dit initiatief bij aan meerdere nationale ambities uit de NOVI:

  • het realiseren van een gezonde leefomgeving door vermindering van emissies; het versterken van de kwaliteit en vitaliteit van het landelijk gebied;
  • het benutten van bestaande erven voor duurzame economische activiteiten in plaats van uitbreiding van landbouwproductie.

Conclusie

Zolang geen sprake is van een nationaal belang dat wordt geschaad en de ambities van de Rijksoverheid niet worden tegengewerkt, laat de NOVI de beoordeling en uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen over aan provincies en gemeenten. Het voorliggende initiatief sluit aan bij de nationale duurzaamheidsdoelen en werkt de ambities van het Rijk niet tegen. Integendeel: door uitvoering te geven aan de Lbv-regeling en de intensieve veehouderij ter plekke te beëindigen wordt bijgedragen aan een toekomstbestendige ontwikkeling van het gebied ter plaatse. De invloed op nabijgelegen Natura-2000 gebieden neemt af. Hiermee wordt juist bijgedragen aan de doelstellingen van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en de transitie naar een duurzaam en toekomstbestendig landelijk gebied.

4.1.2 Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv)

De Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) is een beleidsinstrument van het Rijk dat direct aansluit bij de doelstellingen van de NOVI, met name de prioriteit ‘toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied’. Via deze regeling stimuleert het Rijk de vermindering van stikstofemissies, de verbetering van de leefomgeving en het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied.

Door deelname aan de Lbv wordt de intensieve veehouderij op de locatie structureel beëindigd, waardoor de emissies van ammoniak, geur en fijnstof verdwijnen. De vrijgekomen ruimte wordt vervolgens benut voor een nieuwe, duurzame invulling van het erf: een gebruiksgerichte paardenhouderij met een aanzienlijk lagere milieubelasting en een landschappelijk goed ingepaste inrichting.

Het voorliggende initiatief sluit aan bij de nationale duurzaamheidsdoelen en werkt de ambities van het Rijk niet tegen. Integendeel: door uitvoering te geven aan de Lbv-regeling en de intensieve veehouderij ter plekke te beëindigen wordt bijgedragen aan een toekomstbestendige ontwikkeling van het gebied ter plaatse. De invloed op nabijgelegen Natura-2000 gebieden neemt af. Hiermee wordt juist bijgedragen aan de doelstellingen van de Rijksoverheid en de transitie naar een duurzaam en toekomstbestendig landelijk gebied.

4.1.3 Besluit kwaliteit leefomgeving
Het initiatief zal geen nadelige invloed hebben op de nationale belangen. Het initiatief betreft daarnaast geen nieuwe stedelijke ontwikkeling, waarmee geen nadere afweging van de behoefte hoeft te worden gemaakt. Verdere toetsing aan de normen uit het Bkl vindt plaats bij de toetsing aan het beleid van de provincie, het waterschap en de gemeente.  

Op 3 juli 2018 heeft de Rijksoverheid het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) vastgesteld. Met ingang van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is ook het Bkl in werking getreden. Het Bkl is één van de vier Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) die verdere invulling geven aan de Omgevingswet. In het Bkl zijn inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en de Rijksoverheid opgenomen voor het behalen van de nationale doelstellingen en het voldoen aan de internationale verplichtingen.

Het Bkl bestaat uit instructieregels (voor programma's, omgevingsplannen, omgevingsverordeningen, waterschapsverordeningen en projectbesluiten), omgevingswaarden, regels voor omgevingsvergunningen en regels over monitoring en informatie. Provincies, gemeenten en waterschappen dienen de regels uit het Bkl door te vertalen in hun beleid. Een verdere toetsing aan de normen uit het Bkl vindt dan ook plaats bij de toetsing aan het beleid van de provincie, het waterschap en de gemeente.

In het Bkl is verder de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Dit houdt in dat wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling er een zorgvuldige afweging gemaakt dient te worden van de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte van de betreffende ontwikkeling.

De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.

Met het initiatief is sprake van de beëindiging van een intensief veehouderijbedrijf, waarbij de agrarische functie wordt omgeschakeld naar een gebruiksgerichte paardenhouderij .

Het initiatief voorziet niet in de ontwikkeling van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties en/of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Een verdere afweging van de (kwalitatieve en kwantitatieve) behoefte is daarmee dan ook niet nodig.

4.2 Provinciaal beleid

4.2.1 Omgevingsvisie Limburg
Het initiatief past goed binnen de doelstellingen en uitgangspunten die de provincie heeft opgenomen in de Omgevingsvisie Limburg.  

De provincie Limburg heeft op 1 december 2023 de Omgevingsvisie Limburg gepubliceerd, welke op 1 januari 2024 in werking is getreden. De omgevingsvisie bevat de doelstellingen van de provincie voor zover sprake is van een provinciaal belang. De doelstellingen zijn niet juridisch bindend, maar bieden het kader voor de instructieregels die de provincie vastlegt in de provinciale omgevingsverordening, welke gemeenten vervolgens moeten verwerken in hun omgevingsplannen.

Transitie van het buitengebied
Omdat landbouwgrond steeds schaarser wordt en de verstedelijking toeneemt, wordt het buitengebied steeds meer gezien als vindplaats voor oplossingen voor stedelijke opgaven. Daarnaast vraagt de transitie van de landbouw om een andere benutting van de landbouwgrond. Het landelijk gebied is daardoor steeds minder een productieruimte en steeds meer een consumptieruimte, waarin wordt gewoond, gewerkt en gerecreëerd. De provincie stimuleert daarom de verweving van functies in het buitengebied en het meervoudig gebruik van gronden.

Bedrijfsontwikkeling en duurzaamheid
Voor de omschakeling van een intensieve veehouderij naar een gebruiksgerichte paardenhouderij zijn in de visie geen concrete doelstellingen opgenomen. Wel zijn algemene doelstellingen voor bedrijvigheid opgenomen. Vanuit de provincie wordt daarbij ingezet op de versterking van de regionale economische structuur binnen een excellent vestigingsklimaat met een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie. Concreet wil de provincie een circulaire economie stimuleren, waarin energie, grondstoffen, materialen en componenten zo lang mogelijk en weloverwogen van waarde blijven.

Met het initiatief wordt de bestaande, verouderde bedrijfsbebouwing gesloopt en wordt nieuwe, duurzame bedrijfsbebouwing opgericht. De nieuwe bebouwing wordt ontworpen met aandacht voor energiezuinigheid, hergebruik van materialen en beperking van energieverbruik, overeenkomstig de geldende eisen en richtlijnen voor duurzaam bouwen. Hiermee wordt invulling gegeven aan de provinciale ambitie om duurzaam en circulair te ondernemen.

Daarnaast wordt ingezet op een zo diervriendelijk mogelijke manier van stallen, trainen en africhten van paarden. De paarden krijgen voldoende ruimte in de stal en kunnen iedere dag naar buiten. Daarnaast zijn paarden sociale dieren en hebben voldoende gezelschap nodig. Door voldoende beweiding en een open opzet van de stallen hebben de paarden voldoende sociale interactie met elkaar. Het initiatief draagt daarmee bij aan een verbeterd dierwelzijn. Daarnaast wordt te allen tijde voldaan aan de geldende wet- en regelgeving omtrent dierenwelzijn en goede huisvesting, waarmee wordt geborgd dat het houden en trainen van paarden op verantwoorde wijze plaatsvindt.

Verbetering van leefomgeving en emissiereductie
De provincie streeft naar een verbetering van de leefkwaliteit rondom (intensieve) veehouderijen en overige land- en tuinbouwbedrijven. Belangrijke aandachtspunten zijn de afname van emissies van geur, fijnstof en ammoniak en het verkleinen van mogelijke risico's voor de volksgezondheid. Daarnaast richt de provincie zich op het beperken van stikstofdepositie op daarvoor gevoelige natuurgebieden.

Door de beëindiging van de intensieve veehouderij en de omschakeling naar een paardenhouderij neemt de milieuhinder aanzienlijk af, zowel voor de omgeving als voor de omliggende natuurgebieden. De paardenhouderij heeft een stikstofemissie van 420 kg NOx. Dit is, zoals nader is aangetoond middels berekeningen met het rekenprogramma AERIUS-calculator (zie bijlage 5 van deze toelichting) een daling van meer dan 85% ten opzichte van de huidige situatie. Hierdoor ontstaat een positief effect op het woon- en leefklimaat van de omliggende burgerwoningen.

Inpassing in het landelijk gebied
De locatie is gelegen in het deelgebied ‘Landelijk gebied’ met de verdere specificatie ‘buitengebied’. Het gebied betreft de landelijke gebieden op de Zuid-Limburgse plateaus en op de hogere zandgronden in Noord- en Midden-Limburg. Hier is, rekening houdend met natuurlijke omstandigheden en ruimteclaims vanuit transitieopgaven, een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk.

De uitvoering van een gebruiksgerichte paardenhouderij is op deze locatie mogelijk, mits rekening wordt gehouden met natuurlijke omstandigheden en ruimteclaims. Het gebied is gemengd van karakter, met zowel agrarische als niet-agrarische functies. De bedrijven in de omgeving zijn voornamelijk agrarisch, terwijl niet-agrarische functies vooral bestaan uit burgerwoningen. Hoewel het initiatief geen overwegend agrarisch bedrijf betreft, heeft de paardenhouderij een agrarische uitstraling en sluit het goed aan bij het agrarisch karakter van het landschap. Door de beëindiging van de intensieve veehouderij neemt de milieuhinder af, wat een positief effect heeft op het woon- en leefklimaat van de omliggende woningen. Er is daarmee sprake van een ontwikkeling die rekening houdt met de natuurlijke omstandigheden en ruimteclaims van het gebied.

Conclusie provinciaal beleid
Het initiatief sluit goed aan bij de doelstellingen en beleidsuitgangspunten van de Omgevingsvisie Limburg. Het draagt bij aan:

  • Duurzaam en circulair ondernemen;
  • Verbetering van het woon- en leefklimaat;
  • Beperking van emissies en stikstofdepositie;
  • Inpassing in het landelijk gebied met behoud van het agrarische karakter.
4.2.2 Omgevingsverordening Limburg
Het initiatief is niet in strijd met de regels die de provincie heeft opgenomen in de provinciale omgevingsverordening.  

De provincie Limburg heeft op 1 januari 2024 de Omgevingsverordening Limburg vastgesteld. Deze is op meerdere punten gewijzigd en geactualiseerd. De meest recente versie is op 3 februari 2025 gepubliceerd en in werking getreden. De omgevingsverordening bevat de juridische vertaling van de doelstellingen en beleidsuitgangspunten uit de provinciale omgevingsvisie, waarbij deze zijn vastgelegd in instructieregels die de verschillende gemeenten in hun omgevingsplannen moeten verwerken.

De provinciale omgevingsverordening bevat geen specifieke regels voor de omschakeling van een intensieve veehouderij naar een gebruiksgerichte paardenhouderij. Voor bedrijven gelden alleen instructieregels voor detailhandel, kantoren, bedrijventerreinen en vrijetijdseconomie.

Met het initiatief is sprake van een solitair bedrijf ter plaatse van een vrijkomende agrarische bedrijfslocatie. Er is geen sprake van detailhandel, kantoren, bedrijventerreinen of vrijetijdseconomie. Het initiatief is daarmee niet in strijd met de regels voor bedrijvigheid zoals zijn opgenomen in de provinciale omgevingsverordening.

Vanuit de verordening gelden voor bepaalde gebieden nog aanvullende regels waaraan moet worden voldaan indien een ontwikkeling in deze gebieden plaatsvindt. De locatie is gelegen in de volgende gebieden:

  • Buitengebied: De locatie valt binnen het algemeen buitengebied. Hier zijn solitaire functies mogelijk, mits deze passen binnen de natuurlijke en ruimtelijke kwaliteiten van het landschap. De geplande paardenhouderij is kleinschalig en landschappelijk inpasbaar, waardoor hiermee rekening wordt gehouden.
  • Overstromingskansgebied C: De locatie ligt in een gebied met een beperkte overstromingskans. Voor de voorgenomen functies geldt dat deze geen extra risico’s met zich meebrengen en voldoen aan de geldende veiligheidsnormen.
  • Venloschol: De aanduiding betreft een geologisch waardevol gebied. Het initiatief beïnvloedt de bodemkundige en landschappelijke kenmerken van het gebied niet op een wijze die in strijd is met de verordening.
  • Natuurnetwerk Limburg (NNL): Hoewel het NNL hier niet direct aanwezig is, wordt het aspect natuur en stikstofdepositie wel meegenomen bij de milieutoetsing, zoals verderop in de milieuparagrafen is beschreven.

Conclusie

Voor het initiatief is rekening gehouden met de relevante aanduidingen uit de Omgevingsverordening Limburg. Er zijn geen juridische belemmeringen of conflicten met de provinciale regels, en de ontwikkeling kan planologisch en ecologisch verantwoord plaatsvinden.

Het initiatief is daarmee niet in strijd met de regels die gelden voor specifieke gebieden.

Op basis van het voorgaande is het initiatief daarmee niet in strijd met de regels zoals zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg van de provincie Limburg.

4.3 Beleid van het waterschap

De locatie valt binnen het werkgebied van het Waterschap Limburg (hierna: het waterschap).

4.3.1 Waterbeheerprogramma
Het initiatief heeft geen nadelige gevolgen voor de doelstellingen en uitgangspunten die het waterschap heeft opgenomen in het waterbeheerprogramma.  

Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen nodig zijn om de watertaken goed te kunnen uitvoeren. Dit gebeurt in het waterbeheerprogramma (WBP). Op 8 december 2021 heeft het algemeen bestuur het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld.

In het Waterbeheerprogramma is per watertaak uitgewerkt wat het waterschap de komende planperiode wil bereiken en hoe. Kort samengevat gaat het om:

  • Hoogwaterbescherming Maasvallei: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas.
  • Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden.
  • Waterkwaliteit en ecologie: het water is schoon en wateren zijn natuurlijk ingericht.
  • Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken.

De locatie is niet nabij een waterkering gelegen en zal daarmee geen nadelige invloed hebben op de werking van waterkeringen. Het initiatief zal de doelstellingen voor hoogwaterbescherming in de Maasvallei daarmee niet in de weg staan.

Zoals nader omschreven in de paragraaf "Duurzaam ontwikkelen" (paragraaf 5.13) wordt met het initiatief voldoende rekening gehouden met klimaatadaptatie. Het initiatief zal de doelstellingen voor klimaatadaptatie daarmee niet in de weg staan.

Met het initiatief is geen sprake van activiteiten die het grondwater en/of het oppervlaktewater verontreinigen. Daarnaast is geen sprake van een mogelijke aantasting van de kwaliteit van het water en/of van de natuurlijke inrichting daarvan. Het initiatief zal de doelstellingen voor de waterkwaliteit en ecologie daarmee niet in de weg staan.

Met het initiatief is geen sprake van een toename van het waterverbruik en/of van de manier van omgaan met (afval)water. Het initiatief zal de doelstellingen voor zuiveren en waterketen daarmee niet in de weg staan.

Er is daarmee geen sprake van nadelige gevolgen voor de doelstellingen die zijn verwoord in het waterbeheerprogramma van het waterschap.

4.3.2 Waterschapsverordening
Het initiatief is niet in strijd met de regels en uitgangspunten die het waterschap heeft opgenomen in de waterschapsverordening.  

Gemeenten en provincies moeten omgevingsvisies opstellen voor het eigen grondgebied. Waterschappen stellen zelf geen omgevingsvisie op, maar hebben wel beleidsdoelen. Het is de bedoeling dat ze hun beleid inbrengen als gemeenten en provincies hun omgevingsvisies opstellen. Het waterschap kan als waterbeheerder de ambities en beleidskeuzes wel in een visie of ander beleidsdocument aangeven. Daarnaast stelt het waterschap een waterschapsverordening vast. De waterschapsverordening bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die het waterschap stelt binnen haar beheergebied.

Het waterschap heeft op 1 januari 2024 de waterschapsverordening vastgesteld.

In de waterschapsverordening staan regels over wat wel en niet mag in en nabij water, dijken en stuwen. De werkingsgebieden bij de waterschapsverordening laten de zones zien waarop de regels uit waterschapsverordening van toepassing zijn. Deze zoneringen betreffen:

  • de wateren, zoals rivieren, beken, sloten en vennen in het werkgebied;
  • grondwatergevoelige gebieden;
  • lijnvormige elementen;
  • de dijken, regenwaterbuffers, stuwen, sluisdeuren en andere objecten waarmee het water wordt beheerd of beïnvloed.

De locatie is nabij een secundaire watergang gelegen. Het initiatief vindt echter buiten de beschermingszone van deze watergang plaats.

Daarnaast geldt een algemene zorgplicht voor handelingen in het watersysteem en/of de bijbehorende beschermingszones. Met het initiatief is geen sprake van handelingen in het watersysteem en/of de bijbehorende beschermingszones.

Het initiatief is daarmee niet in strijd met de regels zoals zijn opgenomen in de waterschapsverordening van het waterschap.

4.4 Gemeentelijk beleid

4.4.1 Gemeentelijke structuurvisie
Het initiatief past goed binnen de doelstellingen en uitgangspunten die de gemeente heeft opgenomen in de gemeentelijke structuurvisie.  

De gemeente Horst aan de Maas heeft op 26 november 2019 de Structuurvisie Horst aan de Maas vastgesteld. De gemeente is, vanuit de Omgevingswet, bezig om voor het gehele grondgebied een omgevingsvisie en een omgevingsplan op te stellen. Totdat deze gereed zijn, is het omgevingsplan van rechtswege leidend. Hetzelfde geldt voor de voormalige structuurvisie. Tot het moment dat de gemeente een nieuwe omgevingsvisie heeft vastgesteld, is de voormalige structuurvisie het toetsingsinstrument op hoofdlijnen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

De visie bevat het ruimtelijk beleid van de gemeente op hoofdlijnen met een doorkijk naar de langere termijn. De structuurvisie is niet juridisch bindend, maar biedt het ruimtelijk kader bij het opstellen van omgevingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd.

De doelstelling die de gemeente heeft met de visie is drieledig. Enerzijds dient de structuurvisie een integraal beeld te vormen van de ontwikkelingen die de gemeente voor ogen staat voor de langere termijn. Daarnaast verschaft de gemeente inzicht hoe zij nieuwe initiatieven afweegt en welke randvoorwaarden hier eventueel bij gelden. Tenslotte biedt de visie kansen optimaal gebruik te maken van mogelijkheden voor het plegen van bovenplans kostenverhaal, zoals die zijn opgenomen in de Wro en de Grex-wet.

Een uitwerking van het Limburgs Kwaliteitsmenu in de gemeentelijke visie vormt de basis voor het vragen van een kwaliteitsbijdrage voor ontwikkelingen in het buitengebied en in de dorpen.

Voor bedrijvigheid heeft de gemeente met name doelstellingen voor bedrijventerreinen, risicovolle bedrijven en detailhandel opgenomen. Voor solitaire bedrijvigheid in het landelijk gebied zijn in de visie geen concrete doelstellingen of ambities opgenomen.

Verder heeft de gemeente in de visie verschillende gebieden aangewezen waarvoor elk afzonderlijke uitgangspunten gelden. De locatie is gelegen in een gebied dat is aangemerkt als ‘zoekgebied bos en natuur’. Deze zoekgebieden zijn bedoeld om de intensief gebruikte gebieden en de meer extensieve gebieden van elkaar te scheiden.

Voor een nieuwe invulling van vrijkomende agrarische bedrijfslocaties (VAB) in de zoekgebieden voor bos en natuur hanteert de gemeente een zogenaamde “ja, mits”-benadering. Dit betekent dat nieuwe economische dragers kunnen worden toegestaan, mits negatieve effecten op de omgeving worden voorkomen of beperkt, een goede landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd en eventueel sloop van bestaande bebouwing plaatsvindt. Voor het onderhavige initiatief kan op deze manier maatwerk worden toegepast.

Een van de belangrijke aspecten voor het maatwerk is de bijdrage van een ontwikkeling aan de ruimtelijke kwaliteit. Ten behoeve van het initiatief zal, zoals nader omschreven in de paragraaf “Landschappelijke inpassing” (paragraaf 2.2), worden voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Daarbij zal het erf op een passende wijze worden ingepast in het landschap, waarbij wordt aangesloten bij landschappelijke kenmerken en kwaliteiten in de omgeving. Het initiatief draagt daarmee bij aan de ruimtelijke kwaliteit.

