Regels
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de ontwikkeling op de locatie Horsterdijk 112, Stokterweg 10 Lottum en Horsterweg 23 Broekhuizen en is als nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22I) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22I van het omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord ‘Artikel’, na de spatie en direct voor het artikel nummer ‘22I’ gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct na voor het nummer van de bijlage ‘22I’ gelezen worden.
Artikel 1 Begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:
1.1 Begripsbepalingen
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk;
1.2 Plan
het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I Horsterdijk 112, Stokterweg 10 Lottum en Horsterweg 23 Broekhuizen met identificatienummer NL.IMRO.1507.LTSTOKTERWEG10-BP01 van de Gemeente Horst aan de Maas.
1.3 Driftgevoelige functies
Voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies, zoals wonen, tuin, sport- en speelveldjes, picknickplekken, ligweides.
Parkeervoorzieningen, verbindingswegen en -paden worden niet als driftgevoelige functie aangemerkt.
1.4 Gewasbeschermingsmiddelen
Gewasbeschermingsmiddel als bedoel in artikel 2, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2008 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU 2009, L 309);
Artikel 2 Toepassingsbereik
2.1 Verhouding ruimtelijke regels omgevingsplan tijdelijk deel
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
2.2 Verhouding met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege (bruidsschat)
De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
2.3 Geometrische afbakening reikwijdte TAM-omgevingsplan
De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Horsterdijk 112, Stokterweg 10 Lottum en Horsterweg 23 Broekhuizen, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1507.LTSTOKTERWEG10-BP01 zoals vastgelegd op
www.ruimtelijkeplannen.nl
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen.
De meet- en rekenbepalingen, in aanvulling op a bedoeld in artikel 22.24 van dit omgevingsplan, en de volgende meet- en rekenbepalingen en zijn overeenkomstige toepassing op het meten van waarden die in dit hoofdstuk in m, m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in artikelen 3.1 t/m 3.7.
3.1 Dakhelling
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
3.2 De goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
3.3 De inhoud van een bouwwerk
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
3.4 De bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van onderschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
3.5 De oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
3.6 Afstand tot de bouwperceelsgrens
Tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.
3.7 Ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk
Vanaf het bouwkundig peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
2 Functies en activiteiten
Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toebedeelde functies en activiteiten.
Artikel 5 Agrarisch met waarden
5.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als
Agrarisch met waarden.
5.2 Functieomschrijving
- agrarisch bedrijfsmatig grondgebruik;
- agrarisch hobbymatig grondgebruik;
- extensief dagrecreatief medegebruik;
- bescherming van aardkundige waarden;
- het behoud, de bescherming, de ontwikkeling en/of het herstel van de desbetreffende cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden ter plaatse van de aanduidingen zoals zijn opgenomen in artikel 12 ;
met de daarbij behorende regels:
- tuinen, erven en terreinen, met dien verstande dat erfverhardingen buiten het bouwvlak uitsluitend zijn toegestaan voor zover bestaand;
- paardenbakken, uitsluitend binnen het bouwvlak dan wel bestaande paardenbakken;
- verkeers- en parkeervoorzieningen;
- voorzieningen van openbaar nut;
- water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder bergbezink bassins;
- groenvoorzieningen, natuur- en landschapselementen.
- groenvoorzieningen, natuur- en landschapselementen.
5.3 Bouwactiviteiten
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels:
5.3.1 Algemeen
- op de gronden als bedoeld in artikel 5 lid 1, mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de functie worden gebouwd;
- de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
- in afwijking van het voorgaande mogen buiten een bouwvlak de volgende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd:
- erf- en terreinafscheidingen;
- recreatieve voorzieningen ten behoeve van het extensief dagrecreatief medegebruik, zoals bankjes, picknicktafels en bewegwijzering;
- hoogzitten;
5.3.2 Bedrijfsgebouwen
Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
| Bedrijfsgebouwen | Min. | Max. |
Goothoogte | n.v.t. | 7 m |
| Bouwhoogte | n.v.t. | 14 m |
| Afstand kassen tot de woning van derden | 25 m | n.v.t. |
5.3.3 Bedrijfswoningen
Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels:
| Bedrijfswoning | Min. | Max. |
| Goothoogte | n.v.t. | 7 m |
| Bouwhoogte | n.v.t. | 11 m |
| Afstand tot perceelgrens | 3 m | n.v.t. |
| Inhoud | n.v.t. | 1.000 m³ |
