direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Tienrayseweg 24, Horst
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1507.HOTIENRAYSEWEG24-BPV1

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de ontwikkeling op de locatie 'Tienrayseweg 24, Horst' en is als nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22j) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22j van het omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22j' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22j' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

1.1 Begripsbepalingen:

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I van het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk.

1.2 Plan:

Het TAM-omgevingsplan Tienrayseweg 24, Horst met identificatienummer NL.IMRO.1507.HOTIENRAYSEWEG24-BPV1 van de gemeente Horst aan de Maas.

1.3 Omgevingsplan:

Het omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas.

1.4 aanduiding:

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.5 aan huis gebonden bedrijf/kleine economie:

Een onderneming welke gevestigd is of kan zijn in een woning en die toebehoort aan een natuurlijk persoon, welke in de betreffende woning woont en die maximaal 2 medewerkers in dienst heeft, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de onderneming de ruimtelijke uitstraling van de woonfunctie niet aantast. De hoofdactiviteit hoeft niet in of bij de woning te worden uitgevoerd.

1.6 aan huis gebonden beroep:

Een dienstverlenend beroep op zakelijk, maatschappelijk, therapeutisch, juridisch, (para)medisch, ontwerptechnisch of kunstzinnig gebied en tevens een kapsalon/schoonheidssalon, of hiermee gelijk te stellen beroep dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, door één van de bewoners van de woning kan worden uitgeoefend, waarbij de ruimtelijke uitwerking of uitstraling van de woning inclusief bijgebouwen behouden blijft. In bijlage 1 is een niet-limitatieve lijst opgenomen wat onder andere als aan huis gebonden beroep wordt aangemerkt.

1.7 agrarisch bedrijf:

Een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, waaronder mede begrepen houtteelt, en/of het houden van dieren, een en ander met dien verstande dat:

  • Maneges, kennels en dierenasiels niet als agrarische bedrijven worden aangemerkt;
  • Mestbe- en verwerking onderdeel uitmaakt van de agrarische bedrijfsvoering.

1.8 arbeidsmigrant:

Tijdelijke arbeider die het hoofdverblijf elders heeft

1.9 archeologische waarde:

De aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit het verleden.

1.10 bed & breakfast:

Een overnachtingaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt. Een bed & breakfast is gevestigd in een (bedrijfs)woning of bijbehorend bouwwerk, is ondergeschikt aan de woonfunctie en wordt gerund door de bewoner van de betreffende (bedrijfs)woning.

1.11 bedrijf:

Een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen.

1.12 bedrijfsgebouw:

Een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.

1.13 bedrijfswoning:

Een woning, in of bij een bedrijf of instelling, bestemd voor (het gezin van) een persoon wiens huisvesting daar gelet op de bestemming noodzakelijk is; deze woning wordt begrepen onder de bedrijfsgebouwen

1.14 Bestaand bouwwerk

Legale bouwwerken die aanwezig of in uitvoering zijn tijdens de inwerkingtreding van deze wijziging van het omgevingsplan, dan wel bouwwerken die mogen worden gebouwd krachtens een vergunning;

1.15 Bestaand gebruik

Legaal gebruik van grond en opstallen zoals aanwezig tijdens de inwerkingtreding van deze wijziging van het Omgevingsplan

1.16 boomteeltbedrijf:

Een agrarisch bedrijf gericht op de teelt van houtige gewassen en/ of vaste planten.

1.17 bouwvlak:

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten

1.18 containerveld:

Werk niet zijnde een bouwwerk bestaande uit grond afgedekt met plastic, antiworteldoek en/of beton, eventueel in combinatie met andere materialen, ten behoeve van de teelt van gewassen, op welke afdeklaag de gewassen worden geteeld in potten.

1.19 dagrecreatie:

Een vorm van recreatie waarbij geen sprake is van overnachten en waarbij gebruik wordt gemaakt van al dan niet daarvoor aangelegde of gebouwde voorzieningen.

1.20 deskundige:

Een onafhankelijke erkende persoon of organisatie in het vakgebied / op het werkterrein waarop het advies betrekking heeft en die voldoet aan door burgemeester en wethouders te stellen kwalificaties.

1.21 detailhandel:

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.22 dierenasiel:

Een niet-agrarisch bedrijf, dat is gericht op het tijdelijk opvangen en verzorgen van dieren om deze vervolgens weer te herplaatsen bij een derde, waaronder mede begrepen wordt het terugplaatsen bij degene die het dier tijdelijk heeft afgestaan.

1.23 erf

Al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover het omgevingsplan die inrichting niet verbiedt.

1.24 erfafscheiding:

De afbakening van een erf of perceel van een ernaast gelegen erf of perceel, of van de openbare ruimte.

1.25 extensief dagrecreatief medegebruik:

Een aan de bestemming ondergeschikt gebruik voor dagrecreatie van niet-commerciële aard die overwegend is gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen, fietsen, paardrijden of kanovaren, met de daarbij behorende ondergeschikte voorzieningen zoals bewegwijzeringsbordjes, picknickbanken en draaihekjes

1.26 gewasbeschermingsmiddelen

Gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Verordening (EG) nr.?1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21?oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG?en 91/414/EEG?van de Raad (PbEU 2009, L 309).

1.27 grondgebonden agrarisch bedrijf:

Een agrarisch bedrijf waarbij hoofdzakelijk gebruik wordt gemaakt van open grond.

1.28 grondgebonden veehouderij:

Een agrarisch bedrijf waarbij het gebruik van agrarische gronden in de omgeving van het bedrijf noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf zoals een melkveehouderij, een paardenhouderij, een opfokbedrijf of een biologisch veehouderijbedrijf.

1.29 herplant van een houtopstand:

Het opnieuw aanplanten van een houtopstand op een perceel waar reeds een houtopstand aanwezig was op een tijdstip gelegen maximaal 24 maanden vóór het tijdstip waarop de aanplant van de houtopstand is voltooid.

1.30 horeca I:

Een bedrijf of instelling waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of bedrijfsmatig logies wordt verstrekt, niet zijnde horeca II.