Daarnaast is het verminderen van de milieuhinder van veehouderijen en het behoud en de versterking van natuurlijke waarden van belang. Met het initiatief wordt een intensieve veehouderij beëindigd en omgeschakeld naar een gebruiksgerichte paardenhouderij. De gewenste paardenhouderij veroorzaakt een aanzienlijk lagere milieuhinder dan de huidige intensieve veehouderij. Het initiatief zal daarmee een positief effect hebben op het woon- en leefklimaat in de omgeving. Daarnaast zal de emissie van ammoniak, en daarmee de depositie van stikstof in de daarvoor gevoelige natuurgebieden, aanzienlijk lager zijn dan die van de huidige intensieve veehouderij. Dit zal een positief effect hebben op de natuurlijke waarden in de omgeving.

Het initiatief wordt opgezet vanuit deelname aan de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijbedrijven (Lbv), welke is gericht op het terugdringen van de depositie van stikstof op de daarvoor gevoelige gebieden. Het initiatief draagt daarmee bij aan het behoud en de versterking van de natuurlijke waarden.

Vanuit de visie wordt het aanleggen van erfbeplanting aangemerkt als “zeer gewenst” in de zoekgebieden bos en natuur. Met de landschappelijke inpassing wordt daarmee extra bijgedragen aan de ruimtelijke kwaliteit in het zoekgebied.

Op basis van het voorgaande wordt in voldoende mate bijgedragen aan de ruimtelijke kwaliteit en de doelstellingen die de gemeente heeft opgenomen in de visie voor natuur, waarmee maatwerk kan worden toegepast.Het initiatief past daarmee dan ook binnen de doelstellingen en ambities die zijn opgenomen in de Structuurvisie Horst aan de Maas van de gemeente Horst aan de Maas, inclusief de mogelijkheid om nieuwe economische dragers in vrijkomende agrarische bebouwing toe te laten volgens de “ja, mits”-benadering.

Hoofdstuk 5 Afweging effecten op de fysieke leefomgeving

Een van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is het zorg dragen voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Om te bepalen of daar sprake van is moet een zorgvuldige afweging worden gemaakt van de mogelijke effecten van een ontwikkeling op de fysieke leefomgeving. Aan de hand van die afweging kan worden bepaald of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dit hoofdstuk wordt deze afweging gemaakt.

5.1 Beoordeling m.e.r.

Met het initiatief is geen sprake van activiteiten waarvoor een verplichting voor het opstellen van een milieueffectrapportage en/of een beoordelingsplicht geldt. Een verdere beoordeling is daarmee niet nodig.  

Vanuit de Omgevingswet geldt een verplichting voor het opstellen van een milieueffectrapportage als sprake is van een plan of programma dat aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Om te kunnen bepalen of sprake is van een dergelijk plan of programma dient eerst te worden bekeken welke activiteiten met het plan of programma mogelijk worden gemaakt en of deze activiteiten kunnen leiden tot aanzienlijke milieueffecten. In het Omgevingsbesluit is, in bijlage V daarvan, een overzicht opgenomen voor welke activiteiten een beoordelingsplicht geldt. Komt een activiteit niet op de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit dan geldt voor die activiteit geen beoordelingsplicht en hoeft dus geen milieueffectrapportage te worden opgesteld.

Als een activiteit wel op de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit voorkomt dan moet verder worden bekeken wanneer sprake is van een beoordelingsplicht of wanneer er meteen een milieueffectrapportage moet worden gemaakt. Voor elk van de in de lijst voorkomende activiteiten zijn gevallen opgenomen wanneer voor die activiteit een beoordelingsplicht geldt. Daarnaast is in de lijst voor elk van deze activiteiten opgenomen wanneer een milieueffectrapportage moet worden opgesteld.

Met het initiatief is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij, waarbij deze wordt omgeschakeld naar een gebruiksgerichte paardenhouderij.

Voor het houden van paarden geldt geen beoordelingsplicht. Voor bedrijvigheid geldt verder alleen een beoordelingsplicht als sprake is van een industrieterrein en/of van een stedelijk ontwikkelingsproject. Met het initiatief is sprake van een solitair bedrijf in het landelijk gebied. Er is geen sprake van een industrieterrein. Daarnaast is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Besluit kwaliteit leefomgeving" (paragraaf 4.1.3), geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject.

Voor het initiatief geldt daarmee geen nadere beoordelingsplicht en hoeft geen milieueffectrapportage te worden opgesteld.

5.2 Activiteiten en milieuzonering

Binnen de geluidruimte zone en/of geurruimte zone van de locatie zijn gevoelige gebouwen gelegen. Daarmee is een nadere afweging nodig of de maximale waarden die de activiteiten mogen veroorzaken op gevoelige gebouwen worden overschreden of niet. Deze afweging is verderop in deze toelichting gemaakt in de paragrafen "Geluid" (paragraaf 5.3) en "Geur" (paragraaf 5.4). Uit deze nadere afweging verderop in deze toelichting blijkt dat de maximale waarden op de betreffende gevoelige gebouwen niet worden overschreden.

Met het initiatief is sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige gebouwen en/of de wijziging van de functie van bestaande gevoelige gebouwen. De locatie is echter buiten de geluidruimte zones en geurruimte zones van omliggende functies en bedrijven gelegen. Daarmee zullen de maximale waarden voor geluid en geur die ter plaatse van de locatie mogen worden ondervonden niet worden overschreden en zal geen sprake zijn van een (verder) beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende functies en/of bedrijven.  

In de Omgevingswet is het belangrijk dat er sprake is van een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Dat wil zeggen dat het ruimtelijke spoor en het milieuspoor verder samen geïntegreerd worden. Deze integratie vindt plaats op lokaal niveau en wordt geregeld in het omgevingsplan. In de praktijk vraagt dit om maatwerk met een lokale afweging per locatie in plaats van een meer algemene afweging.

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in 2024 de publicatie "Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet" met de daarbij behorende staalkaart en tabel met activiteiten gepubliceerd. De kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te regelen op basis van een voor een locatie beschikbare milieuruimte per activiteit, aan de hand van concrete milieuwaarden. Er wordt daarbij vooral ingegaan op "Geluid door activiteiten" en "Geur", uit de Omgevingswet, zoals zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Met de publicatie kan beter een inschatting worden gemaakt of een activiteit voor wat betreft de benodigde gebruiksruimte voor geluid en geur in een bepaald gebied inpasbaar is.

In de tabel met activiteiten die de VNG bij de publicatie heeft opgenomen zijn voor elk van de activiteiten zogenaamde "geluidruimte zones" en "geurruimte zones" opgenomen. Binnen deze zones zijn in de publicatie richtwaarden voor geluid en geur opgenomen waaraan een activiteit moet voldoen. Met andere woorden, de activiteit mag maximaal de richtwaarden aan geluidhinder en geurhinder veroorzaken op gevoelige gebouwen die binnen de "geluidruimte zone" en "geurruimte zone" van die activiteit gelegen zijn. De zones en richtwaarden van de VNG zijn richtlijnen en geen harde normen. Uiteindelijk bepaalt de gemeente zelf bij het opstellen van het omgevingsplan welke waarden, normen en afstanden aangehouden moeten worden. Voor nieuwe activiteiten bieden de zones en richtwaarden echter wel een goed eerste toetsingskader.

In de publicatie van de VNG wordt onderscheid gemaakt tussen gebieden die zijn aan te merken als "rustige woonwijk/rustig buitengebied" en gebieden die zijn aan te merken als "gemengd gebied". Een gemengd gebied is een gebied waarin meerdere functies naast elkaar voorkomen of een gebied dat aan een (drukke) ontsluitingsweg ligt. In een dergelijk gebied is een zekere mate van hinder te verwachten, waardoor in gemengde gebieden meer ruimte is voor activiteiten.

De locatie is gelegen in een gebied dat niet kan worden gezien als een "gemengd gebied". Daarom wordt het gebied waarin de locatie is gelegen aangemerkt als "rustige woonwijk" of "rustig buitengebied".

Met het initiatief is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij, waarbij deze wordt omgeschakeld naar een gebruiksgerichte paardenhouderij. Het bouwvlak wordt daarbij niet gewijzigd.

Het houden van paarden valt, vanuit de tabel met activiteiten van de VNG, onder geluidruimte zone 1 en onder geurruimte zone 2. Omdat de locatie in een "rustige woonwijk/rustig buitengebied" is gelegen is de geluidruimte zone 30 meter en de geurruimte zone 50 meter groot. Wanneer binnen deze afstanden van de locatie voor geluid en/of geur gevoelige gebouwen zijn gelegen dan moet worden gekeken of met de activiteit aan de maximale waarden voor geur en geluid kan worden voldaan.

Het bouwvlak van de initiatiefnemer bestaat uit twee delen. Op één deel is de huidige bedrijfsbebouwing aanwezig. Op dat deel zal de nieuwe bedrijfsbebouwing worden opgericht. Op het andere deel van het bouwvlak wordt alleen de (reeds vergunde) bedrijfswoning met de daarbij behorende bijgebouwen opgericht. Omdat vanuit de bedrijfswoning met bijgebouwen geen milieuhinder wordt veroorzaakt is gemeten vanaf het deel van het bouwvlak van de initiatiefnemer waarop de bedrijfsgebouwen worden opgericht.

Het dichtstbijzijnde gevoelige gebouw betreft de agrarische bedrijfswoning aan de Broekhuizerdijk 53. Deze woning is, gemeten vanaf het bouwvlak van de initiatiefnemer tot aan de gevel van de woning, gelegen op een afstand van ongeveer 105 meter, waarmee de betreffende woning niet binnen de geluidruimte zone en geurruimte zone van het bedrijf van de initiatiefnemer is gelegen.

Echter gelden vanuit het geldende omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas geen beperkingen voor het herbouwen van een bedrijfswoning en geldt geen minimale afstand tot de bouwperceelsgrens. Om die reden mag het betreffende bedrijf aan de Broekhuizerdijk 53 in theorie overal binnen het bouwvlak de bedrijfswoning herbouwen. Daarom moet formeel worden gemeten van het bouwvlak van de initiatiefnemer tot aan het bouwvlak van het betreffende bedrijf. Het bouwvlak van het betreffende bedrijf is gelegen op een afstand van ongeveer 18 meter van de locatie. Het betreffende bedrijf is daarmee binnen de geluidruimte zone en geurruimte zone van het bedrijf van de initiatiefnemer gelegen.

De daarna dichtstbijzijnde gevoelige functie betreft de burgerwoning aan de Broekhuizerdijk 57 en is, gemeten vanaf het bouwvlak van deze woning tot aan het bouwvlak van de initiatiefnemer waarop de bedrijfsgebouwen worden opgericht, gelegen op een afstand van ongeveer 117 meter van de locatie. Binnen de geluidruimte zone en geurruimte zone van het bedrijf van de initiatiefnemer zijn daarmee, behalve de agrarische bedrijfswoning aan de Broekhuizerdijk 53, verder geen gevoelige gebouwen gelegen.

Voor het bedrijf aan de Broekhuizerdijk 53 dient, omdat deze locatie wel binnen de geluidruimte zone en geurruimte zone van het bedrijf van de initiatiefnemer is gelegen, een nadere afweging op het gebied van geluid en geur worden gemaakt. Deze verdere afweging is opgenomen in de paragrafen "Geluid" (paragraaf 5.3) en "Geur" (paragraaf 5.4) van deze toelichting. Uit deze verdere afweging blijkt dat het initiatief niet zal leiden tot een overschrijding van de normen die gelden voor geluid en geur uit het gemeentelijke omgevingsplan. Daarmee is het initiatief inpasbaar op het gebied van geluid en geur.

Als sprake is van het oprichten van een nieuw gevoelig gebouw of als een bestaand gevoelig gebouw van functie verandert dan is het belangrijk dat dit nieuwe of gewijzigde gevoelige gebouw niet zal leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies en/of bedrijven.

Bij het initiatief wordt een bedrijfswoning opgericht. Deze bedrijfswoning is echter reeds vergund als bedrijfswoning bij de intensieve veehouderij. De toetsing aan de milieuaspecten heeft bij de vergunningverlening al plaatsgevonden. Omdat de vergunde agrarische bedrijfswoning in gebruik wordt genomen als agrarische bedrijfswoning bij de paardenhouderij is geen sprake van wijzigingen ten aanzien van de huidige vergunde situatie. De bedrijfswoning wordt daarmee niet beschouwd als nieuw gevoelig gebouw en hoeft derhalve niet opnieuw te worden getoetst.

Met het initiatief worden verder verblijven voor grooms en ruiters mogelijk gemaakt. Dit betreffen wel nieuwe gevoelige gebouwen. Het is daarom van belang om te kijken welke soort functies en activiteiten in de omgeving aanwezig zijn die mogelijk zouden kunnen worden beperkt door een nieuw of gewijzigd gevoelig gebouw. In de nabije omgeving van de locatie (binnen ongeveer 300 meter) zijn de volgende functies en/of bedrijven gelegen die beperkt zouden kunnen worden door een nieuw of gewijzigd gevoelig gebouw:

Type functie/bedrijf   Adres   Afstand tot de locatie   Geluidruimte zone   Geurruimte zone  
Varkenshouderij   Broekhuizerdijk 53   18 meter   30 meter   50 meter  

Hoewel de afstand tot de locatie 18 meter bedraagt, worden de appartementen voor grooms en ruiters op een afstand van tenminste 55 meter gerealiseerd. Het is daarmee niet te verwachten dat ter plaatse van de locatie sprake zal zijn van een overschrijding van de maximale waarden voor geluid en geur die ter plaatse van het gevoelig gebouw op de locatie mag worden ondervonden. Er is daarmee geen sprake van een (verdere) beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende functies en/of bedrijven in de omgeving.

5.3 Geluid

5.3.1 Geluid door activiteiten
Bij het initiatief is geen sprake van het uitvoeren van activiteiten waarvoor in ieder geval een akoestisch onderzoek nodig is. Binnen de geluidruimte zone van de activiteiten die op de locatie worden uitgevoerd zijn wel geluidgevoelige gebouwen gelegen. Er zal echter geen sprake zijn van geluidhinder op deze geluidgevoelige gebouwen.

Bij het initiatief is sprake van het oprichten of wijzigen van geluidgevoelige gebouwen. Echter is de locatie buiten de geluidruimte zones van omliggende functies, bedrijven en/of activiteiten gelegen. Daarmee zal geen van de functies, bedrijven en/of activiteiten in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.  

Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat geluidgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluid van activiteiten in de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

  • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
  • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Gemeenten moeten voor de bescherming van deze geluidgevoelige gebouwen regels opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels die gemeenten bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moeten nemen. In deze instructieregels staan standaardwaarden en grenswaarden. Binnen deze waarden hebben gemeenten de ruimte om naar eigen inzicht normen in het omgevingsplan op te nemen die zij voor de geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar vinden. De geldende normen voor wat betreft geluid zijn dan ook opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente. Ook mag een gemeente in het omgevingsplan nog extra gebouwen aanwijzen als geluidgevoelig gebouw als daar voldoende aanleiding voor is. Dit moet door de gemeente dan wel goed worden onderbouwd in het omgevingsplan.

De gemeente Horst aan de Maas heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor geluid hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

In het geldende omgevingsplan zijn een aantal activiteiten opgenomen waarvoor in ieder geval een akoestisch onderzoek wordt gevraagd. Bij het initiatief worden geen van die activiteiten uitgevoerd. Er is daarmee geen sprake van activiteiten ter plaatse waarvoor in ieder geval een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Wel moet met de het initiatief aan de normen die gelden voor geluid uit het geldende omgevingsplan worden voldaan.

Met het initiatief is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij, waarbij deze wordt omgeschakeld naar een gebruiksgerichte paardenhouderij. Het is van belang om na te gaan of de paardenhouderij mogelijk leidt tot geluidoverlast aan gevoelige gebouwen in de omgeving.

Binnen de geluidruimte zone van het bedrijf van de gewenste paardenhouderij is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Activiteiten en milieuzonering" (paragraaf 5.2), alleen het agrarisch bedrijf met de daarbij behorende agrarische bedrijfswoning aan de Broekhuizerdijk 53 gelegen. De bedrijfswoning bij dit bedrijf is (ruimschoots) buiten de geluidruimte zone van het bedrijf van de initiatiefnemer gelegen. Echter gelden vanuit het geldende omgevingsplan van de gemeente geen beperkingen op het herbouwen van de bedrijfswoning en geldt geen minimale afstand tot de bouwperceelsgrens. Daarmee mag de bedrijfswoning van het betreffende bedrijf in theorie overal binnen het bouwvlak worden opgericht. Omdat het bouwvlak van het betreffende bedrijf wel binnen de geluidruimte zone van het bedrijf van de initiatiefnemer is gelegen dient te worden aangetoond dat de gewenste paardenhouderij niet zal leiden tot een onevenredige geluidhinder aan het betreffende bedrijf en dat aan de normen voor geluid uit het geldende omgevingsplan kan worden voldaan.

Vanuit het geldende omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas geldt dat de geluidbelasting aan gevoelige gebouwen niet meer mag bedragen dan:

  • 50 decibel (dB) tijdens de dagperiode (7:00 - 19:00);
  • 45 dB tijdens de avondperiode (19:00 - 23:00);
  • 40 dB tijdens de nachtperiode (23:00 - 7:00).

Hieruit blijkt dat in de huidige situatie al geen sprake is van overschrijding van de geldende normen voor geluid door de bedrijvigheid van de initiatiefnemer.

De gewenste paardenhouderij heeft een lagere geluidsimpact dan de huidige intensieve veehouderij. Dit heeft verschillende redenen:

  • De geluidruimtezone van de huidige veehouderij is groter en valt onder categorie 3, terwijl een paardenhouderij valt onder categorie 2. Hierdoor is het maximaal toegestane geluidsniveau voor de paardenhouderij lager.
  • Apparatuur die in de huidige situatie geluid produceert, zoals ventilatoren en luchtwassers, vervalt volledig bij de omschakeling naar de paardenhouderij.
  • De aard van de activiteiten op de paardenhouderij (stalling, training en africhting) produceert over het algemeen minder continue en lagere geluidsniveaus dan de intensieve veehouderij.

Daarnaast biedt de geografische situering van de nieuwe bebouwing extra zekerheid:

  • Het aangepaste bouwvlak wordt ten opzichte van de Broekhuizerdijk 53 met 9 meter opgeschoven, wat bijdraagt aan een gegarandeerde minimale afstand tussen gebouwen en omliggende woningen.
  • Er wordt altijd een minimale afstand van 50 meter aangehouden tussen op te richten gebouwen en omliggende woningen, waaronder Broekhuizerdijk 53, conform de geldende geur- en milieunormen.

Door deze combinatie van afname van geluidsproducerende activiteiten, kleinere geluidruimtezone, grotere afstand tot omliggende woningen en de lagere categorie van bedrijvigheid, is het goed motiveren dat de geluidbelasting op de omgeving uitsluitend zal afnemen ten opzichte van de huidige situatie. Hiermee wordt voldaan aan de geldende normen voor geluid uit het omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas, zowel nu als in de toekomst.

Als een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt opgericht of als een bestaand geluidgevoelig gebouw van functie wordt veranderd dan kan dit functies, bedrijven en/of activiteiten in de omgeving in de ontwikkelingsmogelijkheden beperken. Er moet dan worden aangetoond dat aan de normen voor geluid zoals zijn opgenomen in het geldende omgevingsplan kan worden voldaan.

Met het initiatief wordt een bedrijfswoning opgericht. Deze bedrijfswoning is echter reeds vergund als bedrijfswoning bij de intensieve veehouderij. De toetsing aan de milieuaspecten heeft bij de vergunningverlening al plaatsgevonden. Omdat de vergunde agrarische bedrijfswoning in gebruik wordt genomen als agrarische bedrijfswoning bij de paardenhouderij is geen sprake van wijzigingen ten aanzien van de huidige vergunde situatie. De bedrijfswoning wordt daarmee niet beschouwd als nieuw gevoelig gebouw en hoeft derhalve niet opnieuw te worden getoetst.

Bij het initiatief wordt verder het realiseren van tien appartementen voor grooms en ruiters mogelijk gemaakt. Deze kunnen worden gezien als nieuwe geluidgevoelige ruimtes. De locatie van deze appartementen is echter buiten de geluidruimte zones van functies, bedrijven en/of activiteiten in de omgeving gelegen. Het is daarom niet te verwachten dat de normen voor geluid uit het geldende omgevingsplan op de locatie worden overschreden. Daarmee zal ter plaatse van de locatie geen sprake zijn van geluidhinder en worden de omliggende functies, bedrijven en/of activiteiten niet in de ontwikkelingsmogelijkheden beperkt.

5.3.2 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
Met het initiatief worden geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen opgericht en/of worden geen bestaande geluidgevoelige gebouwen van functie veranderd. Een nadere afweging op dit punt is daarmee niet nodig.