5.3.4 Aangebouwde bijbehorende bouwwerken en carports bij bedrijfswoningen
Voor het bouwen van aangebouwde bijbehorende bouwwerken en carports bij bedrijfswoningen gelden de volgende regels:
| Aangebouwde bijbehorende bouwwerken en carports bij bedrijfswoningen | Min. | Max. |
| Goothoogte | n.v.t. | 3,5 m |
| Bouwhoogte | n.v.t. | 6 m |
| Afstand carports achter de voorgevel van de bedrijfswoning | 0 m carports mogen tot 1 m voor de voorgevel worden gebouwd | n.v.t. |
| Afstand overige bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel van de bedrijfswoning | 1 m | n.v.t. |
| Afstand overige bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel van de bedrijfswoning in het geval dat de bedrijfdswoning meerdere naar de weg gekeerde gevels kent | 3 m | n.v.t. |
| Afstand overige bijbehorende bouwwerken tot het openbaar gebied in het geval van een hoeksituatie | 1 m | n.v.t. |
| Totale gezamenlijke oppervlakte van alle bijbehorende bouwwerken | n.v.t. | 150 m² |
5.3.5 Vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen
Voor het bouwen van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen gelden de volgende regels:
| Vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen | Min. | Max. |
| Goothoogte | n.v.t. | 3,5 m |
| Bouwhoogte | n.v.t. | 6 m |
| Afstand carports achter de voorgevel van de bedrijfswoning | 0 m carports mogen tot 1 m voor de voorgevel worden gebouwd | n.v.t. |
| Afstand overige bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel van de bedrijfswoning | 1 m | n.v.t. |
| Afstand overige bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel van de bedrijfswoning in het geval dat de bedrijfswoning meerdere naar de weg gekeerde gevels kent | 3 m | n.v.t. |
| Afstand tot de zijdelingse perceelgrens | 2,5 m | n.v.t. |
| Afstand tot de bedrijfswoning | n.v.t. | 40 m |
| Totale gezamenlijke oppervlakte van alle bijbehorende bouwwerken | n.v.t. | 150 m² |
5.3.6 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
In aanvulling op artikel 22.27 en 22.36 gelden de volgende regels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
De maatvoering voor bouwwerk, geen gebouw zijnde
| Bouwhoogte van bouwwerk, geen gebouw zijnde | Min. | Max. |
| Omheiningen ten behoeve van paardenbakken | n.v.t. | 1,3 m |
| Lichtmasten ten behoeve van paardenbakken, met dien verstande dat er maximaal 4 lichtmasten per paardenbak zijn toegestaan | n.v.t. | 6 m |
| Erf- en terreinafscheidingen buiten het bouwvlak | n.v.t. | 1 m |
5.4 Maatwerkvoorschriften
- Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van:
- de situering, de oppervlakte, de (goot)hoogte van bebouwing;
- de aard, de hoogte en de situering van erf- en terreinafscheidingen
- een en ander op basis van een landschappelijke inpassingsplan (en/of stedenbouwkundig ontwerp) en met inachtneming van de regels zoals deze gesteld zijn in het Gemeentelijk KwaliteitsMenu.
- De onder a genoemde nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld:
- voor een verantwoorde stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing;
- ter voorkoming van onevenredige aantasting van de waarden en belangen ter plaatse van de aanduidingen zoals die zijn opgenomen in artikel 12 ; dan wel;
- in verband met maatwerk ten aanzien van het agrarisch bouwvlak en de verbetering van de gebiedskwaliteit ten behoeve van duurzaam agrarisch grondgebruik.
5.5 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
5.5.1 Hoogte erf- en terreinafscheidingen buiten het bouwvlak
In afwijking van
artikel 5 lid 3 kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als:
- de bouwhoogte bedraagt maximaal 2 m;
- de grotere hoogte is noodzakelijk in verband met de agrarische functie;
- de erf- en terreinafscheidingen mogen niet dusdanig gesloten zijn dat kleine dieren zoals de das er niet doorheen kunnen;
- bij het realiseren van de erf- of terreinafscheidingen mag geen onevenredige aantasting van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden of natuurwaarden optreden, zoals onder meer uiteen zijn gezet in artikel 12.
5.5.2 Bouwwerken ten behoeve van schuilgelegenheden dan wel kleinschalige opslag
In afwijking van
artikel 5 lid 3 kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met het bouwen van bouwwerken, specifiek schuilgelegenheden danwel kleinschalige opslag toch worden verleend als:
- er niet meer dan één schuilgelegenheid dan wel bouwwerk ten behoeve van kleinschalige opslag per bouwperceel is toegestaan
- een bouwwerk ten behoeve van kleinschalige opslag uitsluitend is toegestaan grenzend aan een functievlak dan wel bouwvlak waarbinnen een (bedrijfs)woning is gesitueerd;
- de oppervlakte niet meer bedraagt dan 18 m²;
- de goothoogte niet meer bedraagt dan 3 m;
- er een kapconstructie mogelijk is, evenals een platte afdekking;
- het bouwwerk dient te worden omsloten met tenminste drie wanden;
- er geen sprake mag zijn van een onevenredige aantasting van aanwezige landschapswaarden, zoals onder meer uiteen zijn gezet in artikel 12 ;
- er vooraf schriftelijk advies dient te worden ingewonnen bij het waterschap en de Keur van het waterschap in acht genomen dient te worden.