1.31 horeca II:

Elke voor het publiek, al dan niet tegen betaling toegankelijke lokaliteit, die (nagenoeg) geheel is ingericht of wordt gebruikt voor het dansen, zoals discotheken en dancings, waarin al dan niet dranken voor gebruik ter plaatse worden verstrekt. Daarnaast een inrichting waarin een kans- of behendigheidsspel wordt uitgeoefend.

1.32 horeca:

Een bedrijf waar dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin logies wordt verstrekt, zoals een café, restaurant, hotel, pension, en naar de aard en openingstijden daarmee gelijk te stellen bedrijven, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie.

1.33 huishouden:

Een aantal aan elkaar door familie- of daarmee gelijk te stellen -band gerelateerde personen, dat gezamenlijk één eenheid vormt en als zodanig ook gebruik maakt van dezelfde voorzieningen in één woning, zoals een gezin, een gezin met inwonende ouders of een woongroep.

1.34 huisvesting arbeidsmigranten:

Tijdelijke dan wel structurele voorzieningen ten behoeve van de huisvesting van arbeidsmigranten, die hun hoofdverblijf elders hebben, niet bedoeld voor recreatieve doeleinden.

1.35 kampeermiddel:
  • a. een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een tourcaravan;
  • a. enig ander onderkomen en enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde,

Eén en ander voor zover de onder a. en b. bedoelde onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn in- of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

1.36 kas:

Een gebouw, bestaande uit glas of ander lichtdoorlatend materiaal dienend tot het kweken of trekken van bomen, vruchten, bloemen of planten.

1.37 kelder:

Een gedeelte van een gebouw, dat is gelegen binnen de buitenwerkse gevelvlakken en wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan 1,20 m boven het peil is gelegen.

1.38 kennel:

Een niet-agrarisch bedrijf, dat is gericht op het fokken, verzorgen en verhandelen van honden en/of katten.

1.39 kleinschalige horeca:

Inrichting ten behoeve van het bedrijfsmatig verstrekken van etenswaren en drank, met een totaal oppervlak van maximaal 100 m2 waarbij maximaal 30% van de aanwezige bebouwing op het bouwperceel mag worden benut ten behoeve van de horeca. De openingstijden (inclusief terras) van de inrichting liggen tussen 7.00 en 19.00 uur.

1.40 landschapselement:

Een element dat samenhangt met de ondergrond en de ontwikkelingsgeschiedenis van het landschap en het oorspronkelijke landgebruik, zoals een bosschage, houtwal, houtsingel of steilrandbeplanting.

1.41 lawaaisport:

Een sportactiviteit waarbij motorisch of mechanisch geluid wordt geproduceerd dat zodanig is dat het omgevingsgeluid wordt overschreden, waaronder in ieder geval begrepen de rallysport, motorsport, (model)vliegsport; de jachtsport wordt hier niet onder begrepen.

1.42 maatschappelijke voorzieningen:

Educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van de openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen.

1.43 manege:

Een niet-agrarisch bedrijf, dat uitsluitend of in hoofdzaak gericht is op het geven van instructie in één of meerdere disciplines aan derden met gebruik van paarden in eigendom van het bedrijf of aan derden met eigen paarden en het bieden van huisvesting aan die paarden en daaraan ondergeschikte horeca.

1.44 mestbe- en verwerking op bedrijfsniveau:

Mestbe- en verwerking binnen het agrarisch bouwvlak van mest al dan niet gecombineerd met reststromen die op het bedrijf behorende bij dat betreffende bouwvlak is geproduceerd.

1.45 milieucategorie:

Indeling van bedrijven opgesteld door VNG op basis van belasting van het milieu. De milieucategorie van een bedrijf hangt af van geur, stof, geluid, gevaar, verkeer of visuele aspecten. De milieucategorie loopt op van lichte bedrijvigheid (categorie 1) tot zware industrie (categorie 6).

1.46 natuurwaarden:

De aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.

1.47 nevenactiviteit:

Een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit die in ruimtelijk, functioneel opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de op de ingevolge dit bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie op een bouwperceel.

1.48 normaal onderhoud, gebruik en beheer:

Een gebruik gericht op het in zodanige conditie houden of brengen van objecten dat het voortbestaan van deze objecten op tenminste het bestaande kwaliteitsniveau wordt bereikt.

1.49 overkapping:

Een bouwwerk op het erf van een gebouw of standplaats, dat strekt tot vergroting van het woongenot van het gebruik van het gebouw of de standplaats, en dat, voor zover gebouwd vóór de voorgevel van een gebouw, geen tot de constructie zelf behorende wanden heeft en voor zover gebouwd achter de voorgevel van een gebouw, maximaal drie wanden heeft waarvan maximaal twee tot de constructie behoren.

1.50 paardenbak:

Een onoverdekte, als zodanig herkenbare ruimte, al dan niet omsloten, bedoeld voor het trainen, rijden en berijden van paarden en pony's, met eventueel een bodem van zand, hout, boomschors of ander materiaal om de bodem te verstevigen en al dan niet voorzien van drainage

1.51 peil:

Voor gebouwen: de hoogte van de bovenzijde van de afgewerkte begane grondvloer en/of de hoofdtoegang van het gebouw;

Voor bouwwerken, geen gebouw zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende, afgewerkte terrein ter plaatse van het bouwperceel.

1.52 permanente bewoning:

Bewoning door een persoon, gezin of andere groep van personen van een gebouw, dan wel een gedeelte daarvan, als hoofdverblijf.

1.53 recreatie:

Activiteiten en mogelijkheden voor ontspanning c.q. vrijetijdsbesteding.

1.54 teeltondersteunende voorziening met open constructie:

Een teeltondersteunende voorziening met een overwegend open karakter, waarbij geen sprake is van voor-, zij- of achterwanden, maar ten hoogste van een overkapping.