Met het initiatief worden nieuwe geluidgevoelige gebouwen opgericht en/of bestaande geluidgevoelige gebouwen van functie veranderd. De locatie is echter buiten de aangewezen aandachtszones gelegen. Een nadere afweging op dit punt is daarmee niet nodig.  

Als een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt opgericht of als een bestaand geluidgevoelig gebouw van functie wordt veranderd dan moet worden gekeken of kan worden voldaan aan de normen die zijn opgenomen in het geldende omgevingsplan.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn standaardwaarden en grenswaarden opgenomen voor geluid op geluidgevoelige gebouwen. Voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen moet binnen de zogenaamde aandachtszones voor geluid die daaromheen gelegen zijn een nadere afweging van de geluidbelasting op nieuwe geluidgevoelige gebouwen en/of geluidgevoelige gebouwen die van functie worden veranderd te worden gemaakt. In het geldende omgevingsplan moeten gemeenten daarvoor aanvullende regels opnemen voor de bescherming van geluidgevoelige gebouwen binnen de aandachtszones van wegen, spoorwegen en industrieterreinen.

De gemeente Horst aan de Maas heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor geluid hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

Met het initiatief wordt een bedrijfswoning opgericht. Deze bedrijfswoning is echter reeds vergund als bedrijfswoning bij de intensieve veehouderij. De toetsing aan de milieuaspecten heeft bij de vergunningverlening al plaatsgevonden. Omdat de vergunde agrarische bedrijfswoning in gebruik wordt genomen als agrarische bedrijfswoning bij de paardenhouderij is geen sprake van wijzigingen ten aanzien van de huidige vergunde situatie. De bedrijfswoning wordt daarmee niet beschouwd als nieuw gevoelig gebouw en hoeft derhalve niet opnieuw te worden getoetst.

Bij het initiatief wordt daarnaast het realiseren van tien appartementen voor grooms en ruiters mogelijk gemaakt. Deze kunnen worden gezien als nieuwe geluidgevoelige ruimtes. De locatie is echter buiten de aangewezen aandachtsgebieden voor wegen, spoorwegen en industrieterreinen gelegen. Er is daarmee geen verdere afweging van het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen nodig.

5.4 Geur

Bij het initiatief is sprake van activiteiten met een emissie van geur. Daarnaast zijn binnen de geurruimte zone van de activiteiten die op de locatie worden uitgevoerd geurgevoelige gebouwen gelegen. Er zal echter geen sprake zijn van geurhinder op deze geurgevoelige gebouwen.

Bij het initiatief is sprake van het oprichten of wijzigen van geurgevoelige gebouwen. Echter is de locatie buiten de geurruimte zones van omliggende functies, bedrijven en/of activiteiten gelegen. Daarmee zal geen van de functies, bedrijven en/of activiteiten in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.  

Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat geurgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geur van activiteiten in de omgeving. Gemeenten moeten hier regels voor opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels die gemeenten bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moeten nemen. In deze instructieregels staan standaardwaarden en grenswaarden. Binnen deze waarden hebben gemeenten de ruimte om naar eigen inzicht normen in het omgevingsplan op te nemen die zij voor de geurbelasting op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar vinden. De geldende normen voor wat betreft geur zijn dan ook opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente.

De gemeente Horst aan de Maas heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor geur hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet geurhinder en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

Met het initiatief is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij, waarbij deze wordt omgeschakeld naar een gebruiksgerichte paardenhouderij. Het houden van paarden veroorzaakt mogelijk geurhinder aan de omgeving. Binnen de geurruimte zone van de paardenhouderij is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Activiteiten en milieuzonering" (paragraaf 5.2), het agrarisch bedrijf met de daarbij behorende agrarische bedrijfswoning aan de Broekhuizerdijk 53 gelegen.

De bedrijfswoning bij dit bedrijf is (ruimschoots) buiten de geurruimte zone van het bedrijf van de initiatiefnemer gelegen. Echter gelden vanuit het geldende omgevingsplan van de gemeente geen beperkingen op het herbouwen van de bedrijfswoning en geldt geen minimale afstand tot de bouwperceelsgrens. Daarmee mag de bedrijfswoning van het betreffende bedrijf in theorie overal binnen het bouwvlak worden opgericht. Omdat het bouwvlak van het betreffende bedrijf wel binnen de geurruimte zone van het bedrijf van de initiatiefnemer is gelegen dient te worden aangetoond dat de gewenste paardenhouderij niet zal leiden tot een onevenredige geurhinder aan het betreffende bedrijf en dat aan de normen voor geur uit het geldende omgevingsplan kan worden voldaan.

Vanuit het geldende omgevingsplan gelden normen voor het houden van dieren met een geuremissiefactoren en voor het houden van dieren zonder geuremissiefactoren. Geuremissiefactoren zijn waarden voor de emissie van geur die de gehouden dieren veroorzaken. Voor paarden zijn geen geuremissiefactoren vastgelegd, waarmee sprake is van het houden van dieren zonder geuremissiefactoren. Vanuit het geldende omgevingsplan geldt dat voor het houden van dieren zonder geuremissiefactoren minimaal aan de volgende afstanden moet worden voldaan:

  • 100 meter tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de gevel van een gevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwde kom;
  • 50 meter tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de gevel van een gevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwde kom;
  • 50 meter tussen de gevel van een dierenverblijf en de gevel van een gevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwde kom;
  • 25 meter tussen de gevel van een dierenverblijf en de gevel van een gevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwde kom.

Zowel de locatie als de bedrijfswoning bij het betreffende bedrijf zijn gelegen buiten de bebouwde kom, waarmee de afstand tussen de emissiepunten van de dierenverblijven van de initiatiefnemer en de gevel van de betreffende bedrijfswoning minimaal 50 meter moet bedragen en de afstand tussen de gevels van de dierenverblijven en de gevel van de betreffende bedrijfswoning minimaal 25 meter moet bedragen.

De betreffende bedrijfswoning is gelegen op een afstand van ongeveer 158 meter van het dichtstbijzijnde gewenste dierenverblijf van de initiatiefnemer. Omdat de betreffende woning, zoals eerder in deze paragraaf omschreven, in theorie echter binnen het gehele bouwvlak van het bedrijf mag worden opgericht dient te worden gemeten tot de grens van het bouwvlak van het betreffende bedrijf. De gewenste dierenverblijven bij de paardenhouderij worden opgericht op een afstand van minimaal 50 meter van de grens van het bouwvlak van het betreffende bedrijf. Daarmee wordt aan de minimaal vereiste afstanden voldaan.

Daarnaast is bij de gewenste paardenhouderij sprake van de opslag van vaste mest. Voor vaste mestopslag geldt dat de afstand van de voorziening voor de opslag van vaste mest tot gevoelige gebouwen ten minste moet bedragen:

  • 100 meter tot de gevel van een gevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwde kom als sprake is van een niet afgedekte mestopslag;
  • 50 meter tot de gevel van een gevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwde kom als sprake is van een niet afgedekte mestopslag;
  • 25 meter tot de gevel van een gevoelig gebouw, ongeacht of dit binnen of buiten de bebouwde kom is gelegen, als sprake is van een afgedekte mestopslag.

De gewenste voorzieningen voor vaste mestopslag zijn niet afgedekt. Zowel de locatie als het betreffende bedrijf zijn gelegen buiten de bebouwde kom. Daarmee moet de afstand van de voorzieningen voor mestopslag minimaal 50 meter tot de gevel van de betreffende bedrijfswoning bedragen.

De betreffende bedrijfswoning is gelegen op een afstand van ongeveer 257 meter van het dichtstbijzijnde gewenste dierenverblijf van de initiatiefnemer. Omdat de betreffende woning, zoals eerder in deze paragraaf omschreven, in theorie echter binnen het gehele bouwvlak van het bedrijf mag worden opgericht dient te worden gemeten tot de grens van het bouwvlak van het betreffende bedrijf.

De gewenste voorzieningen voor vaste mestopslag bij de paardenhouderij worden opgericht op een afstand van ongeveer 108 meter van de grens van het bouwvlak van het betreffende bedrijf. Daarmee wordt aan de minimaal vereiste afstanden voldaan.

Daarmee wordt aan de normen voor geur zoals zijn opgenomen in het geldende omgevingsplan voldaan en zal geen sprake zijn van geurhinder aan geurgevoelige gebouwen in de omgeving.

Als een nieuw geurgevoelig gebouw wordt opgericht of als een bestaand geurgevoelig gebouw van functie wordt veranderd dan kan dit functies, bedrijven en/of activiteiten in de omgeving in de ontwikkelingsmogelijkheden beperken. Er moet dan worden aangetoond dat aan de normen voor geur zoals zijn opgenomen in het geldende omgevingsplan kan worden voldaan.

Met het initiatief wordt een bedrijfswoning opgericht. Deze bedrijfswoning is echter reeds vergund als bedrijfswoning bij de intensieve veehouderij. De toetsing aan de milieuaspecten heeft bij de vergunningverlening al plaatsgevonden. Omdat de vergunde agrarische bedrijfswoning in gebruik wordt genomen als agrarische bedrijfswoning bij de paardenhouderij is geen sprake van wijzigingen ten aanzien van de huidige vergunde situatie. De bedrijfswoning wordt daarmee niet beschouwd als nieuw gevoelig gebouw en hoeft derhalve niet opnieuw te worden getoetst.

Bij het initiatief wordt het realiseren van tien appartementen voor grooms en ruiters mogelijk gemaakt. Deze kunnen worden gezien als nieuwe geurgevoelige ruimtes. Deze groomsverblijven liggen op een afstand van 84 meter tot aan de dichtstbijzijnde gevel van de varkenshouderij aan de Broekhuizerdijk 53. In artikel 22.100 van de bruidsschat is opgenomen dat de afstand van landbouwhuisdieren met geuremissiefactoren (varkens dus onder andere) tot een geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan (de groomsverblijven dus), voor ligging buiten de bebouwde kom, een afstand van 50 meter gehanteerd mag worden. Met een afstand van 84 meter gemeten van de gevel tot aan de gevel, wordt hier ruimschoots aan voldaan. In theorie zou een nieuwe varkensstal ook op een andere plek binnen het bouwvlak worden opgericht. Als er op de rand van het bouwvlak een nieuwe stal wordt opgericht dan blijft de minimale afstand van 50 meter alsnog gehandhaafd.

Daarnaast dient er voor de groomsverblijven ook gekeken te worden naar een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aangezien de verblijven worden opgericht op een afstand van 84 meter en dit voldoet aan de gestelde minimale afstand kan er worden gesteld dat er ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast is er sprake van een verblijfsruimte en geen permanente woonruimte. Verder is de verblijfsruimte functioneel ondersteunend aan de ter plaatse gevestigde paardenhouderij.

Daarmee zal ter plaatse van de locatie geen sprake zijn van geurhinder en worden de omliggende functies, bedrijven en/of activiteiten niet in de ontwikkelingsmogelijkheden beperkt.

5.5 Kwaliteit van de buitenlucht

Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat aandacht wordt geschonken aan een aanvaardbare kwaliteit van de buitenlucht (ook wel de luchtkwaliteit genoemd). Gemeenten moeten hier regels voor opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels om een verslechtering van de luchtkwaliteit te voorkomen. Deze regels hebben de bedoeling de luchtkwaliteit te beschermen en te verbeteren.

5.5.1 Luchtkwaliteit door activiteiten
De locatie is niet in een van de aangewezen aandachtsgebieden of in de buurt van een van deze gebieden gelegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een verhoging van de concentraties in de aandachtsgebieden door de uitgevoerde activiteiten.

De uitgevoerde activiteiten van het initiatief zijn aan te merken als een zogenaamde NIBM ontwikkeling, waarmee deze niet zullen leiden tot een verhoging van de concentraties in de buitenlucht.  

Gemeenten moet voor een aantal activiteiten de zogenaamde rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen. Behalve als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. De gemeente moet de luchtkwaliteit vooral toetsen binnen aangewezen aandachtsgebieden. De gemeente gaat na of toe te laten activiteiten gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied. De gemeente doet dit voor activiteiten:

  • die gevolgen hebben voor het gebruik van wegen, water en spoor (verkeersaantrekkende werking); of
  • waarvoor luchtregels zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving.

Het kan dus ook gaan om activiteiten in een omgevingsplan van een gemeente in de buurt van een aandachtsgebied. Het gaat erom of de effecten zich uitstrekken tot binnen een aandachtsgebied.

Gemeenten dienen de normen voor luchtkwaliteit in het omgevingsplan op te nemen. De gemeente Horst aan de Maas heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor luchtkwaliteit hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet milieubeheer en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

De locatie is niet in een aangewezen aandachtsgebied of in de buurt van een aangewezen aandachtsgebied gelegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een activiteit die kan leiden tot een verhoging van de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden in de aandachtsgebieden.

Verder is het van belang te onderzoeken of de ter plaatse uitgevoerde activiteiten kunnen leiden tot een verhoging van de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden in de buitenlucht. Wanneer sprake is van een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties (een zogenaamde NIBM ontwikkeling) dan is geen nadere toetsing nodig. Voor de ter plaatse uitgevoerde activiteiten is het daarom van belang om te onderzoeken of het een NIBM ontwikkeling betreft.

Met het initiatief is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij, waarbij deze wordt omgeschakeld naar een gebruiksgerichte paardenhouderij.

Voor paarden zijn geen emissiefactoren voor fijnstof (waarden voor de emissie van fijnstof die de gehouden dieren veroorzaken) vastgesteld, waardoor deze geen fijnstofemissie veroorzaken. Het houden van paarden is daarmee aan te merken als een NIBM ontwikkeling. Met het initiatief zal daarom geen sprake zijn van een verhoging van de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden als gevolg van de ter plaatse uitgevoerde activiteiten.

Daarnaast zal de emissie van fijnstof door de beëindiging van de huidige intensieve veehouderij aanzienlijk afnemen, waarmee het initiatief een positief effect zal hebben op de luchtkwaliteit.

5.5.2 Luchtkwaliteit door verkeer
De locatie is niet in een van de aangewezen aandachtsgebieden of in de buurt van een van deze gebieden gelegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een verhoging van de concentraties in de aandachtsgebieden door het verkeer als gevolg van het initiatief.

Het verkeer als gevolg van het initiatief is aan te merken als een zogenaamde NIBM ontwikkeling, waarmee dit niet zal leiden tot een verhoging van de concentraties in de buitenlucht.  

Naast de eventuele bijdrage van activiteiten aan de luchtkwaliteit moet ook gekeken worden naar de bijdrage van het verkeer als gevolg van het initiatief aan de luchtkwaliteit. Ook voor het verkeer moet worden nagegaan of dit gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied.

De locatie is niet in een van de aangewezen aandachtsgebieden of in de buurt van een van deze gebieden gelegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een verhoging van de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden in de aandachtsgebieden.

Verder kan het verkeer als gevolg van het initiatief gevolgen hebben voor de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden in de buitenlucht. Wanneer sprake is van een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties (een zogenaamde NIBM ontwikkeling) dan is geen nadere toetsing nodig. Voor de ter plaatse uitgevoerde activiteiten is het daarom van belang om te onderzoeken of het een NIBM ontwikkeling betreft.

Zoals nader omschreven in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 5.14.3) zal met het initiatief in de worst-case situatie sprake zijn van een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen met personenvervoer. Wanneer de toename van het aantal verkeersbewegingen kan worden aangemerkt als NIBM ontwikkeling dan zullen de emissies van de toename van het verkeer niet leiden tot een verhoging van de concentraties van fijnstof en stikstofoxiden. Of sprake is van een NIBM ontwikkeling kan worden berekend met de NIBM-rekentool van InfoMil. Is de bijdrage van het verkeer kleiner dan of gelijk aan 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) dan is sprake van een NIBM ontwikkeling.

Voor het initiatief is een berekening gemaakt met behulp van de NIBM-rekentool van InfoMil. Daarbij zijn alle verkeersbewegingen als gevolg van het initiatief meegenomen en niet alleen de netto toename van het aantal verkeersbewegingen zodat een betere inschatting kan worden gemaakt van de bijdrage van het verkeer als gevolg van het initiatief. In de volgende afbeelding zijn de resultaten van deze berekening weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.MLNIEUWENHOFWEG4-BPO1_0006.png"

Resultaten NIBM-rekentool.
Bron: InfoMil.

Zoals blijkt uit de resultaten van de NIBM-rekentool is de bijdrage van het verkeer niet groter dan 1,2 µg/m³, waarmee sprake is van een NIBM ontwikkeling. Het verkeer als gevolg van het initiatief zal daarmee niet leiden tot een verhoging van de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden.

5.5.3 Luchtkwaliteit op de locatie
Met het initiatief is sprake van nieuwe gevoelige gebouwen en/of van de wijziging van bestaande gevoelige gebouwen. Echter kan ter plaatse aan de normen voor luchtkwaliteit worden voldaan, waarmee een veilige en gezonde fysieke leefomgeving voldoende is afgewogen.  

Als een nieuw gevoelig gebouw wordt opgericht of als een bestaand gevoelig gebouw van functie wordt veranderd dan dient sprake te zijn van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. De luchtkwaliteit maakt deel uit van deze veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Het is daarom van belang dat wanneer sprake is van een nieuw of te wijzigen gevoelig gebouw dat aan de normen voor luchtkwaliteit kan worden voldaan om een veilige en gezonde fysieke leefomgeving te kunnen waarborgen.

Bij het initiatief wordt een bedrijfswoning opgericht. Deze bedrijfswoning is echter reeds vergund als bedrijfswoning bij de intensieve veehouderij. De toetsing aan de milieuaspecten heeft bij de vergunningverlening al plaatsgevonden. Omdat de vergunde agrarische bedrijfswoning in gebruik wordt genomen als agrarische bedrijfswoning bij de paardenhouderij is geen sprake van wijzigingen ten aanzien van de huidige vergunde situatie. De bedrijfswoning wordt daarmee niet beschouwd als nieuw gevoelig gebouw en hoeft derhalve niet opnieuw te worden getoetst.

Met het initiatief wordt het realiseren van tien appartementen voor grooms en ruiters mogelijk gemaakt. Deze kunnen worden gezien als gevoelige ruimtes. Er is daarmee een nadere afweging van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving nodig.

Vanuit het geldende omgevingsplan geldt ter plaatse van de locatie dat de achtergrondconcentraties van fijnstof (PM10) en stikstofoxiden (NO2) op gevoelige gebouwen niet meer dan 40 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) bedragen.

Volgens gegevens uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarin de actuele concentraties zijn opgenomen, bedragen de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden ter plaatse van de locatie 14 µg/m³ (fijnstof) en 9 µg/m³ (stikstofoxiden). Dit is in de volgende afbeeldingen weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.MLNIEUWENHOFWEG4-BPO1_0007.png"

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof (PM10).
Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.MLNIEUWENHOFWEG4-BPO1_0008.png"

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie stikstofoxiden (NO2).
Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.

Voor de kleinere fijnstof deeltjes (PM2,5) geldt echter een aangepaste norm dan voor de deeltjes met een grotere omvang (PM10). Voor de kleinere fijnstof deeltjes geldt een norm van 25 µg/m³.

Ook voor de kleinere fijnstofdeeltjes (PM2,5) is in de Atlas Leefomgeving van het RIVM een actuele achtergrondconcentratie opgenomen. Volgens de gegevens uit de Atlas Leefomgeving bedraagt de achtergrondconcentratie van fijnstofdeeltjes PM2,5 ter plaatse 8 µg/m³. Dit is in de volgende afbeelding weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.MLNIEUWENHOFWEG4-BPO1_0009.png" Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof (PM2,5).
Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.

Op de locatie wordt daarmee aan de geldende normen voor luchtkwaliteit voldaan. Daarmee is een veilige en gezonde fysieke leefomgeving voldoende afgewogen.

5.6 Veiligheid in de leefomgeving

Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar de veiligheid in de fysieke leefomgeving. Zo kunnen zij een brand, ramp of crisis voorkomen of de gevolgen daarvan beperken. De omgevingsveiligheid, of ook wel externe veiligheid genoemd, krijgt daarom een belangrijke plaats in de omgevingsvisie en het omgevingsplan.

Gemeenten moeten regels opnemen in het omgevingsplan over veiligheid in de leefomgeving. Dit is vooral belangrijk als in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen worden toegestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. Bij het afwegen van de mogelijke effecten ten aanzien van de veiligheid in de leefomgeving wordt gekeken naar het plaatsgebonden risico en naar het groepsrisico.

Plaatsgebonden risico:

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels over het plaatsgebonden risico voor het omgevingsplan. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht nemen voor zeer kwetsbare en kwetsbare gebouwen en/of locaties. Bij beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties moeten gemeenten rekening houden met de grenswaarde. Zij mogen daar bij beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties dus, als zij dit goed afwegen en onderbouwen, van afwijken.