5.5.3 Bouwwerken ten behoeve van paardenbakken buiten het bouwvlak
In afwijking van
artikel 5 lid 3 kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met het bouwen van bouwwerken, specifiek bestaande paardenbakken, dan wel middels omgevingsvergunning als bedoeld in
5.7.1 toegestane paardenbakken buiten bouwvlak, toch worden verleend als:
- de bouwhoogte van de omheining van paardenbakken maximaal 1,3 m bedraagt;
- het aantal lichtmasten ten behoeve van paardenbakken maximaal vier per paardenbak bedraagt, waarvan de bouwhoogte niet meer dan 6 m bedraagt.
5.6 Specifieke functieregels
5.6.1 Strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:
- het gebruik van gronden voor buitenopslag
- het gebruik van gronden voor het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - spuitvrije zone';
- het gebruik van gronden en opstallen voor horeca I, horeca II en kleinschalige horeca;
- het gebruik van de gronden voor inpandige statische opslag in kassen;
- het gebruik van de gronden voor verblijfsrecreatie;
- het gebruik van verlichting ten behoeve van bestaande dan wel middels omgevingsvergunning als bedoeld in 5.7.1 toegestane paardenbakken buiten het bouwvlak, met uitzondering van verlichting:
- waarvan de lichtbundel door afscherming wordt gericht op de paardenbak en richting het aangrenzende bouwvlak of de aangrenzende (eigen) woonfunctie;
- die uitsluitend wordt gebruikt tussen 7.00 uur en 23.00 uur;
- ten behoeve van paardenbakken die niet zijn gelegen op, dan wel grenzen aan gronden die (mede) zijn aangewezen als Bos, Natuur, Waarde - Goudgroene zone of Waarde - Zilvergroene zone;
- het gebruik van gronden voor het stallen van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen.
5.6.2 Strijdig gebruik van ammoniakemissie
Onder gebruik in strijd met deze functie wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de functieomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen:
- het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van het houden van vee, het gebruik van kassen en/of het telen van gewassen indien dit leidt tot een toename van de ammoniakemissie ten opzichte van de feitelijke situatie zoals die blijkt of kan worden afgeleid uit:
- een verleende vergunning als bedoeld in artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming, een omgevingsvergunning waarbij de toestemming op grond van artikel 2.7 van de wet is aangehaakt, of een melding op grond van artikel 2.7 van de Regeling natuurbescherming, ten tijde van de vaststelling van dit omgevingsplan, met dien verstande dat in geval van een rekenkundige toename van de ammoniakemissie ten gevolge van aanpassingen in de regeling ammoniak en veehouderij en deze wordt aangemerkt als de feitelijk en legaal aanwezige ammoniakemissie, dan wel;
- indien een vergunning of melding als bedoeld onder 1 ontbreekt: de bestaande activiteit en de daarbij behorende ammoniakemissie die ten hoogste feitelijk door de bestaande activiteit werd veroorzaakt;
- een toename van de ammoniakemissie voor het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van het houden van vee, het gebruik van kassen en/of het telen van gewassen ten opzichte van de feitelijke situatie is wel toegestaan indien het project of de handeling, waar de aanvraag om omgevingsvergunning op ziet een stikstofpositie veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in het Natura 2000-gebied, die afzonderlijk en - ingeval het project of de handeling betrekkeing heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid van de Wet milieubeheer - in cumulatie met andere projecten of handelingen met betrekking tot dezelfde inrichting, in de periode waarvoor het programma als bedoeld in artikel 1.13 Wet natuurbescherming geldt, een waarde overschrijdt die is vastgesteld bij de algemene Maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2.9, vijfde lid, onder a, onder 1 van de Wet natuurbescherming.
5.7 Beoordelingsregels gebruiksactiviteiten
5.7.1 Paardenbakken
In afwijking van
artikel 5 lid 2 kan een omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels, specifiek het realiseren van paardenbakken buiten het bouwvlak bij een (bedrijfs)woning, kan toch worden verleend als:
- het bouwperceel een omvang van ten minste 2.500m² heeft;
- per woning ten hoogste één paardenbak is toegestaan;
- de oppervlakte van een paardenbak niet meer bedraagt dan 1.200 m²;
- de afstand van de paardenbak tot het bouwperceel ten hoogste 50 m bedraagt;
- de afstand tussen een paardenbak en een (bedrijfs)woning van derden ten minste 50 m bedraagt, tenzij deze afstand niet mogelijk is in welk geval de afstand ten minste 25 m bedraagt en door middel van te treffen maatregelen geen hinder is te verwachten voor omwonenden;
- door middel van een inrichtingsplan is aangetoond dat zorg gedragen wordt voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing of landschappelijke compensatie.
5.8 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
6.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als
Wonen.
6.2 Functieomschrijving
Een als
Wonen aangewezen locatie heeft de volgende functies:
- wonen in een woning;
- aan huis verbonden beroepen, onder de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 11 lid 3 ;
met de daarbij behorende:
- tuinen, erven en terreinen;
- paden, wegen, ontsluitings- en (al dan niet verharde) parkeervoorzieningen;
- paardenbakken, uitsluitend binnen het bouwvlak dan wel bestaande paardenbakken;
- voorzieningen van openbaar nut;
- water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
- groenvoorzieningen, natuur en landschapselementen.