1.55 teeltondersteunende voorzieningen:

Voorzieningen en/of constructies, inclusief containervelden, met als doel het gewas te forceren tot meer groei en/of de oogst te spreiden. Het gaat daarbij om zowel het vervroegen als het verlaten van de teelt ten opzichte van de normale open teelt en/of het beschermen van het gewas tegen weersinvloeden, ziekten en plagen, hetgeen leidt tot een betere kwaliteit van het product. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt in:

  • a. Hoge permanente voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen die langer dan 7 maanden, al of niet aaneengesloten, in het jaar aanwezig zijn en hoger dan 1,5 m zijn;
  • b. Hoge tijdelijke voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen die gedurende maximaal 7 maanden, al of niet aaneengesloten, in het jaar aanwezig zijn en hoger dan 1,5 m zijn.
  • c. Lage permanente voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen die langer dan 7 maanden, al of niet aaneengesloten, in het jaar aanwezig zijn en 1,5 m of lager zijn;
  • d. Lage tijdelijke voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen die gedurende maximaal 7 maanden, al of niet aaneengesloten, in het jaar aanwezig zijn en 1,5 m of lager zijn.

1.56 veehouderij:

Een agrarisch bedrijf dat gericht is op het fokken, mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en/of pelsdieren.

1.57 verwerking van agrarische producten:

Elke bewerking van een agrarisch product die een product oplevert dat nog steeds een agrarisch product is, met uitzondering van de activiteiten op het agrarisch bedrijf die nodig zijn om een dierlijk of plantaardig product klaar te maken voor verkoop aan consumenten.

1.58 volkstuin:

Een perceel grond, dat zich niet in de onmiddellijke nabijheid van de woning van de gebruiker bevindt, waarop voor particulier gebruik voedings- en siergewassen worden geteeld.

1.59 volwaardig (agrarisch) bedrijf:

Een (agrarisch) bedrijf waaruit een zelfstandig en reëel inkomen voortkomt voor minimaal één huishouden;

1.60 voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies:

(bedrijfs)woningen inclusief tuinen en erven, sport- en recreatievoorzieningen en maatschappelijke voorzieningen;

1.61 voorgevel:

De naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan kennelijk als zodanig diende te worden aangemerkt.

1.62 voorgevelrooilijn:

Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen.

1.63 waterhuishoudkundige voorzieningen:

Voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en/of waterkwaliteit zoals duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc

1.64 wet/wettelijke regelingen:

Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar wettelijke regelingen c.q. verordeningen e.d., dienen deze regelingen te worden gelezen zoals deze luiden op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerpplan, tenzij anders bepaald.

1.65 woning:

Een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

1.66 zorgboerderij:

Een maatschappelijke voorziening waar door personen die niet zelfstandig kunnen werken en die geestelijke en/of lichamelijke verzorging behoeven producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren voortbrengen.

Artikel 2 Toepassingsbereik

2.1 Verhouding ruimtelijke regels omgevingsplan tijdelijk deel:

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.

2.2 Verhouding met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege (bruidsschat):

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.

2.3 Geometrische afbakening reikwijdte TAM-Omgevingsplan:

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Tienrayseweg 24, Horst', waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1507.HOTIENRAYSEWEG24-BPV1 zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.?

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen, in aanvulling op a bedoeld in artikel 22.24 van dit omgevingsplan, en de volgende meet- en rekenbepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde van artikel 3.1 t/m 3.6.

3.1 de bouwhoogte van een bouwwerk:

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen, zoals schoorsteen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.2 de dakhelling:

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

3.3 de goothoogte van een bouwwerk:

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

3.4 de inhoud van een bouwwerk:

Tussen de onderzijde van de begane-grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

3.5 de oppervlakte van een bouwwerk:

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.6 de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens:

Tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel, niet de voor- en achterzijde zijnde, en het eigendom van derden, waar de afstand het kortste is.

Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.

Artikel 5 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.?

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 6 Agrarisch met waarden

6.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Agrarisch met waarden'.

6.2 Functieomschrijving

Een als 'Agrarisch met waarden' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. agrarisch bedrijfsmatig grondgebruik;
  • b. agrarisch hobbymatig grondgebruik;
  • c. grondgebonden agrarische bedrijven, niet zijnde grondgebonden veehouderijen;
  • d. wonen in een bedrijfswoning;
  • e. een ander gebruik van gebouwen en gronden als nevenactiviteit, met dien verstande dat het vloeroppervlak van nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf in totaal ten hoogste 200 m2 bedraagt, namelijk:
    • 1. detailhandel in agrarische producten die op het eigen bedrijf of in de directe omgeving daarvan zijn geproduceerd en/of bewerkt, dan wel hieraan direct aanverwante producten;
    • 2. zorgboerderij;
    • 3. zorgvoorzieningen;
    • 4. dagrecreatieve voorzieningen;
  • f. extensief dagrecreatief medegebruik;
  • g. bescherming van aardkundige waarden;
  • h. het behoud, de bescherming, de ontwikkeling en/of het herstel van de desbetreffende cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden ter plaatse van de aanduidingen zoals zijn opgenomen in artikel 11;
  • i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – agrarische voorziening', een containerveld;

met de daarbij behorende:

  • j. tuinen, erven en terreinen, met dien verstande dat erfverhardingen buiten het bouwvlak uitsluitend zijn toegestaan voor zover bestaand;
  • k. paardenbakken, uitsluitend binnen het bouwvlak dan wel bestaande paardenbakken;
  • l. verkeers- en parkeervoorzieningen;
  • m. voorzieningen van openbaar nut;
  • n. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder bergbezinkbassins;
  • o. groenvoorzieningen, natuur- en landschapselementen.