De waarden voor het plaatsgebonden risico worden ruimtelijk vertaald in afstanden tot gebouwen en locaties. (Zeer) kwetsbare gebouwen en locaties mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour (PR-10-6-contour) van een activiteit komen. Beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties mogen in beginsel ook niet binnen een PR-10-6-contour van een activiteit komen, maar hiervoor kan de gemeente, mits goed onderbouwd, maatwerk toepassen.

Daarnaast gelden de regels over het plaatsgebonden risico ook wanneer de gemeente een risicovolle activiteit wil toelaten of vergunnen.

Groepsrisico:

Daarnaast staan in het Bkl regels over het groepsrisico. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde aandachtsgebieden. Binnen deze aandachtsgebieden moeten gemeenten in het omgevingsplan rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied.

De gemeente kan diverse maatregelen inzetten om mensen te beschermen binnen de aandachtsgebieden. Hiervoor kunnen zij in het omgevingsplan aanvullende regels opnemen of specifieke voorschriftengebieden aanwijzen, waarbinnen aanvullende regels en eisen gelden voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen.

Gemeenten moeten in het omgevingsplan concrete regels opnemen over het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De gemeente Horst aan de Maas heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor veiligheid in de leefomgeving hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit het Bkl en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

5.6.1 Plaatsgebonden risico
Met het initiatief is geen sprake van het uitvoeren en/of wijzigen van een risicovolle activiteit. Er zal daarmee geen sprake zijn van onaanvaardbare risico's voor de veiligheid aan de omgeving.

De locatie is niet binnen de plaatsgebonden risicocontour van een risicovolle activiteit en/of risicovolle transportroute gelegen. Er zal op de locatie daarmee geen sprake zijn van risico's voor de veiligheid vanuit het plaatsgebonden risico.  

Het plaatsgebonden risico geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en/of voor het oprichten van beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en/of locaties nabij risicovolle inrichtingen.

Met het initiatief is sprake van het beëindigen van een intensieve veehouderij, waarbij deze wordt omgeschakeld naar een gebruiksgerichte paardenhouderij.

Met het initiatief is geen sprake van activiteiten die zijn opgenomen in bijlage VII van het Bkl en is daarmee niet als risicovolle activiteit aan te merken. Het initiatief zal voor wat betreft het plaatsgebonden risico daarmee niet leiden tot risico's voor de veiligheid aan zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties in de omgeving.

Verder is het belangrijk om te onderzoeken of nabij een locatie risicovolle activiteiten plaatsvinden. Risicovolle activiteiten en transportroutes zijn opgenomen in de kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). In de volgende afbeelding is weergegeven welke risicovolle activiteiten en/of transportroutes mogelijk aanwezig zijn in de omgeving van de locatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.MLNIEUWENHOFWEG4-BPO1_0010.png"

Uitsnede kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving.
Bron: RIVM.

De locatie is, zoals te zien in de voorgaande afbeelding, niet binnen de PR10-6-contour van een risicovolle activiteit van derden en/of transportroute gelegen. Er zal daarmee op de locatie geen sprake zijn van mogelijke risico's voor de veiligheid vanuit het plaatsgebonden risico.

5.6.2 Groepsrisico
Met het initiatief is geen sprake van het uitvoeren en/of wijzigen van een risicovolle activiteit. Er zal daarmee geen sprake zijn van onaanvaardbare risico's voor de veiligheid aan de omgeving.

De locatie is niet binnen een aandachtsgebied van een risicovolle activiteit en/of risicovolle transportroute gelegen. Er zal op de locatie daarmee geen sprake zijn van risico's voor de veiligheid vanuit het groepsrisico.  

Voor zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties binnen een aandachtsgebied van een risicovolle activiteit en/of transportroute moet een aanvullende afweging worden gemaakt van het groepsrisico. Wanneer binnen een aandachtsgebied nieuwe zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties worden gerealiseerd kunnen gemeenten aanvullende voorschriften verbinden aan de nieuwbouw of vervangende nieuwbouw van gebouwen.

De aandachtsgebieden zijn onderverdeeld in drie categorieën, namelijk brandaandachtsgebieden, explosieaandachtsgebieden en gifwolkaandachtsgebieden. De grootte van de aandachtsgebieden is gelijk aan de veiligheidsafstand betreffende het risico waarvoor het aandachtsgebied is vastgelegd.

Met het initiatief is sprake van het beëindigen van een intensieve veehouderij, waarbij deze wordt omgeschakeld naar een gebruiksgerichte paardenhouderij.

Met het initiatief is geen sprake van activiteiten die zijn opgenomen in bijlage VII van het Bkl en is daarmee niet als risicovolle activiteit aan te merken. Het initiatief zal voor wat betreft het groepsrisico daarmee niet leiden tot risico's voor de veiligheid aan zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties in de omgeving.

Verder is het belangrijk om te onderzoeken of nabij een locatie risicovolle activiteiten plaatsvinden. Risicovolle activiteiten en transportroutes zijn opgenomen in de kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). In de volgende afbeelding is weergegeven welke risicovolle activiteiten en/of transportroutes mogelijk aanwezig zijn in de omgeving van de locatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.MLNIEUWENHOFWEG4-BPO1_0011.png"

Uitsnede kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving.
Bron: RIVM.

De locatie is, zoals te zien in de voorgaande afbeelding, niet binnen een van de aandachtsgebieden van een risicovolle activiteit van derden en/of transportroute gelegen. Er zal daarmee op de locatie geen sprake zijn van mogelijke risico's voor de veiligheid vanuit het groepsrisico.

5.7 Bodemkwaliteit

Voor het initiatief is een bodemonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater op de locatie geschikt zijn voor de gewenste functies.  

Vanuit de Omgevingswet wordt ingezet op het beschermen en verbeteren van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Voor wat betreft bodem is het daarbij belangrijk om nieuwe verontreinigingen en aantastingen van de bodem te voorkomen. Daarnaast is een goede afweging nodig van de balans tussen eventuele risico's voor het milieu en voor de gezondheid en van activiteiten die maatschappelijk wenselijk zijn als sprake is van een bodem of van grondwater met een mindere kwaliteit. Gemeenten moeten hiervoor regels opnemen in het omgevingsplan.

De gemeente Horst aan de Maas heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor bodem hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving op het gebied van bodem en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

In het geldende omgevingsplan zijn aanvullende regels opgenomen voor activiteiten die de bodem of het grondwater kunnen verontreinigen. Daarnaast geldt in beginsel een verbod op het bouwen op verontreinigde bodem.

Met het initiatief is sprake van het beëindigen van een intensieve veehouderij, waarbij deze wordt omgeschakeld naar een gebruiksgerichte paardenhouderij. Er is daarbij geen sprake van activiteiten die kunnen leiden tot een verontreiniging van de bodem en/of van het grondwater. Er is daarmee geen sprake van mogelijke risico's voor het milieu en/of voor de gezondheid. Het initiatief zal geen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de bodem en van het grondwater.

Verder is het belangrijk om te kijken of de bodem ter plaatse geschikt is voor de gewenste functie. Als op een verontreinigde bodem wordt gebouwd dan kan dit namelijk gevolgen hebben voor de gezondheid van de gebruikers van de gewenste functie. Dit is echter vooral van belang als nieuwe ruimtes worden opgericht waarin voor langere tijd mensen verblijven (zogenaamde verblijfsruimtes).

Bij het initiatief wordt een bedrijfswoning opgericht. Deze bedrijfswoning is echter reeds vergund als bedrijfswoning bij de intensieve veehouderij. De toetsing aan de milieuaspecten heeft bij de vergunningverlening al plaatsgevonden. Omdat de vergunde agrarische bedrijfswoning in gebruik wordt genomen als agrarische bedrijfswoning bij de paardenhouderij is geen sprake van wijzigingen ten aanzien van de huidige vergunde situatie. De bedrijfswoning wordt daarmee niet beschouwd als nieuw gevoelig gebouw en hoeft derhalve niet opnieuw te worden getoetst.

Met het initiatief wordt het realiseren van tien appartementen voor grooms en ruiters mogelijk gemaakt. Deze kunnen worden gezien als verblijfsruimtes. Het is daarom belangrijk na te gaan of de bodem en het grondwater ter plaatse mogelijk verontreinigd zijn.

Om te beoordelen of ter plaatse van de locatie sprake is van een mogelijke verontreiniging van de bodem en/of van het grondwater is door een deskundige op het gebied van bodem een bodemonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt het volgende:

"Met het verkennend bodemonderzoek is de huidige bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie voldoende vastgelegd. De bovengrond, ondergrond en het grondwater zijn niet (noemenswaardig) verontreinigd met de onderzochte parameters. De puinfundatie is niet asbesthoudend (indicatief). Ter plaatse bestaan, op basis van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, ons inziens, geen belemmeringen voor de voorgenomen omzetting naar een paardenhouderij met appartementen. De uitvoering van nader of aanvullend onderzoek is, ons inziens, niet zinvol.

Bij eventuele afvoer van grond dient rekening te worden gehouden met de regels van het Besluit Bodemkwaliteit. Een bodemonderzoek is een momentopname en een indicatie van de kwaliteit van grond en grondwater. Bij werkzaamheden in de bodem dient rekening te worden gehouden met de veiligheidsmaatregelen conform de CROW-publicatie 400 ‘werken met verontreinigde grond en grondwater’."

Het volledige rapport van het uitgevoerde bodemonderzoek is opgenomen als “Bijlage 4 Bodemonderzoek”.

Daarmee zal de kwaliteit van de bodem en van het grondwater geschikt zijn voor de gewenste activiteiten en is een veilige en gezonde fysieke leefomgeving voldoende afgewogen.

5.8 Trillingen

Het initiatief zal niet leiden tot onaanvaardbare trillingen op trillinggevoelige gebouwen en/of ruimtes. Daarnaast zal op de locatie geen sprake zijn van onaanvaardbare trillingen op trillinggevoelige gebouwen en/of ruimtes door activiteiten uit de omgeving.  

Trillingen kunnen mogelijk nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen mogelijk effect hebben op het welzijn van mensen of schade aan gebouwen veroorzaken. Vanuit de Omgevingswet worden (delen van) gebouwen beschermd tegen trillingen.

Er zijn verschillende soorten trillingen die kunnen worden veroorzaakt door verschillende bronnen. In de Omgevingswet wordt in de instructieregels voor dit onderwerp onderscheid gemaakt in trillingen die continu plaatsvinden en trillingen die herhaald voorkomen.

In de Omgevingswet zijn het verkeer over de weg of het spoor, machines in de industrie en bouw- en sloop werkzaamheden opgenomen als bronnen voor trillingen. Verder is het soort trilling afhankelijk van de eigenschappen van de bron van de trillingen. Daarbij zijn vooral de massa, de snelheid en de versnelling van de bron belangrijk.

Vanuit de Omgevingswet wordt alleen gekeken naar trillingen die zich verspreiden via de bodem en/of de funderingen van gebouwen en het effect hiervan op gebouwen en de mensen die daarin verblijven. Voor trillingen die zich via de lucht verspreiden zijn de regels opgenomen in de regels voor geluid.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor trillingen in relatie tot voor trilling gevoelige gebouwen. Deze regels zijn van toepassing op het toelaten van activiteiten die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, in een frequentie van 1 tot 80 Hertz (Hz) en/of voor het toelaten van trillinggevoelige gebouwen.

Bij nieuwe ontwikkelingen is het belangrijk om te kijken of sprake is van het uitvoeren van activiteiten die trillingen kunnen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw en/of sprake is van het oprichten van trillinggevoelige ruimtes in trillinggevoelige gebouwen. Als sprake is van het oprichten of wijzigen van trillinggevoelige ruimtes in trillinggevoelige gebouwen dan moet verder worden onderzocht of sprake is van mogelijke trillingen door activiteiten in de omgeving.

Gemeenten kunnen, binnen de door de Rijksoverheid gestelde instructieregels, aanvullende regels over trillingen opnemen in het omgevingsplan.

De gemeente Horst aan de Maas heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor trillingen hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving op het gebied van trillingen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

Met het initiatief wordt de omschakeling van een intensieve veehouderij naar een gebruiksgerichte paardenhouderij mogelijk gemaakt. Daarbij worden geen activiteiten uitgevoerd die trillingen veroorzaken van 1 tot 80 Hz. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijk nadelige effecten op trillinggevoelige gebouwen in de omgeving door de ter plaatse uitgevoerde activiteiten.

Daarnaast dient gekeken te worden of op de locatie mogelijk nadelige effecten kunnen worden ondervonden door trillingen die vanuit activiteiten in de omgeving worden veroorzaakt. Dit is echter vooral van belang als nieuwe trillinggevoelige ruimtes in trillinggevoelige gebouwen worden opgericht of als deze worden gewijzigd.

Bij het initiatief wordt een bedrijfswoning opgericht. Deze bedrijfswoning is echter reeds vergund als bedrijfswoning bij de intensieve veehouderij. De toetsing aan de milieuaspecten heeft bij de vergunningverlening al plaatsgevonden. Omdat de vergunde agrarische bedrijfswoning in gebruik wordt genomen als agrarische bedrijfswoning bij de paardenhouderij is geen sprake van wijzigingen ten aanzien van de huidige vergunde situatie. De bedrijfswoning wordt daarmee niet beschouwd als nieuw gevoelig gebouw en hoeft derhalve niet opnieuw te worden getoetst.

Met het initiatief wordt het realiseren van tien appartementen voor grooms en ruiters mogelijk gemaakt. Deze kunnen worden gezien als trillinggevoelige ruimtes. Het is daarom belangrijk om te onderzoeken of in de omgeving sprake is van activiteiten die kunnen leiden tot onaanvaardbare trillingen in de trillinggevoelige ruimtes van de trillinggevoelige gebouwen op de locatie.

De locatie is niet in de buurt van een weg gelegen waarover veel zwaar verkeer rijdt. Daarnaast is de locatie niet in de buurt van een spoorweg en/of industrieterrein gelegen. In de omgeving van de locatie vinden verder geen activiteiten plaats die leiden tot trillingen van 1 tot 80 Hz, waarmee het niet te verwachten is dat de maximale waarden voor trillingen uit het geldende omgevingsplan op de locatie zullen worden overschreden.

5.9 Natuur en natuurlijke waarden

De natuur maakt volgens de definitie uit de Omgevingswet onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. De bescherming van de natuur en de natuurlijke waarden maakt daarmee deel uit van de Omgevingswet. Zowel de Rijksoverheid als de provincies en gemeenten nemen doelstellingen op in hun eigen omgevingsvisie om de natuur en natuurlijke waarden te beschermen. Daarnaast kunnen provincies aanvullende regels voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden opnemen in de omgevingsverordening en kunnen gemeenten dit doen in het omgevingsplan.

Onder de Omgevingswet is in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) een specifieke zorgplicht opgenomen voor de bescherming van Natura 2000 gebieden, houtopstanden en soorten flora en fauna. Daarnaast geldt vanuit de Omgevingswet een algemene zorgplicht voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden, waarbij ook het Natuurnetwerk Nederland beschermd moet worden.

5.9.1 Natura 2000-gebieden
Met het initiatief is sprake van het uitvoeren van een Natura 2000-activiteit. Voor deze activiteit is een omgevingsvergunning aangevraagd. Deze kan alleen worden verleend als de activiteiten niet zullen leiden tot significante nadelige gevolgen voor Natura 2000-gebieden of als voldoende herstelmaatregelen worden getroffen. Omdat van de huidige vergunning 85% zal worden ingetrokken kan geen sprake zijn van significant nadelige effecten op Natura 2000-gebieden.  

Om de natuur te beschermen heeft de Rijksoverheid regels vastgesteld over activiteiten die een Natura 2000-gebied kunnen benadelen. Degene die een dergelijke activiteit uitvoert moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht en een verplichting tot het geven van informatie bij zogenaamde "ongewone voorvallen". Ook kan hierbij een omgevingsvergunning verplicht zijn.

Voor de bescherming van Natura 2000-gebieden wordt onderscheid gemaakt in Natura 2000-activiteiten (activiteiten die significant nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied) en activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, maar waarbij deze zeker niet significant zijn.

Een Natura 2000-activiteit kan plaatsvinden in een Natura 2000-gebied. Maar heel vaak vindt de activiteit juist plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect op het Natura 2000-gebied hebben. Dit wordt dan de "externe werking van een Natura 2000-gebied" genoemd.

Als het effect significant kan zijn, moet de initiatiefnemer meestal een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit hebben. Als een activiteit niet significant is dan is geen sprake van een Natura 2000-activiteit en is meestal geen omgevingsvergunning nodig.

Om te bepalen of een activiteit significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden moet worden gekeken of de activiteit de instandhoudingsdoelen van het betreffende Natura 2000-gebied in gevaar kan brengen. Activiteiten die de kwaliteit van de habitats (leefgebieden) kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen zijn daarbij aan te merken als significant.

Vanuit de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden is het van belang om te bepalen of nadelige gevolgen op de betreffende gebieden zijn uit te sluiten. Als nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten dan moet worden nagegaan wat de nadelige gevolgen zijn en moeten maatregelen worden genomen om verslechterende of verstorende gevolgen te voorkomen. Als deze maatregelen ook niet mogelijk blijken of geen effect blijken te hebben dan moet de activiteit stoppen of moeten passende herstelmaatregelen worden getroffen.

Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie niet in een Natura 2000-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Maasduinen, is gelegen op een afstand van ongeveer 4,6 kilometer van de locatie.

Op een dergelijke afstand kunnen activiteiten die op de locatie worden uitgevoerd nadelige gevolgen hebben op de betreffende gebieden. Daarom moet eerst verder worden bekeken welke activiteiten nadelige gevolgen kunnen hebben op de betreffende gebieden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.MLNIEUWENHOFWEG4-BPO1_0012.png"

Uitsnede kaart Natura 2000-gebieden.
Bron: Aerius Calculator.

Activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben op Natura 2000-gebieden zijn vooral de uitstraling van licht, geluid en trillingen naar de betreffende gebieden en de depositie (neerslag) van stikstof op de betreffende gebieden.

Vanwege de grote afstand van de locatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied zullen de effecten van de eventuele uitstraling van geluid, licht en/of trillingen die de activiteiten op de locatie kunnen veroorzaken niet leiden tot nadelige gevolgen op Natura 2000-gebieden. Deze zullen vanwege de afstand in de betreffende gebieden niet merkbaar zijn. De depositie van stikstof op de betreffende gebieden kan echter ook op grotere afstand leiden tot nadelige effecten.

Voor het initiatief zijn met het rekenprogramma Aerius Calculator berekeningen gemaakt om te bepalen of sprake is van een toename van de depositie van stikstof in de betreffende gebieden. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat geen sprake zal zijn van een toename van de depositie van stikstof op Natura 2000-gebieden. Van de voormalige natuurtoestemming zal namelijk 85% ingetrokken worden.

De volledige resultaten van de uitgevoerde berekeningen zijn opgenomen als "Bijlage 5 Resultaten berekening(en) Aerius Calculator".

Op basis van de Aerius-berekeningen is er sprake van een stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Er is sprake van een referentiesituatie op de locatie. Op basis van de resultaten van de Aerius-berekeningen kan worden geconcludeerd dat sprake is van intern salderen. Dit betekent dat er geen significante negatieve effecten plaatsvinden op Natura 2000-gebieden als gevolg van dit project. Doordat er wel sprake is van een stikstofdepositie, geldt er wel een vergunningplicht. Door intern salderen in te zetten als mitigerende maatregel, kan er wel uitvoer worden gegeven aan dit project.

Om verdere nadelige effecten te voorkomen kan bijvoorbeeld worden gekozen voor een beperkt gebruik van kunstlicht in de nachtperiode, het gebruik van kunstlicht met een aangepaste kleur zodat nachtdieren, waaronder vleermuizen, daar minder last van hebben, het gebruik van (geluid)isolerende materialen in de gebouwen en het beperken van het gebruik van bijvoorbeeld luidsprekers. Waar mogelijk zullen deze maatregelen in acht worden genomen.

5.9.2 Houtopstanden
Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden. De aanvullende regels vanuit voor het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen zijn daarmee niet van toepassing.  

In de Omgevingswet staan regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Degene die een dergelijke activiteit uitvoert moet aan die regels voldoen. Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Het (deels) vellen ervan zorgt ervoor dat die verdwijnen of beschadigd raken. Herbeplanten zorgt voor nieuwe houtopstand.

De regels voor het vellen van houtopstanden en herbeplanten gelden in beginsel voor alle houtopstanden. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan echter gevallen waarvoor deze regels niet van toepassing zijn, de zogenaamde uitzonderingsgevallen.