6.3 Bouwactiviteiten
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels:
6.3.1 Algemeen
Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende regels:
- op de gronden als bedoeld in artikel 6 lid 1, mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve aan de functie worden gebouwd;
- hoofdgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd;
- aangebouwde bijbehorende bouwwerken dienen aan de onderstaande regeling met betrekking tot hoofdgebouw te voldoen, dan wel aan het gestelde onder regeling bijbehorende bouwwerken.
- het aantal woningen mag niet meer bedragen dan één per bouwvlak, dan wel niet meer dan de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is aangegeven
6.3.2 Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen de volgende regels:
| Hoofdgebouwen | Min. | Max. |
| Goothoogte | n.v.t. | 7 m |
| Bouwhoogte | n.v.t. | 11 m |
| Afstand tot perceelsgrens | 2,5 m | n.v.t. |
| Inhoud | n.v.t. | 1.000 m³ |
6.3.3 Aangebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van aangebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:
| Aangebouwde bijbehorende bouwwerken en carports | Min. | Max. |
| Goothoogte | n.v.t. | 3,5 m |
| Bouwhoogte | n.v.t. | 6 m |
| Afstand carports achter de voorgevel van het hoofdgebouw | 0 m carports mogen tot 1 m voor de voorgevel worden gebouwd | n.v.t. |
| Afstand overige bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel van het hoofdgebouw | 1 m | n.v.t. |
| Afstand overige bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel van het hoofdgebouw in het geval dat het hoofdgebouw meerdere naar de weg gekeerde gevels kent | 3 m | n.v.t. |
| Afstand overige bijbehorende bouwwerken tot het openbaar gebied in het geval van een 1 m hoeksituatie | 1 m | n.v.t. |
| Totale gezamenlijke oppervlakte van alle bijbehorende bouwwerken | n.v.t. | 150 m² per wooneenheid met de uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'oppervlakte', waarvoor geldt dat de maximale oppervlakte per wooneenheid niet meer mag bedragen dan is aangegeven |
| Bebouwingspercentage van het terrein dat hoort bij het hoofdgebouw | n.v.t. | 50% |
| Vrijstaande bijbehorende bouwwerken | Min. | Max. |
| Goothoogte | n.v.t. | 3,5 m |
| Bouwhoogte | n.v.t. | 6 m |
| Afstand carports achter de voorgevel van het hoofdgebouw | 0 m carports mogen tot 1 m voor de voorgevel worden gebouwd | n.v.t. |
| Afstand overige bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel van het hoofdgebouw | 1 m | n.v.t. |
| Afstand overige bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel van het hoofdgebouw in het geval dat het hoofdgebouw meerdere naar de weg gekeerde gevels kent | 3 m | n.v.t. |
| Afstand tot zijdelingse perceelgrens | 2,5 m | n.v.t. |
| Afstand tot hoofdgebouw | n.v.t. | 40 m |
| Totale gezamenlijke oppervlakte van alle bijbehorende bouwwerken | n.v.t. | 150 m² per wooneenheid, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'oppervlakte', waarvoor geldt dat de maximale oppervlakte per wooneenheid niet mer mag bedragen dan is aangeven. |
| Bebouwingspercentage van het terrein dat hoort bij het hoofdgebouw | n.v.t. | 50% |
6.3.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
In aanvulling op artikel 22.27 en 22.36 gelden de volgende regels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
| bouwhoogte van bouwwerk, geen gebouwen zijnde: | Min. | Max. |
| erf- en terreinafscheidingen | n.v.t. | voor de voorgevelrooilijn: 1 m achter de voorgevelrooilijn: 2 m |
| antennes uitsluitend toegestaan achter de achtergevelrooilijn | n.v.t. | 12 m |
6.4 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
6.4.1 Verhogen goot- en bouwhoogte hoofdgebouwen
In afwijking van
artikel 6 lid 2 kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met het bouwen van bouwwerken, specifiek een grotere goot- en/of bouwhoogte van hoofdgebouwen, toch worden verleend als:
- de hoogte mag met maximaal 20% worden verhoogd;
- de cultuurhistorische en architectonische waarde moeten behouden blijven;
- de landschappelijke en natuurwaarden mogen niet onevenredig worden aangetast.
6.5 Beoordelingsregels gebruiksactiviteiten
6.5.1 Strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:
- permanente of tijdelijke bewoning, voor zover het vrijstaande bijbehorende bouwwerken betreft;
- bewoning als afhankelijke woonruimte;
- kamerbewoning;
- seksinrichtingen.
6.5.2 Paardenbakken
In afwijking van
artikel 6 lid 2 kan een omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels, specifiek het realiseren van paardenbakken buiten het bouwvlak bij een woning, kan toch worden verleend als:
- het bouwperceel een omvang van tenminste 2.500 m² heeft;
- per woning ten hoogste één paardenbak is toegestaan;
- de oppervlakte van een paardenbak niet meer bedraagt dan 1.200 m²;
- de afstand van de paardenbak tot het bouwperceel ten hoogste 50 m bedraagt;
- de afstand tussen een paardenbak en een woning van derden of andere geurgevoelige objecten van derden ten minste 50 m bedraagt, tenzij deze afstand niet mogelijk is in welk geval de afstand ten minste 25 m bedraagt en door middel van te treffen maatregelen geen hinder is te verwachten voor omwonenden;
- door middel van een inrichtingsplan is aangetoond dat zorg gedragen wordt voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing of landschappelijke compensatie.