6.3 Bouwactiviteiten

6.3.1 Algemeen
  • a. op de gronden als bedoeld in lid 6.2, mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de functie worden gebouwd;
  • b. ter plaatse van een bouwvlak mogen uitsluitend de bij één agrarisch bedrijf behorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd;
  • c. de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
  • d. in afwijking van het voorgaande mogen buiten een bouwvlak de volgende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd:
    • 1. erf- en terreinafscheidingen;
    • 2. recreatieve voorzieningen ten behoeve van het extensief dagrecreatief medegebruik, zoals bankjes, picknicktafels en bewegwijzering;
    • 3. hoogzitten;
    • 4. overige permanente teeltondersteunende voorzieningen, uitsluitend voor zover bestaand;
  • e. voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels:
    • 1. er is niet meer dan 1 bedrijfswoning per bouwvlak toegestaan;
    • 2. er dient sprake te zijn van een volwaardig agrarisch bedrijf;
  • f. aangebouwde bijbehorende bouwwerken dienen aan de onderstaande regeling met betrekking tot bedrijfswoning te voldoen

6.3.2 Gebouwen en bijbehorende bouwwerken

De maatvoering voor gebouwen en bijbehorende bouwwerken is als volgt:

Bedrijfsgebouwen   Min.   Max.  
Goothoogte   n.v.t.   7 m  
Bouwhoogte   n.v.t.   14 m  
Afstand kassen tot de woning van derden   25 m   n.v.t.  
Het aantal bouwlagen van stallen ten behoeve van huisvesting van vee   n.v.t.   1  
Bedrijfswoning      
Goothoogte   n.v.t.   7 m  
Bouwhoogte   n.v.t.   11 m  
Afstand tot de perceelsgrens   3 m   n.v.t.  
Inhoud   n.v.t.   1.000 m³  
Aangebouwde bijbehorende bouwwerken en carports bij bedrijfswoningen      
Goothoogte   n.v.t.   3,5 m  
Bouwhoogte   n.v.t.   6 m  
Afstand carports achter de voorgevel van de bedrijfswoning   0 m, carports mogen tot 1 m voor de voorgevel worden gebouwd   n.v.t.  
Afstand overige bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel van de bedrijfswoning   1 m   n.v.t.  
Afstand overige bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel van de bedrijfswoning in het geval dat de bedrijfswoning meerdere naar de weg gekeerde gevels kent   3 m   n.v.t.  
Afstand overige bijbehorende bouwwerken tot het openbaar gebied in het geval van een hoeksituatie   1 m   n.v.t.  
Totale gezamenlijke oppervlakte van alle bijbehorende bouwwerken   n.v.t.   150 m²  
Vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen      
Goothoogte   n.v.t.   3,5 m  
Bouwhoogte   n.v.t.   6 m  
Afstand carports achter de voorgevel van de bedrijfswoning   0 m, carports mogen tot 1 m voor de voorgevel worden gebouwd   n.v.t.  
Afstand overige bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel van de bedrijfswoning   1 m   n.v.t.  
Afstand overige bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel van de bedrijfswoning in het geval dat de bedrijfswoning meerdere naar de weg gekeerde gevels kent   3 m   n.v.t.  
Afstand tot de zijdelingse perceelsgrens   2,5 m   n.v.t.  
Afstand tot de bedrijfswoning   n.v.t.   40 m  
Totale gezamenlijke oppervlakte van alle bijbehorende bouwwerken   n.v.t.   150 m²  

6.3.3 6.3.3 Teeltondersteunende voorzieningen

De maatvoering voor teeltondersteunende voorzieningen is als volgt:

Teeltondersteunende voorzieningen   Min.   Max.  
Bouwhoogte permanente teeltondersteunende voorzieningen binnen het bouwvlak, anders dan kassen of ondersteunend glas   n.v.t.   12 m  
Goothoogte kassen of andere permanente teeltondersteunende voorzieningen met glas binnen het bouwvlak   n.v.t.   7,5 m  
Bouwhoogte kassen of andere permanente teeltondersteunende voorzieningen met glas binnen het bouwvlak   n.v.t.   12 m  
Bouwhoogte kassen of andere permanente teeltondersteunende voorzieningen met glas buiten het bouwvlak   n.v.t.   3 m  
Bouwhoogte tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen binnen het bouwvlak   n.v.t.   4 m  
Oppervlakte teeltondersteunende kassen binnen het bouwvlak   n.v.t.   5.000 m2  
Afstand teeltondersteunende voorzieningen tot de zijdelingse perceelsgrens   2,5 m   n.v.t.  
Afstand teeltondersteunende voorzieningen tot de woning van derden   25 m   n.v.t.  

6.3.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

De maatvoering voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde is als volgt:

Bouwhoogte van bouwwerk, geen gebouwen zijnde   Min.   Max.  
Sleufsilo   n.v.t.   4 m  
Overige silo's en hooibergen   n.v.t.   15 m  
Erf- en terreinafscheidingen binnen het bouwvlak   n.v.t.   Voor voorgevelrooilijn: 1 m
Achter de voorgevelrooilijn: 2 m  
Schoorstenen   n.v.t.   14 m  
Omheiningen ten behoeve van paardenbakken   n.v.t.   1,3 m  
Lichtmasten ten behoeve van paardenbakken, met dien verstande dat er maximaal 4 lichtmasten per paardenbak zijn toegestaan   n.v.t.   6 m  
Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen het bouwvlak   n.v.t.   8 m  
Erf- en terreinafscheidingen buiten het bouwvlak   n.v.t.   1 m  

6.4 Toegestaan met omgevingsvergunning

6.4.1 Hogere erf- en terreinafscheidingen buiten het bouwvlak

Het oprichten van erf- en terreinafscheidingen buiten het bouwvlak met een bouwhoogte van meer dan 1 meter is met omgevingsvergunning toegestaan als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de bouwhoogte bedraagt maximaal 2 m;
  • b. de grotere hoogte is noodzakelijk in verband met de agrarische functie;
  • c. de erf- en terreinafscheidingen mogen niet dusdanig gesloten zijn dat kleine dieren zoals de das er niet doorheen kunnen;
  • d. bij het realiseren van de erf- of terreinafscheiding mag geen onevenredige aantasting van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden of natuurwaarden optreden, zoals onder meer uiteen zijn gezet in artikel 11.

6.4.2 Lage teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak

Het oprichten van lage teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak is met omgevingsvergunning toegestaan als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de teeltondersteunende voorzieningen worden geplaatst binnen de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - agrarische voorziening';
  • b. de hoogte van de teeltondersteunende voorzieningen niet meer dan 1,5 meter bedraagt;
  • c. de afstand tot de perceelsgrenzen ten minste 2,5 meter bedraagt;
  • d. de afstand tot (bedrijfs-)woningen van derden ten minste 25 meter bedraagt;
  • e. voor tijdelijke voorzieningen geldt dat verankerde palen en open constructies permanent mogen blijven staan, mits voorzieningen zoals doeken, netten, folies of overkappingen buiten het seizoen worden opgerold dan wel verwijderd;
  • f. bij het realiseren van voorzieningen mag geen onevenredige aantasting van de waterhuishouding optreden;
  • g. er dient vooraf schriftelijk advies te worden ingewonnen bij het Waterschap en de Waterschapsverordening dient in acht te worden genomen;
  • h. bij het realiseren van voorzieningen mag geen onevenredige aantasting van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden of natuurwaarden optreden, zoals onder meer uiteen zijn gezet in artikel 11.