Gemeenten moeten een bebouwingscontour houtkap vaststellen en opnemen in het omgevingsplan. Houtopstanden binnen deze contour gelden altijd als uitzondering vanuit het Bal.

Verder zijn de volgende gevallen uitgezonderd van de regels:

  • Houtopstanden op erven of in tuinen.
  • Bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten zijn geteeld.
  • Houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen.
  • Naaldbomen die duidelijk bedoeld zijn als kerstbomen én niet ouder zijn dan 20 jaar.
  • Kweekgoed.
  • Populieren of wilgen van:
    • 1. wegbeplantingen;
    • 2. beplantingen langs waterwegen;
    • 3. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden.
  • Het dunnen van een houtopstand om de groei van de overblijvende houtopstand te bevorderen, bijvoorbeeld als onderdeel van het reguliere onderhoud van de houtopstand.
  • Beplantingen die bestaan uit populieren, wilgen, essen of elzen en duidelijk bedoeld zijn voor de productie van houtige biomassa onder de volgende voorwaarden:
    • 1. het oogsten vindt minstens 1 keer per 10 jaar plaats;
    • 2. de beplantingen bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid;
    • 3. een beplantingseenheid moet bestaan uit aaneengesloten beplanting zonder doorsnijding door meer dan 2 m brede onbeplante stroken;
    • 4. de beplantingen zijn aangelegd na 1 januari 2013.
  • Houtopstanden met een oppervlakte van minder dan 10 are. Het gaat hier om de oppervlakte van de totale houtopstand dus niet alleen van het te vellen deel.
  • houtopstanden die bestaan uit een rijbeplanting van maximaal 20 bomen (gerekend over het totaal aantal rijen). Het gaat hier om het aantal bomen in rijbeplanting van de totale houtopstand dus niet alleen het aantal te vellen bomen.

Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden en/of worden uitsluitend houtopstanden geveld die vanuit het Bal zijn aangemerkt als uitzondering op de regels voor het vellen van houtopstanden. De aanvullende regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen zijn daarmee niet van toepassing op het initiatief.

5.9.3 Soortenbescherming
Voor het initiatief is een onderzoek uitgevoerd naar mogelijk voorkomende soorten flora en fauna en de mogelijke effecten van het initiatief op deze soorten en/of de leefgebieden daarvan. Uit het onderzoek blijkt dat het initiatief niet zal leiden tot een verstoring en/of aantasting van (leefgebieden van) soorten flora en fauna.  

In de Omgevingswet zijn regels opgenomen voor de bescherming van soorten flora en fauna. Vanuit deze regels moet de uitvoerder van een zogenaamde flora- en fauna activiteit controleren of en welke soorten dieren en planten aanwezig zijn bij het uitvoeren van de activiteit. Het is daarbij van belang of sprake is van een zogenaamde flora- en fauna activiteit. Een flora- en fauna activiteit is een activiteit die mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten heeft. Concreet betekent dit dat voor iedere activiteit in de fysieke leefomgeving moet worden gecontroleerd of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dit dan zijn. Deze controle moet plaatsvinden voordat de activiteit wordt uitgevoerd.

Nadat deze controle heeft plaatsgevonden moet worden bepaald of nadelige effecten op deze mogelijk aanwezige soorten kunnen worden uitgesloten. Als nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten dan moet worden nagegaan wat de nadelige gevolgen zijn en moeten maatregelen genomen worden om nadelige gevolgen voor planten en dieren te voorkomen. Als deze maatregelen ook niet mogelijk blijken of geen effect blijken te hebben dan moet de activiteit stoppen of moeten passende herstelmaatregelen worden getroffen.

Voor het initiatief is een ecologisch onderzoek uitgevoerd, waarin is onderzocht of er ter plaatse mogelijk soorten aanwezig zijn, welke soorten mogelijk aanwezig zijn en wat de eventuele effecten van het initiatief op de (leefgebieden van de) betreffende soorten zijn. Uit dit onderzoek blijkt het volgende:

"Op basis van uitgevoerd onderzoek zijn geen effecten met werkzaamheden te verwachten die van negatieve invloed zijn op de mogelijk aanwezige beschermde soorten en hun functioneel leefgebied. De te slopen stallen bieden geen geschikte verblijf- of nestplaatsen voor vleermuizen of vogels. De bakstenen gevels zijn voorzien van afgedichte stootvoegen, de luchtinlaten zijn met gaas afgesloten en onder de daken is vogelschroot aangebracht, waardoor geen toegang mogelijk is. De recent ontstane openingen door gedeeltelijk verwijderde ramen bestaan pas sinds enkele weken. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van verblijf van vleermuizen, of sporen of nesten van vogels aangetroffen in de stallen. Ook is sprake van frequente menselijke activiteit en verstoring in en rond de stallen. De aanwezige vegetatie blijft geheel behouden.

Natuurgebieden worden niet aangetast door de ontwikkeling in het plangebied. Het verdwijnen van de varkenshouderij zal positieve effecten teweegbrengen door het verminderen van stikstofuitstoot en geuroverlast, waardoor de externe stikstofbelasting op Natura 2000-gebieden of Natuurnetwerk Nederland gebieden zelfs afneemt. Een Aerius-berekening kan dit staven.

Nader onderzoek of een omgevingsvergunning in het kader van de ecologie is dan ook niet nodig."

Het volledige onderzoeksrapport van de uitgevoerde quickscan is opgenomen als "Bijlage 6 Quickscan flora en fauna". In het rapport worden enkele aanbevelingen gedaan om nadelige gevolgen op mogelijk voorkomende soorten te voorkomen. Deze aanbevelingen zullen in acht worden genomen bij het initiatief. Daarnaast wordt de zorgplicht te allen tijde in acht genomen.

Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke verstoring en/of aantasting van (leefgebieden van) mogelijk voorkomende soorten flora en fauna.

5.9.4 Natuurnetwerk Nederland
De locatie is niet in het Natuurnetwerk Nederland of binnen 250 meter daarvan gelegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een mogelijke aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van de betreffende gebieden.  

De natuur maakt vanuit de Omgevingswet deel uit van de fysieke leefomgeving. Voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden geldt, naast een specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden, houtopstanden en soorten flora en fauna, een algemene zorgplicht. Vanuit deze algemene zorgplicht geldt ook voor de gebieden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) een aanvullende bescherming.

Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor het NNN geldt dat het natuurbelang in deze gebieden prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen.

Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op.

De provincie Limburg heeft voor het behoud en de bescherming van het NNN specifieke regels vastgelegd in de omgevingsverordening.

Als een ontwikkeling binnen het NNN plaatsvindt dan moet worden aangetoond dat de activiteiten niet leiden tot beperkingen voor het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken in het gebied. In beginsel wordt in deze gebieden geen nieuwe bebouwing toegelaten. Eventueel kan in overleg met de provincie maatwerk worden toegepast. In dat geval dient het verlies aan ecologische waarden en kenmerken in het gebied te worden gecompenseerd.

Als een ontwikkeling niet binnen het NNN plaatsvindt, dan moet worden gekeken of de activiteiten kunnen leiden tot een aantasting van de ecologische waarden en kenmerken in het gebied. Dit wordt ook wel de externe werking genoemd. Als sprake is van mogelijke aantastingen dan moeten de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en moeten overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd. Dit geldt niet voor eventuele effecten door de verspreiding van stoffen in de lucht of in het water.

Nadelige effecten treden vooral op als binnen een afstand van 250 meter van het NNN activiteiten worden uitgevoerd met een uitstraling van licht, een uitstraling van geluid en/of een emissie van fijnstof.

Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie niet in het NNN gelegen. Het dichtstbijzijnde gebied dat is opgenomen in het NNN is op een afstand van ongeveer 295 meter van de locatie gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.MLNIEUWENHOFWEG4-BPO1_0013.png"

Uitsnede kaart NNN.
Bron: Provincie Limburg.

Omdat de locatie niet in het NNN en/of binnen 250 meter daarvan is gelegen zal geen sprake zijn van een mogelijke aantasting van de ecologische kenmerken en waarden van de betreffende gebieden.

5.10 Volksgezondheid

Vanuit de Omgevingswet moet sprake zijn van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Daarom is het belangrijk dat de mogelijke gevolgen voor de gezondheid van activiteiten in beeld worden gebracht en waar mogelijke zoveel mogelijk moeten worden beperkt. Daarbij moet gevaar voor besmetting zoveel mogelijk worden voorkomen.

Vooral veehouderijen kunnen mogelijk gevolgen hebben voor de gezondheid van omwonenden. Dit speelt vooral bij varkenshouderijen, pluimveehouderijen en geitenhouderijen. De gevolgen op de gezondheid kunnen op verschillende manieren tot stand komen, bijvoorbeeld via direct contact met de dieren, via de lucht, via de mest of via dierlijke voedingsmiddelen. Als sprake is van een veehouderij dan is het belangrijk dat de mogelijke gevolgen van die veehouderij op de volksgezondheid in beeld worden gebracht.

De Omgevingswet bevat geen specifieke normen voor volksgezondheid. Wel is het belangrijk dat sprake is van een gezonde leefomgeving. Er is echter nog geen duidelijk resultaat uit de verschillende onderzoeken die zijn uitgevoerd naar de mogelijke gevolgen van veehouderijen op de gezondheid van mensen. Het is daarom nog niet duidelijk op welke manier veehouderijen eventueel kunnen leiden tot mogelijke gevolgen voor de gezondheid. Tot dat er op basis van een duidelijk onderzoek een specifieke norm wordt vastgelegd moeten gemeenten zelf normen voor volksgezondheid opnemen in het geldende omgevingsplan.

De gemeente Horst aan de Maas heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Totdat de gemeente een omgevingsplan vaststelt met daarin de normen voor volksgezondheid opgenomen zijn de huidige richtlijnen die worden gevolgd door de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) het uitgangspunt voor het in beeld brengen van de mogelijke gevolgen van veehouderijen op de gezondheid van mensen. De GGD volgt de uitgangspunten uit de "Handreiking veehouderij en volksgezondheid", het "Endotoxine toetsingskader" en het onderzoek "Veehouderij en Gezondheid Omwonenden". Deze uitgangspunten zijn verwerkt in het stappenplan uit de "Handreiking veehouderij en volksgezondheid".

5.10.1 Mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid aan de omgeving
Het initiatief zal geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor de volksgezondheid in de omgeving. Er is geen verder advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst nodig. Het initiatief is voldoende afgewogen en wordt als aanvaardbaar beschouwd.  

De gemeente Horst aan de Maas heeft in het geldende omgevingsplan geen specifieke normen opgenomen voor volksgezondheid, waarmee gebruik wordt gemaakt van de zogenaamde "Handreiking veehouderijen en volksgezondheid" voor het in beeld brengen van de mogelijke effecten van veehouderijen op de volksgezondheid. Dit is vooral van belang als sprake is van het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een veehouderij of wanneer bewerking of verwerking van mest als zelfstandige activiteit plaatsvindt.

Met het initiatief is geen sprake van het oprichten, wijzigen en/of uitbreiden van een veehouderij. De veestapel neemt juist aanzienlijk af door de beëindiging van de intensieve veehouderij, waarmee de risico's voor de volksgezondheid eveneens afnemen. Daarnaast is geen sprake van het houden van geiten of een combinatie van meerdere diersoorten en vindt geen bewerking of verwerking van mest als zelfstandige activiteit plaats. Verder advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) is daarmee niet nodig.

Het initiatief zal daarmee geen mogelijke gevolgen hebben voor de volksgezondheid en wordt dan ook als aanvaardbaar beschouwd.

5.10.2 Mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid op de locatie
Het initiatief zal geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor de volksgezondheid op de locatie. Het initiatief is voldoende afgewogen en wordt als aanvaardbaar beschouwd.  

Als nieuwe gevoelige gebouwen of locaties worden opgericht of als gevoelige gebouwen of locaties worden gewijzigd dan kan mogelijk sprake zijn van gevolgen voor de volksgezondheid op de locatie. Het is in dat geval dan belangrijk om te bekijken of er sprake is van mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid en zo ja, of deze dan aanvaardbaar zijn of dat deze kunnen worden beperkt.

Het is daarbij vooral van belang of in de omgeving van de locatie veehouderijen aanwezig zijn en/of bewerking of verwerking van mest als zelfstandige activiteit plaatsvindt. Ligt de locatie nabij een veehouderij of een installatie voor de bewerking of verwerking van mest dan moet een verdere afweging worden gemaakt van de mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid. Hiervoor moet een gemeente normen opnemen in het omgevingsplan.

In sommige gevallen kan een gemeente advies vragen bij de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD), waaruit dan moet blijken of sprake is van een aanvaardbare situatie.

Bij het initiatief wordt een bedrijfswoning opgericht. Deze bedrijfswoning is echter reeds vergund als bedrijfswoning bij de intensieve veehouderij. De toetsing aan de milieuaspecten heeft bij de vergunningverlening al plaatsgevonden. Omdat de vergunde agrarische bedrijfswoning in gebruik wordt genomen als agrarische bedrijfswoning bij de paardenhouderij is geen sprake van wijzigingen ten aanzien van de huidige vergunde situatie. De bedrijfswoning wordt daarmee niet beschouwd als nieuw gevoelig gebouw en hoeft derhalve niet opnieuw te worden getoetst.

Met het initiatief wordt het realiseren van tien appartementen voor grooms en ruiters mogelijk gemaakt. Deze kunnen worden gezien als gevoelige ruimtes. Het is daarom belangrijk om af te wegen of er mogelijke gevolgen zijn voor de volksgezondheid op de locatie. Gemeenten moeten hiervoor normen opnemen in het geldende omgevingsplan.

De gemeente Horst aan de Maas heeft in het geldende omgevingsplan geen specifieke normen opgenomen voor volksgezondheid. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveebedrijven. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden (zie paragraaf 5.2) die aangehouden moeten worden rondom dit type bedrijven. Er bevinden zich rondom de locatie geen activiteiten met betrekking tot mestbewerking of verwerking plaats in de directe omgeving van het plangebied.

Het initiatief is daarmee voldoende afgewogen op het gebied van volksgezondheid en wordt als aanvaardbaar beschouwd.

5.11 Cultureel erfgoed

Vanuit de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving belangrijk. Daarbij staat een gezonde en veilige leefomgeving centraal. De omgang met het cultureel erfgoed in de leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Het gaat dan om bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor rijksmonumenten, het aanstellen van een monumentencommissie, of rekening houden met cultureel erfgoed in omgevingsplannen.

De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een volledige bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Daarbij wordt de zorg voor cultureel erfgoed en voor cultuurgoederen in bezit van de overheid geregeld in de Erfgoedwet en de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving in de Omgevingswet. Onder het cultureel erfgoed wordt onder andere verstaan de archeologische waarden, cultuurhistorische waarden en aardkundige waarden.

5.11.1 Archeologische waarden
Voor het initiatief is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat met het initiatief geen sprake zal zijn van een aantasting van mogelijk voorkomende archeologische resten en/of waarden.  

Gemeenten moeten bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels opnemen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek.

In beginsel moeten gemeenten ontwikkelingen met een oppervlakte van minder dan 100 m² vrijstellen van archeologisch onderzoek. Echter kan een gemeente in een omgevingsplan een grotere of kleinere vrijstellingsgrens vastleggen. Bijvoorbeeld in historische binnensteden, waar de kans op het aantreffen van archeologische sporen heel groot is en daarom een kleinere grens nodig is. Zo kan een gemeente in gebieden met een lage archeologische verwachtingswaarde kiezen om een grotere vrijstellingsgrens vast te leggen. De mate van vrijstelling is afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde van het gebied. De gemeente zal daarom goed moeten onderbouwen met inhoudelijke argumenten waarom voor een bepaalde vrijstellingsgrens wordt gekozen.

Gemeenten moeten de gekozen vrijstellingsgrenzen in het geldende omgevingsplan opnemen. De vrijstellingsgrenzen zijn afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde in de verschillende gebieden.

De gemeente Horst aan de Maas heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor archeologisch onderzoek hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

In het geldende omgevingsplan zijn verschillende verwachtingswaarden opgenomen voor archeologie. Afhankelijk van de verwachtingswaarde die van toepassing is op een locatie of in een gebied geldt een specifieke vrijstellingsgrens. De locatie is voor een deel gelegen in een gebied met de verwachtingswaarde 'Waarde - Archeologie 4'. In deze gebieden geldt een vrijstelling voor ingrepen met een oppervlakte van maximaal 2.500 m² en een diepte van maximaal 50 centimeter onder het maaiveld.

Met het initiatief zullen de vrijstellingsgrenzen worden overschreden. Het is daarom mogelijk dat met het initiatief mogelijk voorkomende archeologische resten en/of waarden worden aangetast. Om te onderzoeken of op de locatie sprake is van mogelijk voorkomende archeologische resten en/of waarden die kunnen worden aangetast is door een archeologisch deskundige een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt het volgende: (PM).

5.11.2 Cultuurhistorische waarden
De locatie is gelegen in een gebied met cultuurhistorisch waardevolle elementen. Het initiatief zal echter niet leiden tot een mogelijke aantasting van deze cultuurhistorisch waardevolle elementen.  

De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder valt ook het cultuurhistorisch erfgoed. Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang.

De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd.

Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie in een gebied gelegen waarin cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn. Het is daarom van belang dat deze cultuurhistorische waarden en elementen niet zullen worden aangetast.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.MLNIEUWENHOFWEG4-BPO1_0014.png"

Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart.
Bron: Provincie Limburg.

Nabij de locatie is een kapel gelegen met historische betekenis. Het initiatief vindt uitsluitend op het eigen erf plaats en zal geen wijzigingen aan het landschap en aan de kapel tot gevolg hebben. De betreffende kapel zal daarmee niet worden aangetast.

Voor het overige zijn er nabij de locatie geen waardevolle elementen gelegen die kunnen worden aangetast als gevolg van het initiatief.

Daarnaast heeft de gemeente een eigen beleidskaart en kenmerkenkaart cultuurlandschap. De locatie is weergegeven in onderstaand figuur:

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.MLNIEUWENHOFWEG4-BPO1_0015.png"

Figuur: uitsnede kenmerkenkaart cultuurlandschap.
Bron: Gemeente Horst aan de Maas.

Het gebied is hoog gewaardeerd als jonge heide ontginning met verspreide bebouwing. De gestippelde lijnelementen in het kaartbeeld betreffen inmiddels verdwenen paden en wegen van voor 1841, ook zijn de waterloop en bomenrijen gemarkeerd. Gezien deze cultuurhistorische context is het van belang te toetsen of het initiatief leidt tot een mogelijke aantasting van cultuurhistorische waardenvolle elementen in de omgeving.

Bij het wijzigen van het omgevingsplan dient zorgvuldig te worden getoetst of het initiatief negatieve effecten heeft op cultuurhistorische waardevolle elementen. In dit geval is het gebied gekarakteriseerd als een jonge heideontginning, wat duidt op een landschap dat na 1850 is ontstaan door ontginning van heidegronden voor landbouwdoeleidnen. Dit type landschap heeft zijn eigen cultuurhistorische waarde, vooral vanwege de specifieke ontginningsgeschiedenis en de verspreide bebouwing.

De aanwezigheid van voormalige paden en wegen uit voor 1841, gemarkeerde waterlopen en bomenrijen wijst op een historisch gebruik van het landschap dat nu grotendeels verdwenen is. Deze elementen vormen belangrijke aanwijzingen voor de vroegere inrichting en het gebruik van het gebied. Het behoud van deze sporen is essentieel voor het begrijpen van de cultuurhistorische ontwikkeling van het landschap.

Bij de omschakeling naar paardenhouderij is het van belang dat de nieuwe bedrijfsvoering geen negatieve invloed heeft op de resterende cultuuhistorische elementen. Dit kan worden bereikt door zorgvuldig om te gaan met de locatiekeuze, het behoud van bestaande structuren en het vermijden van ingrepen die de zichtbaarheid of leesbaarheid van de cultuurhistoriche elementen verminderen. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de ruimtelijke samenhang en de herkenbaarheid van het landschap als jonge heideontginning.