6.5.3 Aan huis gebonden bedrijf/kleine economie
Het uitoefenen van een aan huis gebonden bedrijf/kleine economie is alleen toegestaan indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- er mag geen onevenredige hinder worden toegebracht aan de kwaliteit van het woonmilieu, de maximaal toelaatbare categorie is 2;
- door de uitoefening van de activiteit mag het uiterlijk aanzien van de (bedrijfs)woning inclusief bijgebouwen niet zodanig veranderen, dat de woning inclusief bijgebouwen het karakter van een (bedrijfs)woning geheel of gedeeltelijk verliest; reclame-uitingen zijn niet toegestaan behoudens beperkte naamsaanduidingen aan of bij de bedrijfswoning;
- de oppervlakte van de (bedrijfs)woning inclusief bijgebouwen welke voor de bedrijfsvoering wordt gebruikt mag 30% van het totale vloeroppervlak van de (bedrijfs)woning en de bijgebouwen bedragen; de totale oppervlakte van de activiteit mag niet meer bedragen dan 100 m2. Het te gebruiken oppervlak dient op een tekening te worden aangegeven die bij het besluit wordt gevoegd;
- degene die het aan huis gebonden bedrijf uitoefent, is tevens één van de bewoners van de woning, met dien verstande dat de bedrijfsactiviteiten naast de bewoner door maximaal twee medewerkers mogen worden uitgeoefend;
- er dient sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat in de (bedrijfs)woning;
- de activiteit mag niet leiden tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
- in de parkeerbehoefte wordt in voldoende mate voorzien op eigen terrein, dan wel kan de parkeerbehoefte in de directe omgeving worden opgevangen;
- buitenopslag ten behoeve van het bedrijf op het perceel is niet toegestaan. Stalling van maximaal twee bedrijfsvoertuigen met een maximale lengte van 5 meter is toegestaan, tenzij dit leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving;
- er mag geen sprake zijn van een seksinrichting;
- detailhandel is niet toegestaan, behoudens ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdend met de activiteiten.
6.5.4 Aan huis gebonden beroep
Het uitoefenen van een aan huis gebonden beroep is alleen toegestaan indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- de totale oppervlakte ten behoeve van een aan huis verbonden beroep mag niet meer dan 30% van het totale vloeroppervlak van de woning en de bijgebouwen bedragen tot een maximale oppervlakte van 100 m2. Het te gebruiken oppervlak dient op een tekening te worden aangegeven die bij het besluit wordt gevoegd:
- degene die het aan huis gebonden beroep uitoefent, is tevens één van de bewoners van de woning, met dien verstande dat de beroepsactiviteiten naast de bewoner door maximaal twee medewerkers mogen worden uitgeoefend;
- de activiteit mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving en geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de omgeving;
- in de parkeerbehoefte wordt in voldoende mate voorzien op eigen terrein, dan wel kan de parkeerbehoefte in de directe omgeving worden opgevangen;
- detailhandel is niet toegestaan, behoudens ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdend met de activiteiten.
6.6 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
Het in gebruik nemen van gronden en bouwwerken conform de functie 'Wonen' is uitsluitend toegestaan mits de landschappelijke inpassing, zoals opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan (Bijlage 2 Landschappelijk inpassingsplan), uiterlijk binnen 18 maanden na onherroepelijk worden van de voor de ruimtelijke ontwikkeling verleende omgevingsvergunningen(en) is aangelegd en na realisatie duurzaam in stand wordt gehouden.
Artikel 7 Waarde - Archeologie 3
7.2 Functieomschrijving
De voor
Waarde - Archeologie 3 aangewezen gronden zijn, behalve voor de ander daar voorkomende functie(s), mede aangewezen voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden.
7.3 Bouwactiviteiten
Op en in de gronden als bedoeld in
artikel 7 lid 1 mag niet worden gebouwd, met uitzondering van:
- het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken, waarbij de bebouwing minder diep reikt dan 50 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst;
- bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakten met niet meer dan 500 m² wordt uitgebreid;
- de bestaande bebouwing wordt vergroot met een oppervlakte van ten hoogste 500 m²;
- gebouwen en/of bouwwerken die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan dan wel mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.
7.4 Beoordelingsregel bouwactiviteiten
In afwijking van
artikel 7 lid 3 kan een omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels, specifiek het oprichten van bouwwerken ten behoeven van de op deze gronden liggende andere functie(s), indien op basis van (archeologisch) onderzoek is aangetoond, dat archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Kan toch worden verleend als:
- de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermde bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
- de verplichting tot het doen van opgravingen , of;
- de verplichting om de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
7.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden
Artikel 8 Waarde - Archeologie 4
8.2 Functieomschrijving
De voor
Waarde - Archeologie 4 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede aangewezen voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden.