6.5 Specifieke functieregels

6.5.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:

  • a. het gebruik van gronden buiten het bouwvlak voor buitenopslag;
  • b. het gebruik van de gronden voor zover gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen binnen een afstand van 50 m tot gevoelig functies, zoals woningen, maatschappelijke voorzieningen en sportterreinen, met uitzondering van:
    • 1. bestaand gebruik, waarbij de bestaande afstand als minimale afstand geldt indien de gronden op het moment van vaststelling van het TAM-omgevingsplan reeds in gebruik zijn voor fruitteelt of boomteelt;
    • 2. het herplanten van bestaande houtopstanden of nieuwe aanplant ten behoeve van fruit- of boomteelt onder de voorwaarden dat:
      • Het gebruik van driftarme spuittechnieken verplicht is;
      • Het woon- en leefklimaat van de gevoelige functies niet onevenredig wordt aangetast, wat aangetoond moet worden met een onafhankelijk rapport waarin spuitdrift en milieubelasting wordt gemeten.
  • c. het gebruik van gronden en opstallen voor horeca I, horeca II en kleinschalige horeca;
  • d. het gebruik van de gronden voor inpandige statische opslag in kassen;
  • e. het gebruik van de gronden voor verblijfsrecreatie;
  • f. het gebruik van verlichting ten behoeve van bestaande paardenbakken buiten het bouwvlak, met uitzondering van verlichting:
    • 1. waarvan de lichtbundel door afscherming wordt gericht op de paardenbak en richting het aangrenzende bouwvlak of de aangrenzende (eigen) woonfunctie;
    • 2. die uitsluitend wordt gebruikt tussen 7.00 uur en 23.00 uur;
  • g. het gebruik van gronden voor het stallen van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen;

6.5.2 Strijdig gebruik ammoniakemissie

Onder gebruik in strijd met deze functie wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de functieomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen:

  • a. het gebruik van gronden en bebouwing binnen het agrarisch bouwperceel voor het houden van vee, indien dit, ten opzichte van de bestaande situatie, leidt tot een toename van de stikstofdepositie vanaf het betreffende agrarisch bouwperceel op de maatgevende voor stikstofgevoelige habitats in Natura2000-gebieden.
  • b. Onder de bestaande situatie als bedoeld ander a. wordt verstaan:
    • 1. De activiteit die is toegestaan ten tijde van het vaststellen van dit TAM-omgevingsplan op grond van een vergunning als bedoeld in artikel 2.7 lid 2 van de Wet Natuurbescherming, een omgevingsvergunning waarbij de toestemming op grond van artikel 2.2aa onderdeel a van het Besluit omgevingsrecht is aangehaakt;
    • 2. Indien een vergunning als bedoeld onder 1. Ontbreekt: het feitelijke en planologisch legale gebruik.

6.5.3 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing

Onder strijdig gebruik van de gronden met de functie "Agrarisch met waarden" met de aanduiding bouwvlak wordt in ieder geval verstaan het (laten) gebruiken van gronden en/of bouwwerken conform deze functie indien de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in de bijlage 2 bij dit plan niet uiterlijk 18 maanden na het onherroepelijk worden van dit plan is gerealiseerd en kwalitatief en kwantitatief in stand wordt gehouden.

6.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Het bepaalde in artikel 12 is van toepassing.

Artikel 7 Waarde - Archeologie 6

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 6'.

7.2 Functieomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 6' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede aangewezen voor instandhouding en bescherming van oudheidkundig waardevolle elementen en terreinen.

7.3 Bouwen

7.3.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten in gronden die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 6'.

7.3.2 Uitzonderingen

In afwijking van artikel 7.3.1 (vergunningsplicht) geldt geen vergunningsplicht voor een bouwactiviteit indien de aanvraag betrekking heeft op:

  • a. de vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte op of onder het maaiveld niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  • b. een bouwactiviteit die betrekking heeft op een of meer bouwwerken waarvan de totale te bebouwen oppervlakte kleiner is dan 10.000 m²; of
  • c. een bouwactiviteit waarvan de graafwerkzaamheden of bodemverstoring niet dieper reiken dan een diepte van 40 cm beneden maaiveld.
  • d. een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd, waarvan de bouwhoogte maximaal 3,00 meter mag bedragen.

7.3.3 Beoordelingsregels
  • a. Een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit in voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
    • 1. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    • 2. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
    • 3. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  • b. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.

7.3.4 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in voor 'Waarde - Archeologie 6' aangewezen gronden worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waarin de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op:
    • 1. een bureauonderzoek;
    • 2. zo nodig een booronderzoek; en
    • 3. zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; en
    • 4. zo nodig een opgraving;
  • b. funderingstekeningen, waaruit de omvang en de diepte van de samenhangende bodemverstoringen blijken als gevolg van de bouwactiviteit;
  • c. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving;
  • d. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor het booronderzoek;
  • e. als sprake is van een archeologische (verwachtings)waarde onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.

Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • f. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto's van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; of
  • g. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.

7.4 Uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

7.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie 6' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden te verrichten:

  • a. het afgraven van gronden;
  • b. het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
  • c. het uitvoeren van andere grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • d. het aanleggen en onderhouden van infrastructurele werken, zoals (spoor)wegen, tunnels, viaducten, rioleringen;
  • e. het aanbrengen, verwijderen of verleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • f. het uitvoeren van inrichtingswerkzaamheden;
  • g. het verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • h. het aanleggen, (ver)graven, verruimen, dempen of herprofileren van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
  • i. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap;
  • j. het baggeren, waaronder begrepen saneren en onderzuigen;
  • k. het uitvoeren van werkzaamheden aan oevers en kaden;
  • l. het aanplanten of verwijderen van diepwortelende bomen, hakhout en andere houtopstanden;
  • m. winnen van grondstoffen;
  • n. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem.