Hoewel de bestaande stallen gesloopt en nieuwe stallen gebouwd worden, zal dit geen aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen veroorzaken, om de volgende redenen:

  • Nieuwbouw op bestaande erven: De nieuwe stallen worden gerealiseerd op de locaties van de voormalige opstallen. Hierdoor blijven de historische lijnen en de ruimtelijke structuur van het erf in het landschap behouden. Er vindt geen uitbreiding naar waardevolle open landschapselementen of historische lijnen plaats.
  • Behoud van cultuurhistorische referenties: De zichtbare elementen van het historische landschap, zoals de oude waterlopen, bomenrijen en de patronen van verspreide bebouwing, blijven onaangetast. Het initiatief respecteert deze referenties en versterkt de leesbaarheid van het historische patroon door sloop en nieuwbouw binnen het bestaande erf.
  • Kleinschalige en landschappelijk inpasbare bebouwing: De nieuwe stallen zijn qua schaal en vorm afgestemd op de omgeving, waardoor het historische karakter van het gebied niet wordt aangetast. Er ontstaan geen ingrijpende visuele effecten die de herkenbaarheid van de jonge heideontginning beïnvloeden.
  • Geen verstoring van historische routes of lijnen: De voormalige paden en wegen uit voor 1841 blijven herkenbaar in het landschap, doordat er geen nieuwe ontsluitingen of bebouwing worden gerealiseerd op deze historische lijnen.

Op basis van bovenstaande overwegingen kan worden geconcludeerd dat het initiatief, ondanks sloop en nieuwbouw van de stallen, niet leidt tot aantasting van de cultuurhistorisch waardevolle elementen van het gebied.

5.11.3 Aardkundige waarden
De locatie is niet gelegen in een aardkundig waardevol gebied. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting aardkundige waarden.  

Vanuit de Omgevingswet moet rekening worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook de aardkundig waardevolle gebieden. Voor deze gebieden nemen de provincies aanvullende regels op in de omgevingsverordening. Deze regels moeten gemeenten in acht nemen bij het opstellen van het omgevingsplan.

Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen. Binnen deze gebieden is het behoud van de aardkundige waarden van belang.

De locatie is niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen. Het initiatief zal daarmee dan ook niet leiden tot een mogelijke aantasting van aardkundige waarden.

5.12 Water

Het watersysteem is een belangrijk onderdeel van de fysieke leefomgeving. Belangrijke opgaven ten aanzien van water zijn het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Zeker in samenhang met het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit. Daarbij dient aandacht te zijn voor zowel het oppervlaktewater als het grondwater.

Vanuit de Omgevingswet staat de weging van het waterbelang centraal als het gaat om het watersysteem. Bij het opstellen van een omgevingsplan moeten gemeenten rekening houden met de gevolgen van activiteiten voor het beheer van watersystemen. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken.

De locatie valt onder het werkgebied van het Waterschap Limburg. Daarmee is het Waterschap Limburg de waterbeheerder en moeten de opvattingen van het waterschap door de gemeente worden betrokken bij het opstellen van het omgevingsplan.

Het beleid van het waterschap is al eerder omschreven en afgewogen in de paragraaf "Beleid van het waterschap" (paragraaf 4.3). Wel moet nog een zorgvuldige afweging van het initiatief worden gemaakt ten aanzien van het watersysteem en de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater. Daarbij is ook de eventuele afvoer van hemelwater belangrijk.

5.12.1 Waterveiligheid
De locatie is niet in de buurt van een waterkering gelegen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een aantasting van de werking van waterkeringen.  

Waterveiligheid gaat over de bescherming tegen overstromingen. Dit gebeurt met waterkeringen, zoals bijvoorbeeld dijken en duinen. Daarnaast draagt ook het beheren van de waterwegen, zoals rivieren en meren, bij aan het beschermen tegen overstromingen.

Gemeenten moeten in het omgevingsplan regels opnemen over de waterveiligheid. Bij het opstellen van deze regels moeten de gemeenten rekening houden met de uitgangspunten over waterveiligheid zoals zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie van de Rijksoverheid. Daarbij gaat het dan vooral over het toestaan van activiteiten in de omgeving van een waterkering.

De gemeente Horst aan de Maas heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor waterveiligheid hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

De locatie is niet in de buurt van een waterkering gelegen. Het initiatief maakt daarmee geen activiteiten in de omgeving van een waterkering mogelijk. Er is met het initiatief dan ook geen sprake van een mogelijke aantasting van de werking van waterkeringen.

5.12.2 Oppervlaktewater
De locatie is in de buurt van een oppervlaktewater gelegen. Er vinden geen activiteiten plaats binnen de eventuele beschermingszones van oppervlaktewateren en/of er wordt maatwerk toegepast, waarbij in voldoende mate is aangetoond dat deze beschermingszones niet worden belemmerd. Daarnaast worden geen activiteiten uitgevoerd die het oppervlaktewater kunnen verontreinigen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van de kwantiteit en/of de kwaliteit van het oppervlaktewater.  

Oppervlaktewater is al het water in meren, sloten, plassen, vijvers, kanalen, beekjes en rivieren. De kwaliteit van het oppervlaktewater is onder andere belangrijk voor zwemmen en drinkwaterwinning. Het is daarbij van belang dat er voldoende oppervlaktewater beschikbaar is (kwantiteit) en dat dit oppervlaktewater chemisch schoon en ecologisch gezond is (kwaliteit).

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn normen opgenomen waaraan de kwaliteit van het water in Nederland moet voldoen, waarbij een onderverdeling is gemaakt tussen het behalen van een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand. Dit vertaalt zich vooral in het stellen van regels voor een maximale concentratie aan schadelijke stoffen in het oppervlaktewater.

Verder is het belangrijk dat oppervlaktewateren goed beheerd kunnen worden. Voor een aantal oppervlaktewateren is daarom een beschermingszone of zone die vrij moet blijven van obstakels opgenomen.

Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie in de buurt van een oppervlaktewater gelegen. Er is namelijk een watergang aanwezig met een beschermingszone.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.MLNIEUWENHOFWEG4-BPO1_0016.png"

Uitsnede legger oppervlaktewateren.
Bron: Waterschap Limburg.

Het betreft een watergang met een beschermingszone van 5 meter aan weerszijden. Het bouwvlak van de initiatiefnemer is gelegen op een afstand van minimaal 5 meter van de betreffende watergang, waarmee er geen werkzaamheden plaatsvinden binnen de beschermingszone van de betreffende watergang. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een belemmering van de betreffende beschermingszone of zone die vrij moet blijven van obstakels.

Verder is het behoud van een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand belangrijk. Het initiatief voorziet niet in activiteiten met stoffen die het oppervlaktewater kunnen verontreinigen. Er is/wordt daarnaast alleen gebruik gemaakt van duurzame en niet-uitloogbare bouwmaterialen. Het initiatief zal de doelstellingen voor het behoud van een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand daarmee niet in de weg staan.

5.12.3 Grondwater
Met het initiatief is geen sprake van activiteiten waarbij grondwateronttrekking plaatsvindt. Er vinden daarnaast geen activiteiten plaats die kunnen leiden tot een structurele wijziging van het grondwaterpeil. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van de kwantiteit van het grondwater.

Het initiatief maakt geen activiteiten mogelijk die het grondwater kunnen verontreinigen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van de kwaliteit van het grondwater.

Daarnaast zal met het initiatief voldoende rekening gehouden worden met de grondwaterstand en/of worden voldoende maatregelen getroffen om eventuele wateroverlast vanuit het grondwater te voorkomen.  

Het grondwater maakt deel uit van de fysieke leefomgeving en verdient daarom bescherming. Meer dan de helft van het drinkwater wordt namelijk bereid uit grondwater. Er moet sprake zijn van voldoende grondwater (kwantiteit) en dat dit grondwater chemisch schoon en ecologisch gezond is (kwaliteit). Het in stand houden van het peil van het grondwater speelt daarnaast een belangrijke rol.

Gemeenten nemen in de omgevingsvisie en in de eventuele programma's doelstellingen op over hoe met het grondwater omgegaan moet worden. Daarbij wordt een afweging gemaakt van de verschillende functies van het grondwater. Deze doelstellingen en afwegingen worden vervolgens vertaald in regels in het geldende omgevingsplan. Gemeenten mogen daarbij aanvullende regels stellen voor de onttrekking van grondwater en voor activiteiten die het grondwater mogelijk kunnen verontreinigen.

De gemeente Horst aan de Maas heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor het grondwater hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

Met het initiatief is geen sprake van activiteiten die het grondwater onttrekken aan de bodem. Er is daarnaast geen sprake van activiteiten die kunnen leiden tot een structurele wijziging van het grondwaterpeil. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke belemmering voor het in stand houden van het grondwaterpeil.

Het initiatief zal daarmee geen nadelige gevolgen hebben voor de kwantiteit van het grondwater.

Daarnaast is de bescherming van de kwaliteit van het grondwater belangrijk. Daarbij is het behoud van een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand belangrijk. Voor een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand moeten mogelijke verontreinigingen van het grondwater zoveel mogelijk worden voorkomen.

Het initiatief voorziet niet in activiteiten met stoffen die het grondwater kunnen verontreinigen. Er is/wordt daarnaast alleen gebruik gemaakt van duurzame en niet-uitloogbare bouwmaterialen. Het initiatief zal de doelstellingen voor het behoud van een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand daarmee niet in de weg staan.

Het initiatief zal daarmee geen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van het grondwater.

Verder is de grondwaterstand van belang bij eventuele (ver)bouwwerkzaamheden. Er moet bij de (ver)bouw namelijk voldoende rekening worden gehouden met de stand van het grondwater om eventuele overlast te voorkomen.

Met het initiatief is sprake van (ver)bouwwerkzaamheden. Daarmee dient voldoende rekening gehouden te worden met de grondwaterstand op de locatie. Volgens gegevens uit Bodemdata van Wageningen University & Research (WUR) bedraagt de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) ter plaatse van de nieuw te bouwen woningen tussen de 65 en 80 centimeter onder het maaiveld. De grondwaterstand op de locatie is daarmee relatief laag, waarmee deze niet zal leiden tot mogelijke overlast. Er zijn daarmee dan ook geen aanvullende maatregelen nodig ten aanzien van het grondwater.

5.12.4 Afvoer van hemelwater
Het initiatief voldoet aan de normen voor de afvoer van hemelwater. Er is geen aanvullende waterberging nodig. Er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling, waarmee het initiatief niet zal leiden tot overlast door hemelwater.  

Gemeenten moeten zorgen voor de inzameling en de verwerking van hemelwater dat afvloeit vanuit het openbaar terrein. De gemeente hoeft niet te zorgen voor de afvoer van hemelwater van particuliere terreinen. Daarvoor zijn de eigenaren van de particuliere terreinen zelf verantwoordelijk. Alleen als het niet redelijk is om aan de eigenaren van een particulier terrein te vragen het hemelwater af te voeren, bijvoorbeeld als er geen oppervlaktewater in de buurt is waarop zij kunnen lozen of als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, dan is de gemeente alsnog verantwoordelijk voor de afvoer van het hemelwater van dat terrein.

De gemeente en/of de eigenaren van particuliere terreinen moeten voorzieningen aanbrengen waarin het hemelwater kan worden geloosd. Het is niet wenselijk om schoon hemelwater af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi). Daarom heeft het de voorkeur om het schone hemelwater terug te brengen in het lokale milieu of, als dat niet mogelijk is, af te voeren via een schoonwaterriool. Als hemelwater verontreinigd raakt, door bijvoorbeeld een verontreinigd terrein, dan moet dit eerst worden gezuiverd met een speciale voorziening voordat dit mag worden teruggebracht in het lokale milieu.

Gemeenten maken een afweging van hoe en wanneer hemelwater moet worden afgekoppeld op basis van het lokale beleid voor hemelwater, dat zij opnemen in de gemeentelijke omgevingsvisie of in een gemeentelijk rioleringsprogramma. Zij stemmen dit af met de waterbeheerder in de regio. In veel gevallen zal een gemeente kiezen voor een aansluiting bij het beleid van de waterbeheerder voor het afkoppelen van hemelwater. Gemeenten kunnen er echter voor kiezen om afwijkend beleid op te nemen in het gemeentelijk rioleringsprogramma.

Het waterschap maakt onderscheid in een situatie voor maatgevende buien eens in de 10 jaar (T=10) en eens in de 100 jaar (T=100). Bij een situatie T=10 dient de buffer 44 millimeter groot te zijn. Bij een situatie T=100 moet de buffer 100 millimeter bedragen.

Een situatie T=100 is een uitzonderlijke situatie waarbij het terrein gedurende één dag onder water mag staan (inundatie). Voorwaarde hierbij is dat de situatie geen overlast aan de omliggende percelen mag veroorzaken.

Met het initiatief is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij, waarbij deze wordt omgeschakeld naar een gebruiksgerichte paardenhouderij.

Bij de beëindiging van de intensieve veehouderij worden de voormalige bedrijfsgebouwen, uitgezonderd de bedrijfswoning en de daarbij behorende of te behouden bijgebouwen, in zijn geheel gesloopt. In totaal zal ongeveer 7.700 m² aan bedrijfsbebouwing worden gesloopt.

Ten behoeve van de gewenste paardenhouderij zal nieuwe bedrijfsbebouwing worden gebouwd. In totaal zal ongeveer 6.800 m² aan nieuwe bedrijfsbebouwing worden aangelegd. Daarnaast zullen nieuwe voorzieningen (buitenrijbak, paddocks, grasweides) worden aangelegd. Deze nieuwe voorzieningen hebben echter geen verharde ondergrond, waarmee deze niet worden gezien als een toename van het verhard oppervlak.

Het verhard oppervlak zal als gevolg van het initiatief afnemen met ongeveer 900 m². Omdat geen sprake is van een toename, maar van een afname van het verhard oppervlak is sprake van een zogenaamde hydrologisch neutrale ontwikkeling. Er is voor het initiatief geen aanvullende waterberging nodig. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot overlast van hemelwater.

Voor nieuwe ontwikkelingen adviseert het waterschap om klimaatadaptief/klimaatneutraal te bouwen. Daarbij hanteren zij als uitgangspunt een bergingscapaciteit van 100 millimeter in 24 uur. Voor het initiatief zou dit een capaciteit van een voorziening van 680 m³ betekenen.

Ondanks dat voor het initiatief geen aanvullende waterberging nodig is zal, om tegemoet te komen aan het advies van het waterschap om klimaatadaptief/klimaatneutraal te bouwen, alsnog worden voorzien in een retentievoorziening voor de opvang van hemelwater. Daarmee worden extra stappen gezet in klimaatadaptatie en de omgang met hemelwater. De waterberging heeft een diepte van maximaal 40 centimeter. De aan te leggen retentievoorziening(en) bestaan uit infiltratiesloten en een buffervijver en zijn nader weergegeven op de situatietekening die ten behoeve van het initiatief is opgesteld en is opgenomen als "Bijlage 2 Landschappelijk inrichtingsplan". Daarin is opgenomen dat het hemelwater wordt opgevangen in de infiltratiesloten die worden aangelegd. Deze infiltratiesloten worden met een ondergrondse verbinding verbonden met de buffervijver. De capaciteit daarbij is ruim voldoende voor klimaatadaptief/klimaatneutraal bouwen. In extreme gevallen kan het peil van de vijver (en door de ondergrondse verbindingen daarmee ook van de infiltratiesloten) worden verlaagd door de buitenrijbak, de paddocks en/of de weides te beregenen.

De voorziening voor waterberging wordt op relatief korte afstand van de primaire watergang van het waterschap aangelegd. Als deze moet worden voorzien van een noodoverloop/overstort richting deze watergang dan is sprake van een vergunningplichtige activiteit. Gezien de waterhuishoudkundige situatie op het erf, waarbij de infiltratiesloten in verbinding staan met de buffervijver en het peil kan worden verlaagd door beregening is een noodoverloop of een overstort op de betreffende watergang niet nodig.

5.13 Duurzaam ontwikkelen

Vanuit de Omgevingswet wordt gestuurd op het bijdragen aan een duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu. Het op een duurzame manier ontwikkelen is daarbij stevig verankerd in de Omgevingswet. Voor een duurzame ontwikkeling wordt, naast duurzaamheid, ook gekeken naar energietransitie (de omschakeling naar een duurzame manier van energie opwekken) en klimaatadaptatie (omgaan met de gevolgen van de verandering van het klimaat).

5.13.1 Duurzaamheid
Met het initiatief is sprake van een duurzame ontwikkeling en/of het initiatief zal de doelstellingen ten aanzien van duurzaamheid niet in de weg staan.  

Duurzaamheid speelt een steeds belangrijkere rol in de samenleving. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat er wordt ontwikkeld op een manier die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar worden gebracht. In de Omgevingswet zijn hiervoor specifieke doelen opgenomen, en het biedt overheden mogelijkheden om duurzaamheid te verankeren in het beleid. Voor ondernemers ontstaan hierdoor kansen om duurzaamheidsprojecten te initiëren en uit te voeren.

Gemeenten kunnen in het omgevingsplan regels vastleggen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, zoals het bergen van water, natuurinclusief bouwen, of het voorkomen van hittestress door hittebestendig te bouwen. Daarnaast kunnen gemeenten omgevingswaarden opnemen: meetbare normen die de gewenste staat of kwaliteit van de fysieke leefomgeving vastleggen, bijvoorbeeld het realiseren van een bepaald aantal windmolens of zonnepaneelinstallaties.

De gemeente Horst aan de Maas heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Totdat dat plan gereed is, is het zogenoemde omgevingsplan van rechtswege, ofwel de “bruidsschat”, leidend. Hierin zijn de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en gemeentelijke verordeningen opgenomen. In het huidige omgevingsplan zijn nog geen specifieke regels of omgevingswaarden voor duurzaamheid opgenomen.

Bij het onderhavige initiatief wordt een intensieve veehouderij beëindigd en omgeschakeld naar een gebruiksgerichte paardenhouderij. Dit heeft meerdere duurzame effecten:

  • De emissies vanuit het bedrijf nemen aanzienlijk af. Door de functieomschakeling kan op deze locatie ook geen nieuwe veehouderij worden gevestigd, waardoor deze emissiereductie blijvend is. Dit draagt bij aan een gezonde en veilige fysieke leefomgeving en een betere omgevingskwaliteit.
  • De nieuwe bedrijfsbebouwing wordt opgericht volgens de actuele eisen voor duurzaamheid en energie, waarmee wordt bijgedragen aan de energie- en klimaatdoelstellingen van overheden.
  • Waar mogelijk wordt duurzaam gebouwd, en de gebouwen worden constructief geschikt gemaakt voor toekomstige voorzieningen voor duurzame energieopwekking, zodat deze mogelijkheden op termijn benut kunnen worden.

Door de combinatie van emissiereductie, duurzame bouw en toekomstbestendige mogelijkheden voor energievoorziening is het initiatief een concreet duurzame ontwikkeling. De realisatie van de paardenhouderij staat de doelstellingen voor duurzaamheid niet in de weg, maar ondersteunt deze juist op het gebied van milieu, energie en klimaat. Met het initiatief is daarmee sprake van een duurzame ontwikkeling en/of het initiatief staat de doelstellingen voor duurzaamheid niet in de weg.

5.13.2 Energietransitie
Met het initiatief wordt een bijdrage geleverd aan de energietransitie en/of het initiatief zal de doelstellingen voor de energietransitie niet in de weg staan.  

Het gebruik van fossiele brandstoffen betekent een eindige bron van energie. Daarnaast komt bij het gebruik ervan een grote hoeveelheid schadelijke stoffen voor het klimaat vrij als broeikasgassen. Het is daarom van belang te zoeken naar meer duurzame en schone manieren voor het opwekken van energie. Vanuit Europese wetgeving wordt gestuurd op een energieneutrale samenleving, waarbij alle gebruikte energie op een duurzame en schone manier wordt opgewekt.

Dit betekent dat er op veel plekken nog een behoorlijke opgave ligt om dit te bereiken. Er is een geleidelijke overgang van het gebruik van fossiele brandstoffen naar duurzame energie nodig, een zogenaamde energietransitie. Vanuit een duurzame samenleving biedt de Omgevingswet mogelijkheden om regels voor energietransitie vast te leggen in een omgevingsplan.

De gemeente Horst aan de Maas heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels en/of omgevingswaarden voor energietransitie zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels en/of omgevingswaarden zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

In het geldende omgevingsplan zijn nog geen specifieke regels of omgevingswaarden voor energietransitie opgenomen. Wel is het van belang dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen al rekening wordt gehouden met mogelijkheden voor energietransitie.

Met het initiatief is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij. Bij de te beëindigen intensieve veehouderijen is het van belang dat de stallen op temperatuur worden gehouden en is daarnaast ventilatie en afvoer van lucht nodig. Dit vraagt om een grote energiebehoefte. Met de omschakeling van de intensieve veehouderij naar een paardenhouderij is het niet langer de stallen constant op temperatuur te houden, waarmee het energieverbruik op de locatie aanzienlijk zal afnemen. Dit komt ten goede aan de energiedoelstellingen.