8.3 Bouwactiviteiten
Op en in de gronden als bedoeld in
artikel 8 lid 1 mag niet worden gebouwd, met uitzondering van:
- het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken, waarbij de bebouwing minder diep reikt dan 50 centimeter en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst;
- bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte met niet meer dan 2.500 m² wordt uitgebreid;
- de bestaande bebouwing wordt vergroot met een oppervlakte van ten hoogste 2.500 m²;
- gebouwen en/of bouwwerken die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit omgevingsplan dan wel mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.
8.4 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
In afwijking van
artikel 8 lid 3 kan een omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels, specifiek het oprichten van bouwwerken ten behoeven van de op deze gronden liggende andere functie(s), indien op basis van (archeologisch) onderzoek is aangetoond, dat archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Kan toch worden verleend als:
- de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermde bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
- de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
- de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
8.5 Omgevingsvergunnining voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden
Artikel 9 Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 10 Algemene bouwactiviteitenregels
10.1 Bestaande afmetingen en afstanden
In de gevallen dat de bestaande goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud of afstand tot enige grens van bouwwerken, die rechtens in overeenstemming met het bepaalde in de Omgevingswet tot stand zijn gekomen, minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels in
hoofdstuk 3 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakten, inhoud of afstand in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan, uitsluitend conform de bestaande situatie.
10.2 Ondergeschikte bouwdelen
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken, buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw c.q. functiegrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.
10.3 Ondergronds bouwen
Binnen het plangebied mag, tenzij anders is aangegeven in de regels, onder gebouwen ondergronds worden gebouwd, onder de volgende voorwaarden:
- ondergrondse gebouwen gelegen buiten de buitenzijde van de gevels van de bovengrondse gebouwen zijn niet toegestaan;
- de diepte van de ondergrondse bebouwing mag niet meer bedragen dan 3,5 m onder peil
10.4 Bouwen in de buurt van agrarische bedrijven
De afstand van een geurgevoelig object tot:
- omliggende agrarische bouwpercelen;
- op het moment van aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen aanwezige boomteelt;
- gronden waarop in een periode van ten hoogste 24 maanden voorafgaand aan de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen boomteelt aanwezig was (gelet op de herplant mogelijkheden);
zal ten minste 50 m bedragen.
Artikel 11 Algemene gebruiksactiviteiten
11.1 Strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik met de functies wordt in ieder geval verstaan het (laten) gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor en/of als:
- het (bedrijfsmatig) vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- of verwerken van producten en mest;
- het plaatsen van kampeermiddelen;
- het gebruik van gronden als volkstuin;
- het beoefenen van lawaaisporten;
- opslag voor de voorgevelrooijlijn
- detailhandel;
- verkooppunt voor motorbrandstoffen, als dan niet inclusief lpg,
- het gebruik van de gronden en opstallen voor een seksinrichting;
- intensief militair gebruik;
- opslag en/of stalling van het gebruik onttrokken voer en vaartuigen en kampeermiddelen, anders dan in het kader van een normaal gebruik overeenkomstig het bestaand gebruik;
- permanente bewoning van bijbehorende bouwwerken;
- permanente bewoning van recreatiewoningen/verblijfsrecreatieve voorzieningen;
- huisvesting van arbeidsmigranten, anders dan bestaande huisvesting van arbeidsmigranten;
- een coffeeshop, growshop, smartshop of een daarmee vergelijkbaar bedrijf;
- geurgevoelig object, indien de afstand minder dan 50 m bedraagt tot:
- omliggende agrarische bouwpercelen;
- op het moment van wijziging van het gebruik aanwezige boomteelt boomgaarden;
- gronden waarop in een periode van ten hoogste 24 maanden voorafgaande aan de gebruikswijziging boomteelt aanwezig was (gelet op de herplant mogelijkheden);
- een en ander, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de functie gerichte beheer of gebruik van de gronden en behoudens indien het gebruik blijkens de regels is toegestaan.
11.2 Warmte-koudeopslag
Open en gesloten systemen die door middel van het isolerend vermogen van de ondiepe bodem energie opwekken, niet zijnde aardwarmte, zijn toegestaan, met dien verstande dat:
- open en gesloten systemen niet zijn toegestaan binnen gronden met de aanduiding 'Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' en 'Milieuzone - hydrologische beschermingszone'.
11.3 Aan huis verbonden beroep
In woningen en/of bijbehorende bouwwerken is het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep toegestaan, onder de volgende voorwaarden:
- de oppervlakte ten behoeve van een aan huis verbonden beroep mag niet meer bedragen 1/3 van de vloeroppervlakte van de woning tot een maximale oppervlakte van 100 m²;
- degene die het aan huis verbonden beroep uitoefent, is tevens de bewoner van de woning, met dien verstande dat de beroepsactiviteiten naast de gebruik(st)er door maximaal twee medewerkers mogen worden uitgeoefend;
- het gebruik mag geen (ernstige of onevenredige) hinder opleveren voor het woonmilieu er geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de omgeving;
- de parkeerbehoefte wordt in voldoende mate voorzien op eigen terrein, dan wel kan de parkeerbehoeften in de directe omgeving worden opgevangen.