7.4.2 Uitzonderingen
  • 1. In afwijking van artikel 7.4.1 (vergunningsplicht) geldt geen vergunningsplicht voor werken of werkzaamheden:
    • a. die worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud;
    • b. die worden uitgevoerd binnen de bestaande diepte en oppervlakte van een bestaand cunet van een weg of leiding; of
    • c. die worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek volgens een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen of, in geval van een booronderzoek, plan van aanpak.
  • 2. In aanvulling op het eerste lid geldt ook geen vergunningplicht als:
    • a. de aanvraag betrekking heeft op een of meer werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden waarvan de totale oppervlakte kleiner is dan 10.000 m2; of
    • b. de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden plaatsvinden op een diepte van niet meer dan 40 cm ten opzichte van het maaiveld.

7.4.3 Beoordelingsregels
  • a. Een omgevingsvergunning voor de werken en werkzaamheden in voor 'Waarde - Archeologie 6' aangewezen gronden wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
    • 1. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    • 2. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
    • 3. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  • b. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.

7.4.4 Aanvraagvereisten
  • 1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een werk, geen bouwwerk zijnde, of bouwwerk in voor 'Waarde - Archeologie 6' aangewezen gronden worden, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    • a. een omschrijving van de aard van het werk, geen bouwwerk zijnde, of de werkzaamheid, met vermelding van:
      • de omvang in vierkante meters; en
      • . de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld;
    • a. . een topografische kaart voorzien van een noordpijl en ten minste twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit;
    • b. doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld;
    • c. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waarin de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op
      • een bureauonderzoek;
      • zo nodig een booronderzoek; en
      • zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; en
      • zo nodig een opgraving
    • d. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving; en
    • e. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor een booronderzoek; en
    • f. als sprake is van een (te verwachten) archeologisch monument onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
  • 2. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    • a. een bestek of werkomschrijving met bijbehorende tekeningen;
    • b. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto's van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; of
    • c. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.

7.5 Slopen

7.5.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten in voor 'Waarde - Archeologie 6' aangewezen gronden.

7.5.2 Uitzonderingen
  • a. In afwijking van artikel 7.5.1(vergunningplicht) geldt geen vergunningplicht voor een sloopactiviteit waarbij de oppervlakte onder maaiveld niet wordt verstoord.
  • b. In aanvulling op het eerste lid geldt ook geen vergunningplicht op de locatie 'Waarde - Archeologie 6' als:
    • 1. de aanvraag betrekking heeft op het slopen van een of meer bouwwerken waarvan de totale oppervlakte kleiner is dan 10.000 m2; of
    • 2. een sloopactiviteit plaatsvind op een diepte van niet meer dan 40 cm ten opzichte van het maaiveld.

7.5.3 Beoordelingsregels
  • a. Een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in voor 'Waarde - Archeologie 6' aangewezen gronden wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
    • 1. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    • 2. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
    • 3. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  • b. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ

7.5.4 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in voor 'Waarde - Archeologie 6' aangewezen gronden worden aanvullend op het bepaalde in artikel 7.5.1 (vergunningplicht) de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • 1. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waaruit de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, in voldoende mate blijkt; en
  • 2. voor zover deze beschikbaar zijn: bestaande funderingstekeningen, waaruit de omvang en de diepte van de samenhangende bodemverstoringen blijken als gevolg van de sloopactiviteit.

7.6 Voorschriften aan vergunning
  • 1. Het bevoegd gezag kan de volgende voorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van activiteiten, als bedoeld in 7.3, 7.4 en 7.5 (bouwen, werken en werkzaamheden, slopen) in een gebied met voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden in het belang van de archeologische monumentenzorg, die inhouden een plicht tot:
    • a. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in situ kunnen worden behouden;
    • b. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
    • c. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;
    • d. indien sub c van toepassing is, een regeling omtrent de gevolgen bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
    • e. het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet;
    • f. het binnen een bepaalde termijn starten van werkzaamheden;
    • g. het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
    • h. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
    • i. het tijdig voor aanvang van werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; en
    • j. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming met de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of van een programma van eisen.
  • 2. De voorschriften als bedoeld in het eerste lid, onder c, kunnen tevens worden gesteld over de wijze van slopen.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 9 Algemene bouwregels

9.1 Bestaande afmetingen en afstanden

In die gevallen dat de bestaande goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud of afstand tot enige grens van bouwwerken, die legaal tot stand zijn gekomen, minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud of afstand in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan, uitsluitend conform de bestaande situatie.

9.2 Ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken, buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw c.q. functiegrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.

9.3 Ondergronds bouwen

Binnen het plangebied mag, tenzij anders is aangegeven in de regels, onder gebouwen ondergronds worden gebouwd, onder de volgende voorwaarden:

  • a. ondergrondse gebouwen gelegen buiten de buitenzijde van de gevels van de bovengrondse gebouwen niet zijn toegestaan;
  • b. de diepte van de ondergrondse bebouwing mag niet meer bedragen dan 3,5 m onder peil.

9.4 Bouwwerken ten behoeve van warmte-koudeopslag

In afwijking van het overigens in deze regels met betrekking tot het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bepaalde, mag de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van warmte-koudeopslag niet meer bedragen dan de in de bouwregels van de betreffende functie toegestane bouwhoogte van gebouwen.

9.5 Bouwen in de buurt van agrarische bedrijven

    • 1. De afstand van een geurgevoelig of gewasbeschermingsmiddelengevoelig object tot omliggende agrarische gronden bedraagt minimaal 50 meter.
    • 2. Bij aanvragen binnen de 50-meterzone moet de initiatiefnemer aantonen dat geur- en gezondheidsrisico's binnen acceptabele normen blijven.