Daarnaast zal de nieuwe bebouwing geheel worden opgericht volgens de huidige eisen ten aanzien van duurzaamheid en energie. Dit draagt bij aan de energie- en klimaatdoelstellingen van de overheid. Verder zal waar mogelijk gebruik worden gemaakt van duurzame bouwmaterialen en wordt de nieuwe bebouwing constructief geschikt gemaakt voor eventuele voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie, waarmee de mogelijkheden daarvoor op termijn kunnen worden onderzocht.

Het initiatief draagt daarmee bij aan de doelstellingen voor de energietransitie en/of zal deze doelstellingen niet in de weg staan.

5.13.3 Klimaatadaptatie
Met het initiatief is voldoende rekening gehouden met klimaatadaptatie en/of het initiatief zal de doelstellingen voor klimaatadaptatie niet in de weg staan.  

Het klimaat verandert. Steeds vaker is sprake van perioden van droogte afgewisseld met perioden van hevige regenval. Daarnaast komen hevige buien steeds vaker voor. Het is belangrijk om met ontwikkelingen rekening te houden met het veranderende klimaat. Daarbij is het belangrijk om te ontwikkelen met het oog op de mogelijke risico's van wateroverlast door overvloedige neerslag, overstromingen, hitte en droogte. Verder is het van belang te ontwikkelen op manieren om verdere opwarming van de aarde door broeikasgassen te voorkomen.

Vanuit een duurzame samenleving biedt de Omgevingswet mogelijkheden om regels voor energietransitie vast te leggen in een omgevingsplan.

De gemeente Horst aan de Maas heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels en/of omgevingswaarden voor klimaatadaptatie zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels en/of omgevingswaarden zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

In het geldende omgevingsplan zijn nog geen specifieke regels of omgevingswaarden voor klimaatadaptatie opgenomen. Wel is het van belang dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen al rekening wordt gehouden met mogelijkheden voor klimaatadaptatie. Daarbij wordt gekeken naar de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen, het voorkomen van wateroverlast door overvloedige neerslag, eventuele risico's voor overstromingen, het voorkomen van hittestress en het rekening houden met droogte.

Vermindering van de uitstoot van broeikasgassen:

Met het initiatief wordt een intensieve veehouderij beëindigd en omgeschakeld naar een paardenhouderij. Daarmee zal de emissie van broeikasgassen van de gehouden dieren aanzienlijk afnemen. Door het wijzigen van de functie wordt geborgd dat ter plaatse geen nieuwe veehouderij meer kan worden gevestigd, waarmee de emissie van broeikasgassen blijvend afneemt.

Bij de te beëindigen intensieve veehouderij is het van belang dat de stallen op temperatuur worden gehouden en is daarnaast ventilatie en afvoer van lucht nodig. Dit vraagt om een grote energiebehoefte. Met de omschakeling van de intensieve veehouderij naar een paardenhouderij komt deze energiebehoefte grotendeels te vervallen, waarmee het energieverbruik op de locatie aanzienlijk zal afnemen. Op de locatie zal daarmee minder gebruik te hoeven worden gemaakt van broeikasgassen voor het opwekken van energie om aan deze grote energiebehoefte te kunnen voldoen.

Daarnaast zal de nieuwe bebouwing geheel worden opgericht volgens de huidige eisen ten aanzien van duurzaamheid en energie. Daarbij worden de nieuwe woningen gasloos (zonder aansluiting voor het gebruik van aardgas) opgericht. Daarmee wordt bij de nieuwe woningen geen gebruik gemaakt van broeikasgassen voor het opwekken van energie.

Het initiatief draagt daarmee bij aan een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen.

Voorkomen van wateroverlast door overvloedige neerslag:

Met het initiatief is, zoals beschreven in de paragraaf "Afvoer van hemelwater" (paragraaf 5.12.4), sprake van een zogenaamde hydrologisch neutrale ontwikkeling. Dat wil zeggen dat voldoende rekening is gehouden met de afvoer van hemelwater op eigen terrein. Daarbij wordt voldaan aan de richtlijnen hiervoor van de waterbeheerder en/of de gemeente.

Het initiatief draagt daarmee bij aan het voorkomen van wateroverlast door overvloedige neerslag en/of het initiatief staat de doelstellingen voor het voorkomen van wateroverlast door overvloedige neerslag niet in de weg.

Overstromingen:

De locatie is niet nabij een waterkering of een grote rivier, meer of zee gelegen. Daarnaast is de locatie relatief hoog gelegen (gemiddeld 22 meter) ten aanzien van het Nieuw Amsterdams Peil (NAP). Daarmee is de kans op overstromingen op de locatie relatief laag.

Verder zijn de tweede verdieping van de woning en de daken van de bijgebouwen veilig, waardoor er bij een overstroming daar toevlucht kan worden gezocht. Er is daarmee met het initiatief geen sprake van onaanvaardbare risico's voor overstromingen.

Voorkomen van hittestress:

In de omgeving van de locatie is voldoende groen en water aanwezig voor een verkoelende werking. Daarnaast wordt voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing van het erf, waarbij nieuwe landschappelijke elementen worden aangebracht. Deze hebben eveneens een verkoelend effect en bieden beschutting in meer hete perioden.

Daarnaast wordt de nieuwe bebouwing opgericht volgens de huidige eisen ten aanzien van energie en duurzaamheid en daarmee goed geïsoleerd. Daarnaast wordt waar mogelijk gekozen voor materialen die minder hitte vasthouden en uitstralen in hete perioden.

Met het initiatief wordt daarmee voldoende rekening gehouden met de mogelijke gevolgen van hittestress en/of het initiatief staat de doelstellingen voor het voorkomen van hittestress niet in de weg.

Rekening houden met droogte:

In de omgeving van de locatie is al veel groen en water aanwezig, wat bijdraagt aan het vasthouden van water in het gebied. In tijden van droogte is er daarmee voldoende water voorhanden. Daarnaast wordt voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Daarbij worden nieuwe landschappelijke elementen aangebracht. Deze houden meer water vast in het gebied, waarmee wordt bijgedragen aan het voorkomen van droogte in de droge perioden.

Met het initiatief wordt daarmee voldoende rekening gehouden met het voorkomen van droogte en/of het initiatief staat de doelstellingen voor het voorkomen van droogte niet in de weg.

Op basis van het voorgaande wordt met het initiatief voldoende rekening gehouden met klimaatadaptatie en/of staat het initiatief de doelstellingen voor klimaatadaptatie niet in de weg.

5.14 Mobiliteit

Vanuit de Omgevingswet wordt ingezet op een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Mobiliteit maakt deel uit van de fysieke leefomgeving en moet daarom worden meegenomen in de afweging van de mogelijke effecten van een ontwikkeling op de fysieke leefomgeving.

Voor de infrastructuur van de Rijksoverheid zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels opgenomen voor de provincies en gemeenten. De provincies en gemeenten kunnen het beleid voor mobiliteit verder invullen.

Nieuwe ontwikkelingen mogen niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. Er moeten daarnaast voldoende parkeerplaatsen en fietsenstallingen gerealiseerd worden. Wat daarbij voldoende is dat is afhankelijk van de locatie en het gemeentelijke beleid daarvoor.

5.14.1 Infrastructuur
Het initiatief zal niet leiden tot mogelijk nadelige effecten op de omliggende wegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke gevolgen voor de infrastructuur.  

Vanuit de Omgevingswet wordt gestuurd op een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem en het in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur. Daarbij mogen nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. Het is daarom belangrijk om te kijken naar de mogelijke effecten van een ontwikkeling op de omliggende wegen.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor autosnelwegen, autowegen en hoofdspoorwegen, Rijksvaarwegen en landelijke fiets- en wandelroutes. Daarnaast zijn regels opgenomen over het voorkomen van belemmeringen voor het gebruik en beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur en de Rijkswegen.

De locatie is niet nabij een autosnelweg, autoweg, hoofdspoorweg, Rijksvaarweg en/of landelijke fiets- of wandelroute gelegen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot mogelijke belemmeringen voor het gebruik en het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur, Rijksvaarwegen en/of de Rijkswegen.

Voor het beheer van de provinciale infrastructuur kan de provincie aanvullende regels opnemen in de provinciale omgevingsverordening. Daarbij kan de provincie ook gebieden aanwijzen die gereserveerd zijn voor wijzigingen in het provinciaal weggennet.

De locatie is niet aan een provinciale weg gelegen. De locatie is ook niet in een gebied gelegen dat is aangewezen voor eventuele wijzigingen in het provinciale weggennet. De Nieuwenhofweg is op dit moment een onverharde weg die aansluit op de Broekhuizerdijk. Echter is in de huidige situatie sprake van een intensieve veehouderij. Er worden momenteel geen belemmeringen ervaren door de onverharde weg. Deze weg wordt zelfs met zwaar verkeer dagelijks benut. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot mogelijke belemmeringen voor het gebruik en het beheer van de provinciale infrastructuur.

Voor de overige infrastructuur mogen nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot belemmeringen daarvan. Hiervoor kunnen gemeente, waar nodig, aanvullende regels opnemen in het omgevingsplan. Of aanvullende regels nodig zijn is afhankelijk van het type infrastructuur en de locatie daarvan.

De gemeente Horst aan de Maas heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels voor infrastructuur zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

De locatie is niet nabij een van de soorten infrastructuur gelegen waarvoor in het omgevingsplan aanvullende regels zijn opgenomen. Het initiatief zal daarnaast ook niet leiden tot wijzigingen aan de bestaande infrastructuur. Daarmee zal het initiatief niet leiden tot problemen op de omliggende wegen.

5.14.2 Parkeren
Met het initiatief zal sprake zijn van voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein.  

Met het oog op een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is het belangrijk dat wordt voorzien in een goed beleid voor het parkeren. Hiervoor kunnen gemeenten specifieke regels en normen opnemen in het omgevingsplan.

De gemeente Horst aan de Maas heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels voor parkeren zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

Bij nieuwe ontwikkelingen moet zoveel mogelijk worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein. Daarbij is het belangrijk dat wordt voldaan aan de parkeernormen uit het geldende omgevingsplan. Vanuit het geldende omgevingsplan wordt de Nota Parkeernormen van de gemeente Horst aan de Maas van toepassing verklaard, waarmee de parkeernormen uit deze nota leidend zijn voor het bepalen van de parkeerbehoefte.

Met het initiatief is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij, waarbij deze wordt omgeschakeld naar een gebruiksgerichte paardenhouderij.

In de nota is voor een manege en/of paardenhouderij een parkeernorm opgenomen van 0,4 parkeerplaatsen per box. Bij de gewenste paardenhouderij zullen paardenstallen met in totaal 84 boxen aanwezig zijn. Volgens de nota zijn voor de gewenste paardenhouderij daarmee minimaal 34 parkeerplaatsen nodig.

Bij het gewenste initiatief zal worden voorzien in 20 aangeduide parkeerplaatsen op eigen terrein voor personenauto's. Daarnaast wordt ruimte gereserveerd voor het parkeren van 5 vrachtauto's. Tevens is er op eigen terrein nog ruimschoots ruimte voor het parkeren van personenauto's en vrachtwagens op piekmomenten als dat nodig mocht zijn. Daarmee wordt op eigen terrein voorzien in voldoende parkeergelegenheid. De parkeerplaatsen zijn ingetekend op de situatietekening op schaal, welke is opgenomen als "Bijlage 1 Tekening(en) op schaal".

Met het initiatief zal daarmee sprake zijn van voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein.

5.14.3 Verkeersbewegingen
Het initiatief zal niet leiden tot een onaanvaardbare toename van het aantal verkeersbewegingen. Er zal daarmee geen sprake zijn van verkeershinder in de omgeving als gevolg van het initiatief.  

Als met een nieuwe ontwikkeling sprake is van een grote toename van het aantal verkeersbewegingen dan kan dit leiden tot verkeershinder in de omgeving. Het is daarom belangrijk om in beeld te brengen wat voor gevolgen een ontwikkeling heeft op de verkeersgeneratie (het aantal verkeersbewegingen als gevolg van een activiteit). Gemeenten kunnen voor de verkeersgeneratie van activiteiten richtlijnen of normen opnemen in het geldende omgevingsplan.

Als een gemeente geen specifieke normen voor verkeersgeneratie heeft opgenomen wordt aangesloten bij de landelijk gebruikte richtlijnen voor verkeersgeneratie die zijn opgenomen in de handreiking "Toekomstbestendig parkeren" van het kennisplatform CROW. Aan de hand van deze richtlijnen kan de verkeersgeneratie van de activiteiten worden bepaald.

Met het initiatief is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij, waarbij deze wordt omgeschakeld naar een gebruiksgerichte paardenhouderij.

Voor manege/paardenhouderij is in de handreiking een verkeersgeneratie opgenomen van 4 verkeersbewegingen per box/paard. Bij de gewenste paardenhouderij zullen paardenstallen met in totaal 84 boxen aanwezig zijn. Daarmee zal sprake zijn van in totaal gemiddeld 336 verkeersbewegingen per dag. Dit wil zeggen dat gemiddeld 168 voertuigen per dag de locatie bezoeken en daar weer van vertrekken. De paardenhouderij zal alleen in de dagperiode en avondperiode geopend zijn (gemiddeld tussen 7:00 en 23:00, een periode van 17 uur). Dit betekent dat gemiddeld genomen sprake zal zijn van maximaal 10 voertuigen per uur. Dit betreft geen grote verkeersgeneratie.

Daarnaast zijn er 10 groomsverblijven aanwezig op de locatie. In de praktijk zullen deze nauwelijks verkeersbewegingen veroorzaken omdat de werkzaamheden op het terrein zelf plaatsvinden. Volgens de CROW publicatie zijn er per appartement maximaal 6 verkeersbewegingen te verwachten. Dit betreffen echter verkeersbewegingen licht van aard. In totaliteit komt dit neer op maximaal 60 verkeersbewegingen in relatie tot groomsverblijven per dag.

De verkeersgeneratie is daarnaast een worst-case benadering. In de praktijk zal het aantal verkeersbewegingen lager zijn. Daarnaast komen de verkeersbewegingen van de huidige intensieve veehouderij in zijn geheel te vervallen, waarmee de toename van het aantal verkeersbewegingen in vergelijking tot de huidige situatie aanzienlijk lager is.

Het initiatief zal daarmee niet leiden tot verkeershinder in de omgeving.

5.15 Hoogspanningsverbindingen

Met het initiatief zal geen sprake zijn van mogelijke risico's voor de gezondheid als gevolg van hoogspanningsverbindingen.  

De stroom door de draden van een hoogspanningsverbinding veroorzaakt een magneetveld. De sterkte van het magneetveld hangt onder andere af van de hoeveelheid stroom die door de draden gaat, van de onderlinge afstand tussen de draden en van de volgorde waarin de draden aan de mast hangen. Daarnaast speelt de afstand van personen tot aan de draden een belangrijke rol. Hierdoor kan de veldsterkte per hoogspanningsverbinding verschillen. De magneetvelden zijn het sterkst direct onder de draden, op het punt tussen twee masten waar de draden het laagst boven de grond hangen. Hoe groter de afstand tot de hoogspanningsverbinding, des te zwakker is het magneetveld.

Wanneer mensen in aanraking komen met een magneetveld van een hoogspanningsverbinding dan kunnen gezondheidseffecten optreden als dat magneetveld te sterk is. Uit onderzoek is gebleken dat acute effecten (effecten die meteen optreden en merkbaar zijn) alleen voorkomen bij magneetvelden die een sterkte hebben die in Nederland niet voorkomen op plaatsen die voor publiek toegankelijk zijn.

Daarnaast kunnen echter effecten op de lange termijn optreden bij langdurige blootstelling aan een magneetveld. Het risico op effecten voor de gezondheid is groter naarmate sprake is van een magneetveldsterkte van 0,3 tot 0,4 microtesla of hoger.

Om effecten op de gezondheid te voorkomen is het daarom belangrijk dat gevoelige gebouwen of functies op voldoende afstand van een hoogspanningsverbinding worden gerealiseerd. De afstand die daarbij aangehouden moet worden is afhankelijk van het type hoogspanningsverbinding en de hoeveelheid stroom die er door loopt.

De locatie is niet in de buurt van een hoogspanningsverbinding gelegen. De dichtstbijzijnde hoogspanningsverbinding is gelegen op een afstand van ongeveer 2,3 kilometer van de locatie. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke risico's voor de gezondheid door hoogspanningsverbindingen.

5.16 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen

Met het initiatief zal geen sprake zijn van mogelijke risico's als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.  

In de bomenteelt en, in sommige gevallen, akkerbouw worden geteelde producten mogelijk bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Dergelijke middelen kunnen mogelijk effecten hebben op de gezondheid van omwonenden. Om die reden is het belangrijk om bij nieuwe ontwikkelingen rekening te houden met een mogelijk gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

Ten aanzien van de mogelijke gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen op gevoelige gebouwen is door de Gezondheidsraad op 29 januari 2014 het rapport "Gewasbescherming en omwonenden" gepubliceerd. Dit rapport bevat de resultaten van het door de Gezondheidsraad uitgevoerde onderzoek naar mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen op de volksgezondheid. Uit dit rapport blijkt dat er op dit moment nog geen toereikend onderzoek beschikbaar is waaruit de effecten blijken van gewasbeschermingsmiddelen voor de gezondheid van omwonenden. Ook blijkt uit het rapport geen noodzaak tot een vaste spuitzone (van bijvoorbeeld 50 meter). In het rapport wordt opgemerkt dat wetenschappelijk niet is aan te geven hoe groot de afstand zou moeten zijn tussen een perceel waarop gespoten wordt en gevoelige gebouwen. De precieze relatie tussen de afstand en de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en het hiermee mogelijk voorkomende risico voor de volksgezondheid is onbekend.

Wel is het belangrijk een afweging te maken of bij een perceel waarop (mogelijk) het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen plaatsvindt een spuitzone nodig is. Daarbij zijn de volgende uitgangspunten van belang:

  • Het soort gewasbeschermingsmiddel (biologische of juist giftige middelen).
  • De manier waarop de middelen worden gebruikt (handmatig of machinaal spuiten, in druppel- of dampvorm spuiten, of op- en zijwaarts of neerwaarts spuiten). Een voorbeeld hiervan is dat de rechter van oordeel was dat een spuitzone van 30 meter voor een bloembollenkwekerij onvoldoende was onderbouwd, omdat uit onderzoek was gebleken dat door de manier van spuiten van bloembollen (in neerwaartse richting) het aanhouden van een spuitzone niet noodzakelijk was vanuit het oogpunt van volksgezondheid.
  • Hoe vaak het spuiten plaatsvindt;
  • De weersomstandigheden (bijvoorbeeld aan de windrichting);
  • De inrichting van het landschap (zo is van belang of er een (winterharde) groenhaag aanwezig is (of zal worden aangebracht vanuit een verplichting in de planregels) tussen een perceel waarop gespoten wordt en een gevoelig gebouw. In dat geval blijkt door de vermindering van drift (afhankelijk van de dikte, de hoogte en het type groenhaag) een (veel) kortere afstand aanvaardbaar (dan 50 meter).

Gemeenten moeten in het omgevingsplan voorwaarden opnemen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Vanuit de Omgevingswet kunnen daarbij geen vooraf vastgestelde spuitzones worden aangewezen. Wel kan voor specifieke combinaties van gebruikte middelen en een bepaalde teelt spuitzones worden aangewezen. Een gemeente kan daarnaast in het omgevingsplan aanvullende regels opnemen zoals bijvoorbeeld een verplichting tot het aanbrengen van een groenblijvende haag tussen percelen waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast en een gevoelig gebouw.

De gemeente Horst aan de Maas heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor gewasbeschermingsmiddelen hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

In het geldende omgevingsplan zijn geen aanvullende regels opgenomen over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Tot de tijd dat de gemeente een omgevingsplan heeft vastgesteld met daarin regels over gewasbeschermingsmiddelen is het belangrijk om een afweging te maken op basis van de huidige inzichten. Daarbij is het belangrijk om te kijken naar de afstand tussen de percelen waarop mogelijk gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en gevoelige gebouwen.

Met het initiatief is geen sprake van bomenteelt en/of akkerbouw waarbij gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot mogelijke risico's voor de gezondheid van omwonenden als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

Naast de mogelijke risico's voor de gezondheid van omwonenden als gevolg van de uitgevoerde activiteiten is het belangrijk om ook een afweging te maken van de mogelijke risico's op de locatie als nieuwe gevoelige gebouwen en/of functies worden opgericht in de buurt van percelen waarop mogelijk gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt.