11.4 Bed & breakfast
In woningen en/of bijbehorende bouwwerken is het uitoefenen van een bed & breakfast toegestaan, onder de volgende voorwaarden:
- het gebruik mag niet leiden tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabij gelegen gronden en bebouwing;
- de parkeerbehoefte wordt in voldoende mate voorzien op eigen terrein, dan wel kan de parkeerbehoeften in de directe omgeving worden opgevangen;
- het vloeroppervlak ten behoeve van bed & breakfast niet meer dan 100m² bedraagt.
Artikel 12 Algemene aanduidingsregels
12.1 Cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden
Ter plaatse van de aanduidingen in de navolgende tabel zijn de gronden tevens bestemd voor het behoud, de bescherming, de ontwikkeling en/of het herstel van de desbetreffende cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden welke zijn opgenomen in de navolgende tabel:
| Overige zone - heideontginning | - open landschap met onderverdeling van de openheid door bomenlanen;
- overwegend patroon van rechte wegen;
- overwegend rechthoekige tot blokvormige verkaveling;
- kunstmatige lage grondwaterstanden;
- bebouwingslinten met wisselende onderlinge afstanden tussen de erven;
- huidige natuurwaarde is beperkt;
- plaatselijke belang voor vogels (Hooge Heide, Brommer) en amfibieën;
- van nature natte, laag gelegen zandgronden in de natte heide ontginningsgebieden;
- natuurwaarde is gering in de natte heide ontginningsgebieden, met uitzondering van weilanden die van waarde zijn voor (weide)vogels;
- Openheid en landbouwkarakteristiek van het landschap in de natte heideontginningsgebieden behouden en agrarische bebouwing goed verdichten met groen (stevige, strakke erfbelasting).
|
| Overige zone - rivierdal | - kleinschalig landschap met afwisseling van bebouwing en landschapselementen;
- wisselende afstanden tussen bebouwing aan bochtige wegen;
- aanzienlijke hoogteverschillen, reliëfvormen zoals terrasranden zijn zeer waardevol en dienen zichtbaar en bebouwingsvrij te blijven;
- steilranden
- oude akkercomplexen met karakteristieke bolle vorm en openheid;
- cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, met name aan de randen van oude akkercomplexen;
- zichtlijnen over oude akkercomplexen;
- in de lagere delen ruimte geven aan agrarisch natuurbeheer, water en watergebonden natuur;
- hoge natuurwaarde met waardevolle gebieden voor weigevogels een plaatselijk voor amfibieën;
- natuurontwikkeling in en rondom kleiputten (ontgrondingen);
- bebouwing op de lager gelegen delen binnen dit landschapstype is niet wenselijk in verband met blijvende herkenbaarheid en gelaagdheid van het landschap.
|
12.2 milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied
12.2.1 Omschrijving
Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' zijn de gronden mede aangewezen voor de bescherming van de bodem en het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening.
12.3 milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Venloschol
12.3.1 Omschrijving
Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Venloschol' zijn de gronden mede aangewezen voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de winning van (drink)water.
12.3.2 Bouwregels
Binnen het grondwaterbeschermingsgebied mag worden gebouwd voor zover dat op grond van de onderliggende functie is toegestaan met inachtneming van de voorwaarden, zoals die door de omgevingsverordening Limburg worden gesteld.
12.4 milieuzone - spuitvrije zone
12.4.1 Omschrijving
De gronden ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - spuitvrije zone' zijn mede aangewezen als spuitvrije zone vanwege de bescherming van de gezondheid als gevolg van het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen.
12.4.2 Gebruiksregel
Op de gronden is het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen niet toegestaan
Artikel 13 Algemene beoordelingsregels
13.1 Algemeen
Het bevoegd gezag kan voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit, afwijken van:
- het bepaalde in deze regels en toestaan dat bouwgrenzen, niet zijnde functiegrenzen, worden overschreden, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 2,5 m, mits deze noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein of uit en oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing;
- het bepaalde in deze regels en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, en ontvang- en/of sirenemasten wordt vergroot tot maximaal 40 m;
- het bepaalde in deze regels over de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot niet meer dan 10 m.
13.2 Voorwaarden afwijkingen
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel
artikel 13 lid 1 kan slechts worden verleend, indien:
- de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
- het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad.
13.3 Bed & breakfast
In (bedrijfs)woningen en/of bijbehorende bouwwerken is het uitoefenen van een bed & breakfast toegestaan, onder de volgende voorwaarden:
- het gebruik mag niet leiden tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
- in de parkeerbehoefte wordt in voldoende mate wordt voorzien op eigen terrein, dan wel kan de parkeerbehoefte in de directe omgeving worden opgevangen;
- het vloeroppervlak ten behoeve van bed & breakfast niet meer dan 100 m² bedraagt.