Artikel 10 Algemene gebruiksregels

10.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik met de functies wordt in ieder geval verstaan het (laten) gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor en/of als:

  • a. het (bedrijfsmatig) vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- of verwerken van producten en mest;
  • b. het plaatsen van kampeermiddelen;
  • c. verblijfsrecreatie in dagrecreatieve functies;
  • d. het gebruik van gronden als volkstuin;
  • e. het beoefenen van lawaaisporten;
  • f. opslag voor de voorgevelrooilijn;
  • g. detailhandel
  • h. verkooppunt voor motorbrandstoffen, al dan niet inclusief lpg,
  • i. het gebruik van de gronden en opstallen voor een seksinrichting;
  • j. intensief militair gebruik;
  • k. opslag en/of stalling van aan het gebruik onttrokken voer- en vaartuigen en kampeermiddelen, anders dan in het kader van een normaal gebruik overeenkomstig het bestaand gebruik;
  • l. permanente bewoning van bijbehorende bouwwerken;
  • m. permanente bewoning van recreatiewoningen/verblijfsrecreatieve voorzieningen;
  • n. huisvesting van arbeidsmigranten, anders dan bestaande huisvesting van arbeidsmigranten;
  • o. een coffeeshop, growshop, smartshop of een daarmee vergelijkbaar bedrijf;
  • p. geurgevoelig object en/of voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelig object binnen een afstand van 50 meter van agrarische bouwpercelen en boomteeltgronden.

10.2 Warmte-koudeopslag

Open en gesloten systemen die door middel van het isolerend vermogen van de ondiepe bodem energie opwekken, niet zijnde aardwarmte, zijn toegestaan, met dien verstande dat:

  • a. gesloten systemen binnen gronden met de aanduiding 'Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Venloschol' uitsluitend zijn toegestaan tot een diepte van 5 m boven NAP.

10.3 Aan huis gebonden beroep

In (bedrijfs)woningen en/of bijgebouwen is het uitoefenen van een aan huis gebonden beroep toegestaan, onder de volgende voorwaarden:

  • a. De totale oppervlakte ten behoeve van een aan huis verbonden beroep mag niet meer dan 30% van het totale vloeroppervlak van de woning en de bijgebouwen bedragen tot een maximale oppervlakte van 100 m2.
  • b. Degene die het aan huis gebonden beroep uitoefent, is tevens één van de bewoners van de woning, met dien verstande dat de beroepsactiviteiten naast de bewoner door maximaal twee medewerkers mogen worden uitgeoefend;
  • c. De activiteit mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving en geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de omgeving;
  • d. In de parkeerbehoefte wordt in voldoende mate voorzien op eigen terrein, dan wel kan de parkeerbehoefte in de directe omgeving worden opgevangen;
  • e. Detailhandel is niet toegestaan, behoudens ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdend met de activiteiten.

10.4 Aan huis gebonden bedrijf/kleine economie:

10.4.1 Vergunningplicht aan huis gebonden bedrijf

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een aan huis gebonden bedrijf te exploiteren.

10.4.2 Beoordelingsregels aan huis gebonden bedrijf

Een omgevingsvergunning voor een aan huis gebonden bedrijf wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. er mag geen onevenredige hinder worden toegebracht aan de kwaliteit van het woonmilieu, de maximaal toelaatbare categorie is 2;
  • b. door de uitoefening van de activiteit mag het uiterlijk aanzien van de (bedrijfs)woning inclusief bijgebouwen niet zodanig veranderen, dat de woning inclusief bijgebouwen het karakter van een (bedrijfs)woning geheel of gedeeltelijk verliest; reclame-uitingen zijn niet toegestaan behoudens beperkte naamsaanduidingen aan of bij de bedrijfswoning;
  • c. de oppervlakte van de (bedrijfs)woning inclusief bijgebouwen welke voor de bedrijfsvoering wordt gebruikt mag 30% van het totale vloeroppervlak van de (bedrijfs)woning en de bijgebouwen bedragen; de totale oppervlakte van de activiteit mag niet meer bedragen dan 100 m2. Het te gebruiken oppervlak dient op een tekening te worden aangegeven die bij het besluit wordt gevoegd;
  • d. degene die het aan huis gebonden bedrijf uitoefent, is tevens één van de bewoners van de woning, met dien verstande dat de bedrijfsactiviteiten naast de bewoner door maximaal twee medewerkers mogen worden uitgeoefend;
  • e. er dient sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat in de (bedrijfs)woning;
  • f. de activiteit mag niet leiden tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
  • g. in de parkeerbehoefte wordt in voldoende mate voorzien op eigen terrein, dan wel kan de parkeerbehoefte in de directe omgeving worden opgevangen;
  • h. buitenopslag ten behoeve van het bedrijf op het perceel is niet toegestaan. Stalling van maximaal twee bedrijfsvoertuigen met een maximale lengte van 5 meter is toegestaan, tenzij dit leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving;
  • i. er mag geen sprake zijn van een seksinrichting;
  • j. detailhandel is niet toegestaan, behoudens ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdend met de activiteiten.

10.4.3 Aanvraagvereisten aan huis gebonden bedrijf

In aanvulling op artikel 10.4.2 levert aanvrager de volgende gegevens en bescheiden aan bij een aanvraag om een vergunningplichtige gebruiksactiviteit in deze paragraaf:

  • a. het te gebruiken oppervlak dient op een tekening te worden aangegeven die bij het besluit wordt gevoegd.

10.5 Bed & breakfast

In (bedrijfs)woningen is het uitoefenen van een bed & breakfast toegestaan, met dien verstande dat:

  • a. het gebruik mag niet leiden tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
  • b. in de parkeerbehoefte wordt in voldoende mate wordt voorzien op eigen terrein, dan wel kan de parkeerbehoefte in de directe omgeving worden opgevangen
  • c. het vloeroppervlak ten behoeve van bed & breakfast niet meer dan 100 m2 bedraagt.