Met het initiatief wordt een bedrijfswoning opgericht. Deze bedrijfswoning is echter reeds vergund als bedrijfswoning bij de intensieve veehouderij. De toetsing aan de milieuaspecten heeft bij de vergunningverlening al plaatsgevonden. Omdat de vergunde agrarische bedrijfswoning in gebruik wordt genomen als agrarische bedrijfswoning bij de paardenhouderij is geen sprake van wijzigingen ten aanzien van de huidige vergunde situatie. De bedrijfswoning wordt daarmee niet beschouwd als nieuw gevoelig gebouw en hoeft derhalve niet opnieuw te worden getoetst.

Bij het initiatief wordt de realisatie van tien appartementen voor grooms en ruiters mogelijk gemaakt. Deze kunnen worden gezien als gevoelige ruimtes. Deze appartementen worden gerealiseerd buiten de richtafstand van 50 meter voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Dit wordt geborgd door de locatie binnen 50 meter van de gronden waarop gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden gebruikt te voorzien van een aanduiding die het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen 50 meter van de te realiseren groomsverblijven uitsluit. Er is daarmee geen sprake van mogelijke risico's voor de gezondheid op de locatie door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op in de buurt gelegen percelen.

5.17 Lichthinder

Met het initiatief zal geen sprake zijn van onaanvaardbare lichthinder aan de omgeving. Daarnaast zal op de locatie geen sprake zijn van onaanvaardbare lichthinder ter plaatse.  

Kunstmatige verlichting kan verschillende soorten nadelige effecten veroorzaken. Er kan sprake zijn van hinder voor de mens, bijvoorbeeld als mensen zich niet kunnen afschermen van het aanwezige kunstlicht, maar daar wel behoefte aan hebben. Daarnaast kan sprake zijn van hinder langs wegen, bijvoorbeeld door reclamezuilen met veel licht of van horizonvervuiling, bijvoorbeeld als het licht van een verlichte stal of verlicht sportveld in het open landschap op grote afstand goed is te zien. Ten slotte kan sprake zijn van verstoring van de natuur, bijvoorbeeld door het verstoren van het gedrag van diersoorten.

Omdat de nadelige effecten van kunstlicht afhankelijk zijn van verschillende factoren, zoals bijvoorbeeld het soort licht en de plaats waar de bron van het licht gevestigd is, heeft de Rijksoverheid in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) alleen instructieregels opgenomen voor kunstlicht in de glastuinbouw bij het gebruik van kassen. Voor de overige vormen van mogelijke lichthinder moeten gemeenten regels opnemen in het geldende omgevingsplan.

De gemeente Horst aan de Maas heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor lichthinder hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

Met het initiatief wordt de beëindiging van een intensieve veehouderij mogelijk gemaakt, waarbij deze wordt omgeschakeld naar een gebruiksgerichte paardenhouderij. Daarbij vinden geen activiteiten de leiden tot mogelijke lichthinder plaats. Er is geen sprake van het gebruik van kunstlicht, anders dan het gangbare gebruikte licht. De buitenrijbak en de paddocks en weides zullen niet van lichtmasten worden voorzien. Het initiatief zal daarmee dan ook niet leiden tot onaanvaardbare lichthinder aan de omgeving.

Verder is het belangrijk om lichthinder voor mensen te voorkomen als nieuwe gevoelige gebouwen worden opgericht. Het gaat dan vooral om ruimtes in deze gebouwen waarin langdurig mensen verblijven. Het is daarbij van belang dat mensen die in deze ruimtes verblijven zich voldoende kunnen afschermen van eventueel hinderlijk kunstlicht uit de omgeving.

Met het initiatief wordt een bedrijfswoning opgericht. Deze bedrijfswoning is echter reeds vergund als bedrijfswoning bij de intensieve veehouderij. De toetsing aan de milieuaspecten heeft bij de vergunningverlening al plaatsgevonden. Omdat de vergunde agrarische bedrijfswoning in gebruik wordt genomen als agrarische bedrijfswoning bij de paardenhouderij is geen sprake van wijzigingen ten aanzien van de huidige vergunde situatie. De bedrijfswoning wordt daarmee niet beschouwd als nieuw gevoelig gebouw en hoeft derhalve niet opnieuw te worden getoetst.

Bij het initiatief wordt de realisatie van tien appartementen voor grooms en ruiters mogelijk gemaakt. Deze kunnen worden gezien als gevoelige ruimtes. In de omgeving van de locatie zijn echter geen bronnen van kunstlicht aanwezig, anders dan het gangbare gebruikte licht. Er zal ter plaatse dan ook geen sprake zijn van onaanvaardbare lichthinder op de locatie.

5.18 Bezonning

Met het initiatief zal geen sprake zijn van mogelijke belemmeringen met betrekking tot bezonning en/of schaduwwerking.  

Bezonning maakt onderdeel uit van de ruimtelijke kwaliteit. Voldoende zonlicht of juist voldoende schaduw op gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken is belangrijk.

Sommige plekken hebben voldoende zon nodig, zoals tuinen, terrassen of speelplaatsen. Dit draagt bij aan een aangenaam verblijfsklimaat. Ook voldoende schaduw op deze plekken is wenselijk. Zodat mensen in de steeds hetere zomers ook de schaduw kunnen opzoeken.

Een te grote toename van schaduw door beplanting, nieuwbouw of andere ruimtelijke ontwikkelingen kan ongewenst zijn. Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat er voldoende bezonning en schaduw is en blijft. De gemeente kan voorkomen dat er te veel schaduw ontstaat. En juist zorgen voor voldoende schaduw. Bijvoorbeeld door regels aan bouwwerken te stellen in het omgevingsplan. Voldoende zon op de gevel van een gebouw kan ook belangrijk zijn. Bij bezonning gaat het echter niet om zonlicht in de woning: dat is het onderwerp daglichttoetreding. Hiervoor staan regels in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

De gemeente Horst aan de Maas heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor bezonning hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

Met het initiatief zal de bebouwde oppervlakte afnemen, waarmee minder schaduwwerking ontstaat. Er is daarmee geen sprake van mogelijke verdere belemmeringen voor de bezonning van omliggende percelen. Daarnaast wordt met de inrichting van de erven rekening gehouden met een indeling waarbij delen van het erf en de omliggende percelen die voldoende zon nodig hebben dit ook krijgen en dat de overige delen voldoende schaduw krijgen.

Met het initiatief is daarmee voldoende rekening gehouden met bezonning en schaduwwerking.

5.19 Slagschaduw van windturbines

Met het initiatief is geen sprake van het oprichten van een windturbine. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke hinder als gevolg van slagschaduw van windturbines aan gevoelige gebouwen en/of functies in de omgeving.

Met het initiatief worden daarnaast geen nieuwe gevoelige gebouwen opgericht en/of gewijzigd. Daarmee zal geen sprake zijn van mogelijke hinder op de locatie door slagschaduw van windturbines in de omgeving.  

In het omgevingsplan staan regels voor de bescherming van gevoelige gebouwen of functies tegen slagschaduw door activiteiten, zoals een windturbine. De regels voor windturbines en windparken staan eerst in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit tijdelijke deel bestaat uit de bruidsschat en planologische regels. In de bruidsschat staan gebruiksregels over slagschaduw van windturbines met een rotordiameter van meer dan 2 meter.

Vanuit de regels die gelden voor windturbines moet een windturbine voorzien zijn van een automatische stilstandvoorziening. Deze schakelt de windturbine uit als er te veel slagschaduw optreedt in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw. De windturbine wordt afgeschakeld als gemiddeld meer dan zeventien dagen per jaar gedurende meer dan twintig minuten per dag slagschaduw kan optreden.

Gemeenten kunnen in het omgevingsplan aanvullende regels opnemen om overlast door slagschaduw van windturbines te voorkomen. Daarbij mogen gemeenten zelf bepalen welke mate van hinder door slagschaduw aanvaardbaar is, maar moeten zij wel de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in acht nemen.

De gemeente Horst aan de Maas heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor slagschaduw hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

Met het initiatief is geen sprake van het oprichten van een windturbine. Daarmee zal vanuit de locatie geen sprake zijn van mogelijke hinder door slagschaduw van windturbines aan gevoelige gebouwen en/of functies in de omgeving.

Verder is het van belang om te kijken of op de locatie sprake kan zijn hinder door slagschaduw vanuit windturbines in de omgeving. Dit is vooral van belang als sprake is van het oprichten of wijzigen van gevoelige gebouwen en/of functies.

Met het initiatief wordt een bedrijfswoning opgericht. Deze bedrijfswoning is echter reeds vergund als bedrijfswoning bij de intensieve veehouderij. De toetsing aan de milieuaspecten heeft bij de vergunningverlening al plaatsgevonden. Omdat de vergunde agrarische bedrijfswoning in gebruik wordt genomen als agrarische bedrijfswoning bij de paardenhouderij is geen sprake van wijzigingen ten aanzien van de huidige vergunde situatie. De bedrijfswoning wordt daarmee niet beschouwd als nieuw gevoelig gebouw en hoeft derhalve niet opnieuw te worden getoetst.

Bij het initiatief wordt de realisatie van tien appartementen voor grooms en ruiters mogelijk gemaakt. Deze kunnen worden gezien als gevoelige ruimtes. In de omgeving van de locatie zijn geen windturbines gelegen die kunnen leiden tot mogelijke hinder door slagschaduw. De dichtstbijzijnde windturbine bevindt zich op een afstand van ongeveer 6,6 kilometer van de locatie. Er zal daarmee op de locatie geen sprake zijn van een mogelijke hinder door slagschaduw vanuit windturbines

5.20 Windhinder

Met het initiatief zal geen sprake zijn van mogelijke nadelige gevolgen door windhinder.  

Wind kan hinder geven of zelfs gevaarlijk zijn. Windhinder treedt vooral op rond hoge gebouwen. De gemeente kan de gevolgen van windhinder beperken door bijvoorbeeld regels aan bouwwerken te stellen in het omgevingsplan.

Windhinder maakt deel uit van de fysieke leefomgeving. De gemeente moet het onderdeel windhinder daarom meenemen bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. De Rijksoverheid heeft voor windhinder geen instructieregels opgesteld. De gemeente heeft daarmee de vrijheid om deze zelf in het omgevingsplan verder in te vullen. Daarbij is het voor de gemeente van belang om rekening te houden met de mogelijke gevolgen van windhinder en daarvoor passende maatregelen op te nemen in het omgevingsplan.

De gemeente Horst aan de Maas heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor windhinder hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

In het geldende omgevingsplan zijn geen regels opgenomen over het aspect windhinder. Het is echter wel belangrijk om te kijken of er sprake kan zijn van mogelijke gevolgen door windhinder.

Windhinder vindt vooral plaats bij of in de buurt van hoge gebouwen. Op de locatie is geen sprake van hoge gebouwen. Daarnaast zijn in de omgeving van de locatie geen hoge gebouwen gelegen. De kans op windhinder is daarmee zeer beperkt.

Er is daarmee geen sprake van mogelijke gevolgen door windhinder.

Hoofdstuk 6 Beperkingengebieden

Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet omschreven als een gebied dat bij of krachtens de wet (door de Rijksoverheid of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object.

De Omgevingswet verplicht de Rijksoverheid en provincies om beperkingengebieden aan te wijzen, zoals zones rond wegen, hoofdspoorwegen, waterkeringen, rijkswegen en vaarwegen. Binnen deze beperkingengebieden stelt de provincie eisen aan aanduidingen, informatieborden en uitwegen. Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, ter plaatse van de weg of het waterstaatswerk als ook in de daaraan grenzende (beschermings)zones. Een beperkingengebied is in feite wat nu de (beschermings)zones onder de voormalige wetgeving waren en in veel gevallen omvat het beperkingengebied ook de locatie van de weg of het waterstaatswerk of object zelf.

Een concreet voorbeeld van een beperkingengebied is een oppervlaktewaterlichaam (bijvoorbeeld een primaire watergang of een A-watergang) inclusief de (beschermings)zones (onderhoudsstroken en eventueel natuurvriendelijke oevers).

Nabij de locatie is een primaire watergang met een beschermingszone (beperkingengebied) gelegen. Het beperkingengebied betreft de beschermingszone van de watergang en is 5 meter breed aan weerszijden van de watergang. Het bouwvlak van de initiatiefnemer is geheel buiten de beschermingszone van de betreffende watergang gelegen. Daarmee zal geen sprake zijn van een mogelijke ontwikkeling in het beperkingengebied en zal dit met het initiatief niet worden aangetast.

Het initiatief zal daarmee geen nadelige gevolgen hebben op werken en/of objecten.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

De Omgevingswet kent geen bepalingen meer over de uitvoerbaarheid van een plan of project. De gemeente hoeft bij het vaststellen of wijzigen van een omgevingsplan niet meer aannemelijk te maken dat een functie die aan een locatie is toegekend ook daadwerkelijk op die locatie zal komen. De gemeente mag bij het opstellen van een omgevingsplan aangeven dat er een functie op een bepaalde locatie kan komen. Of deze functie er dan ook daadwerkelijk komt is minder van belang.

Voorheen moesten gemeenten veel mogelijkheden onderzoeken die er misschien nooit zouden komen. In de Omgevingswet wordt het mogelijk gemaakt dit onderzoek in fases uit te voeren. Pas als een initiatief ook daadwerkelijk uitgevoerd gaat worden dat past binnen de aan de locatie toegekende functie hoeft te worden onderzocht hoe dat initiatief op een aanvaardbare manier gerealiseerd kan worden. De gemeente moet echter nog wel onderzoeken of ontwikkeling op de betrokken locatie in beginsel mogelijk is.

Als sprake is van een concreet initiatief is het wel belangrijk om na te gaan of het initiatief op de gewenste locatie uitvoerbaar is. Daarbij wordt gekeken naar zowel de economische als de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

7.1 Economische uitvoerbaarheid

Het initiatief wordt als economisch uitvoerbaar beschouwd.  

De Omgevingswet biedt ruimte voor de ontwikkeling van activiteiten in de fysieke leefomgeving. Voor de ontwikkeling van gebieden zal ook de overheid vaak kosten moeten maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van openbare voorzieningen, en het wijzigen van het omgevingsplan. De aanleg van voorzieningen vindt in veel gevallen plaats voor rekening van de gemeente. De initiatiefnemers van de ontwikkeling profiteren meer van de aanleg van die voorzieningen dan andere burgers en bedrijven. Om die reden is het gerechtvaardigd om deze kosten te verhalen op de initiatiefnemers.

De Omgevingswet verplicht overheden om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profiteren van de aan te leggen openbare voorzieningen.

De gemeente en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over het kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde "anterieure overeenkomst". De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag.

Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige financiële bijdrage gebiedsontwikkeling worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied.

Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Dat kan in het omgevingsplan of in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (afwijking van het omgevingsplan). Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning.

De overheid mag de kosten alleen verhalen als ze voldoen aan drie criteria: profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid. Ook moet de locatie het kostenverhaal kunnen dragen. Dat houdt in dat er niet meer kosten mogen worden verhaald dan dat er opbrengsten zijn.

Tussen de gemeente Horst aan de Maas en de initiatiefnemer wordt naast dit project een aparte overeenkomst gesloten met betrekking tot het verhalen van de gemaakte kosten. Verder zal ook het verhalen van eventuele nadeelcompensatie in een aparte overeenkomst worden geregeld.

Hiermee is het kostenverhaal in voldoende mate geregeld, waarmee het initiatief economisch uitvoerbaar wordt geacht.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het initiatief wordt als maatschappelijk uitvoerbaar beschouwd.  

Het voorliggende plan betreft een wijziging van het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Horst aan de Maas met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM). De bekendmaking van de voorgenomen wijziging wordt door de gemeente gepubliceerd via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB).

Gemeenten stellen het besluit tot wijziging van het omgevingsplan normaal gesproken op volgens de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met bijhorende toepassingsprofielen (TPOD). De TAM vormt een alternatieve mogelijkheid voor gemeenten om het omgevingsplan te wijzigen, wanneer zij dit nog niet via de nieuwe standaarden kunnen doen. De TAM moet voorkomen dat planvorming onaanvaardbare vertraging oploopt bij de invoering van de Omgevingswet.

In de tijdelijke situatie worden met de voormalige techniek (voormalige planapplicaties) via de voormalige Wet ruimtelijke ordening (Wro)-standaard (IMRO-standaard) wijzigingsbesluiten van het omgevingsplan bekendgemaakt (conform inhoudelijke eisen Omgevingswet). In deze situatie vindt bekendmaking niet plaats via publicatie naar de LVBB, maar op de huidige gebruikelijke wijze. Dit betekent dat het vaststellingsbesluit via DROP (Decentrale Regelgeving en Officiële Publicaties) in het Gemeenteblad wordt gepubliceerd, en het met IMRO vormgegeven plandeel op ruimtelijkeplannen.nl. Via de overbruggingsfunctie zijn deze plannen dan ook direct in de DSO Viewer via het Omgevingsloket te raadplegen. Dit tijdelijke alternatief wordt aangeduid als de TAM-IMRO.

De wijziging van een omgevingsplan met de TAM vindt plaats in een aantal fasen. Deze zijn als volgt:

Voorbereiding:

Tijdens de voorbereiding wordt de opdracht tot wijziging vastgesteld, afstemming georganiseerd en andere input opgehaald. Op basis hiervan worden de uitgangspunten voor het ontwerpbesluit van de omgevingsplanwijziging opgesteld.

Ontwerpen:

In de fase ontwerpen wordt op basis van de uitgangspunten uit de voorbereiding het ontwerpbesluit opgesteld. Tegelijkertijd worden de daarmee corresponderende (toepasbare) regels opgesteld of gewijzigd.

Besluiten:

Bij het besluiten wordt de Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitgevoerd en wordt het besluit vastgesteld.

Bekendmaking:

Bij de bekendmaking wordt het besluit gepubliceerd en worden belanghebbenden geïnformeerd. De noodzakelijk toepasbare regels worden aangeleverd in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).

Rechtsbescherming:

In de fase rechtsbescherming kunnen belanghebbenden tegen het besluit tot wijziging van het omgevingsplan in beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Vanuit de Omgevingswet is het nog wel belangrijk om aan te geven of er voldoende participatie heeft plaatsgevonden.

Zoals in deze toelichting omschreven in de paragraaf "Participatie" (paragraaf 3.2) heeft er ten behoeve van het initiatief voldoende participatie plaatsgevonden. Er zijn daarmee geen verdere maatschappelijke bezwaren ten aanzien van het initiatief.

Met het doorlopen van de procedure voor het wijzigen van het omgevingsplan met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel, waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij participatie heeft plaatsgevonden en waarbij wordt bijgedragen aan de maatschappelijke doelen uit de Omgevingswet, wordt het initiatief maatschappelijk uitvoerbaar geacht.

Hoofdstuk 8 Belangenafweging en conclusie

8.1 Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?

Wanneer sprake is van een wijziging van het omgevingsplan dan wordt het plan alleen gewijzigd met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal, artikel 8.0a, lid 2 Besluit kwaliteit leefomgeving).

Daarnaast gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Zie hiervoor ook de paragrafen "Rijksbeleid" (paragraaf 4.1) en "Provinciaal beleid" (paragraaf 4.2).

De vraag bij de wijziging van het omgevingsplan is of het initiatief, de gevraagde activiteit, leidt tot een situatie, waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling (van functies aan locaties). Anders gezegd: is er, na een zorgvuldige belangenafweging, met het toestaan van de activiteit nog steeds of weer sprake van een evenwichtige toedeling?

Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 4, 5, 6 en 7).

8.2 Conclusie

Zoals blijkt uit de toetsing aan de geldende beleidskaders, welke is opgenomen in het hoofdstuk "Beleidsmatige afweging" (hoofdstuk 4), past het initiatief binnen de beleidsregels, beleidsuitgangspunten en instructieregels van de Rijksoverheid, de provincie, het waterschap en de gemeente. Er is daarmee geen sprake van strijdigheden met het beleid dat van toepassing is op de locatie.

Verder zal het initiatief, zoals nader aangetoond in het hoofdstuk "Afweging effecten op de fysieke leefomgeving" (hoofdstuk 5), geen nadelige gevolgen hebben op de fysieke leefomgeving. Het initiatief zal een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit daarmee niet in de weg staan.

Daarnaast zal met het initiatief, zoals nader aangetoond in het hoofdstuk "Beperkingengebieden" (hoofdstuk 6), geen sprake zijn van een mogelijke aantasting van een werk of object waarvoor een beperkingengebied is opgenomen.

Ten slotte wordt het initiatief, zoals nader is aangetoond in het hoofdstuk "Uitvoerbaarheid" (hoofdstuk 7), zowel economisch als maatschappelijk uitvoerbaar geacht. Verder heeft in voldoende mate participatie plaatsgevonden en is de juiste procedure doorlopen.

Op basis van het voorgaande is met het initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en wordt de ontwikkeling als aanvaardbaar beschouwd.