Artikel 14 Omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden
14.1 Omgevingsvergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijken van een omgevingsvergunning ter plaatse van de hierna genoemde functies of aanduidingen de daarbij aangegeven werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren te doen of late uitvoeren:
| | Werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden* |
| Ter plaatse van de functie / aanduiding | a | b | c | d | e | f | g | h |
Agrarisch met waarden (voor zover gelegen buiten bouwvlakken) | a | | | | | | | |
| Waarde - Archeologie 3 | a | b | c | d | e | f | g | h |
| Waarde - Archeologie 4 | a | b | c | d | e | f | g | h |
| Overige zone - heideontginning | | | c | | | f | | |
| Overige zone | | | | | | | g | |
* de onderstaande letters geven aan dat een omgevingsvergunning is vereist (activiteit onder voorwaarden mogelijk) De letters worden hierna verklaard:
Werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden:
- het aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
- het aanplanten van bomen, hakhout en andere houtopstanden hoger dan 1,50 m;
- het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere diepwortelende beplantingen en het verrichten van handelingen, die de dood of ernstige beschadiging daarvan ten gevolge hebben of kunnen hebben;
- het aanbrengen, verwijderen of verleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
- het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap;
- het aanleggen, (ver)graven, verruimen, dempen of herprofileren van watergangen, sloten en andere waterpartijen
- het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
- het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem.
14.2 Uitzondering vergunningsplicht
Een omgevingsvergunning als bedoeld in
artikel 14 lid 1 is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden:
in de situaties genoemd in de tabel in
artikel 14 lid 1 bij de volgende cijfers:
- op een kleinere diepte dan 30 cm en/of met een oppervlakte kleiner dan 100 m², dan wel op gronden die voor wat betreft archeologie reeds zijn vrijgegeven middels een selectiebesluit;
- die worden uitgevoerd in het kader van het normale onderhoud en beheer van de gronden en de daaraan toegekende functie(s);
- op de gronden gelegen binnen bouwvlakken;
- die op het moment van inwerkingtreding van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende of aangevraagde vergunning.
14.3 Afwegingskader
Burgemeester en wethouders verlenen de omgevingsvergunning als bedoeld in
artikel 14 lid 1 alleen indien door de in
artikel 14 lid 1 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden, dan wel door de gevolgen daarvan, hetzij direct, hetzij indirect de waarden, belangen en/of functies die het plan beoogt te beschermen, niet blijvend onevenredige of niet onevenredig kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen.
14.4 Procedure
- De aanvrager van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14 lid 1 op of in gronden met de hierna genoemde functies legt een archeologisch onderzoeksrapport over waarin de archeologische waarden van de gronden, die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld, tenzij op voorhand door het bevoegd gezag is vastgesteld dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad:
- Waarde - Archeologie 3;
- Waarde - Archeologie 4;
- Voordat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14 lid 1 verleent, wordt schriftelijk advies ingewonnen bij het waterschap en wordt de Keur van het waterschap in acht genomen:
- Overige zone – beekdal.
Artikel 15 Overige regels
15.1.1 Algemene parkeerregels
Het is verboden te bouwen dan wel het gebruik van gronden en/of bouwwerken te wijzigen indien er niet wordt voldaan aan de op grond van dit artikel gestelde parkeernormen.
15.1.2 Specifieke parkeerregels bij bouwplannen
- Van een strijdig bouwplan zoals genoemd onder subsubparagraaf 15.1.1 is geen sprake als wordt voldaan aan de parkeernormen zoals beschreven in de Nota parkeernormen, en indien deze normen gedurende de planperiode wijzigt of wordt vervangen, geldt de gewijzigde c.q. de vervangende nota.
- Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het onder a bepaalde wanneer voldaan wordt aan de afwijkingsbevoegdheid zoals beschreven in de nota parkeernormen, dan wel een recentere vastgestelde versie.
15.1.3 specifieke parkeerregels bij gebruikswijzigingen
- Van een strijdig gebruik van gronden en/of bouwwerken zoals genoemd onder subsubparagraaf 15.1.1 is geen sprake als wordt voldaan aan de parkeernormen zoals beschreven in de Nota parkeernormen, en indien deze normen gedurende de planperiode wijzigt of wordt vervangen, geldt de gewijzigde c.q. de vervangende nota.
- Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het onder a bepaalde wanneer voldaan wordt aan de afwijkingsbevoegdheid zoals beschreven in de Nota parkeernormen, dan wel een recentere vastgestelde versie.
15.1.4 Specifieke gebruiksregels
Ruimte(n) voor het parkeren van voertuigen, voor zover de aanwezigheid van deze ruimte(n) krachtens deze parkeerregels is geëist, dient te allen tijde voor dit doel beschikbaar te blijven. Ander gebruik wordt aangemerkt als strijdig gebruik.
Artikel 16 Overgangsrecht bouwwerken
- Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingstreding van het omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
- gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
- na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
- Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
- Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdsstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
Artikel 17 Overgangsrecht gebruik
- Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
- Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
- Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
- Het eerste lid is niet van toepassing op het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen op gronden ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - spuitvrije zone' en het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.