Artikel 11 Algemene aanduidingsregels

11.1 Cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden

Ter plaatse van de aanduidingen in de navolgende tabel zijn de gronden tevens bestemd voor het behoud, de bescherming, de ontwikkeling en/of het herstel van de desbetreffende cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden welke zijn opgenomen in de navolgende tabel:

Aanduiding   Landschaps- en natuurwaarden  
overige zone - heideontginning   - Open landschap met onderverdeling van de openheid door bomenlanen.
- Overwegend patroon van rechte wegen.
- Overwegend rechthoekige tot blokvormige verkaveling.
- Kunstmatig lage grondwaterstanden.
- Bebouwingslinten met wisselende onderlinge afstanden tussen de erven.
- Huidige natuurwaarde is beperkt.
- Plaatselijk van belang voor vogels (Hooge Heide, Brommer) en amfibieën.
- Van nature natte, laag gelegen zandgronden in de natte heide ontginningsgebieden.
- Natuurwaarde is gering in de natte heide ontginningsgebieden, met uitzondering van de weilanden die van waarde zijn voor (weide)vogels.
- Openheid en landbouwkarakteristiek van het landschap in de natte heideontginningsgebieden behouden en agrarische bebouwing goed verdichten met groen (stevige, strakke erfbelasting).  

11.2 Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Venloschol

11.2.1 Omschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Venloschol' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de winning van (drink)water.

11.2.2 Bouwregels

Binnen het grondwaterbeschermingsgebied mag worden gebouwd voor zover dat op grond van de onderliggende functie is toegestaan met inachtneming van de voorwaarden, zoals die door de Omgevingsverordening Limburg worden gesteld.

Artikel 12 Omgevingsvergunning voor werken, geen gebouwen zijnde, of werkzaamheden

12.1 Omgevingsvergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning ter plaatse van de hierna genoemde functies of aanduidingen de daarbij aangegeven werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren te doen of te laten uitvoeren:

  Werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden (*)  
Ter plaatse van de functie/aanduiding   a   b   c   d   e   f   g   h   i  
Agrarisch met waarden (voor zover gelegen buiten bouwvlakken)   x                  
overige zone - heideontginning(1)       x       x        

1 noten: zie artikel 13.2, onder a.

* in de tabel is: x = omgevingsvergunning vereist (activiteit onder voorwaarden mogelijk)

Werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden:

  • a. het aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanplanten van bomen, hakhout en andere houtopstanden hoger dan 1,50 m;
  • c. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere diepwortelende beplantingen en het verrichten van handelingen, die de dood of ernstige beschadiging daarvan ten gevolge hebben of kunnen hebben;
  • d. het aanbrengen, verwijderen of verleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • e. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap;
  • f. het aanleggen, (ver)graven, verruimen, dempen of herprofileren van watergangen, sloten en andere waterpartijen
  • g. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • h. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • i. het aanbrengen van beplantingen, (hout-)gewas en/of bomen welke dieper dan 30 cm wortelen, met uitzondering van landbouwgewassen.

12.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 12.1 is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden:

  • a. in de situaties genoemd in de tabel in lid 12.1 bij de volgende cijfers:
    • 1. het aanplanten, vellen, rooien of beschadigen van (fruit)bomen en/of houtachtige gewassen en/of vaste planten, binnen een agrarisch bouwvlak of op gronden in eigendom of pacht bij een fruitteeltbedrijf en/of een boomkwekerijbedrijf;
  • b. die worden uitgevoerd in het kader van het normale onderhoud en beheer van de gronden en de daaraan toegekende functies(en);
  • c. op de gronden gelegen binnen (agrarische) bouwvlakken
  • d. die op het moment van inwerkingtreding van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende of aangevraagde vergunning.
  • e. die betrekking hebben op het herplanten van een houtopstand ten behoeve van fruitteelt of boomteelt op dezelfde locatie.

12.3 Beoordelingsregels

12.3.1 algemeen

Burgemeester en wethouders verlenen de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 12.1 alleen indien door de in lid 12.1 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden, dan wel door de gevolgen daarvan, hetzij direct, hetzij indirect de waarden, belangen en/of functies die het plan beoogt te beschermen, niet blijvend onevenredig of niet onevenredig kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen.

12.3.2 containervelden

In afwijking van het bepaalde onder 12.3.1 wordt een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 12.1 voor de aanleg van een containerveld uitsluitend verleend als:

  • a. het containerveld wordt gerealiseerd binnen de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding -agrarische voorziening;
  • b. de afstand van het containerveld tot (bedrijfs)woningen van derden tenminste 25 meter bedraagt;
  • c. bij het realiseren van voorzieningen geen onevenredige aantasting van de waterhuishouding optreedt;
  • d. er vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij het Waterschap en de Waterschaps-verordening dient in acht wordt genomen;
  • e. bij het realiseren van voorzieningen mag geen onevenredige aantasting van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden of natuurwaarden optreden, zoals onder meer uiteen zijn gezet in artikel 11.

Artikel 13 Overige regels

13.1 Prioriteit van de functies

Waar een enkelbestemming uit dit plan samenvalt met een dubbelbestemming geldt primair het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming;

13.2 Parkeerregels

13.2.1 Algemene parkeerregels

Het is verboden te bouwen dan wel het gebruik van gronden en/of bouwwerken te wijzigen indien er niet wordt voldaan aan de op grond van dit artikel gestelde parkeernormen.

13.2.2 Specifieke parkeerregels bij bouwplannen
  • a. van een strijdig bouwplan zoals genoemd onder 13.2.1 is geen sprake als wordt voldaan aan de parkeernormen zoals beschreven in de Nota parkeernormen, en indien deze normen gedurende de planperiode wijzigt of wordt vervangen, geldt de gewijzigde c.q. de vervangende nota.

13.2.3 Specifieke parkeerregels bij gebruikswijzigingen
  • a. van een strijdig gebruik van gronden en/of bouwwerken zoals genoemd onder 13.2.1 is geen sprake als wordt voldaan aan de parkeernormen zoals beschreven in de Nota parkeernormen, en indien deze normen gedurende de planperiode wijzigt of wordt vervangen, geldt de gewijzigde c.q. de vervangende nota.

13.2.4 Specifieke gebruiksregels

Ruimte(n) voor het parkeren van voertuigen, voor zover de aanwezigheid van deze ruimte(n) krachtens deze parkeerregels is geëist, dient te allen tijde voor dit doel beschikbaar te blijven. Ander gebruik wordt aangemerkt als strijdig gebruik.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 14 Overgangsrecht

14.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. een bouwwerk, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen 2 jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. het bepaalde onder a. is niet van toepassing op bouwwerken, die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

14.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a. te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. indien het gebruik, bedoeld onder a., na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.