Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Molenberg 1 Broekhuizen
Status: ontwerp
Plan identificatie: NL.IMRO.1507.BHMOLENBERG1-BPO1

Regels

 
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de ontwikkeling op de locatie ‘Molenberg 1 Broekhuizen’ en is als nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22q) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lied, van het Besluit elektronische publicaties. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22q van het omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord ‘Artikel’, na de spatie en direct voor het artikel nummer ‘22q’ gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct na voor het nummer van de bijlage ‘22q’ gelezen worden.
 
1 Algemene bepalingen
Artikel 1 Begripsbepalingen
 
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:
 
1.1 Begripsbepalingen
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk;
 
1.2 Plan
Het TAM-omgevingsplan ‘Molenberg 1 Broekhuizen’ met identificatienummer NL.IMRO.1507.BHMOLENBERG1-BPO1 van de gemeente Horst aan de Maas.
 
1.3 Ondergeschikte horeca
Een horeca-activiteit die ondersteunend is aan de hoofdfunctie en niet de hoofdfunctie zelf is. Deze horeca-acitiviteit is uitsluitend voor eigen gasten die er verblijven of gebruik maken van de vergaderlocatie, uitsluitend binnen het tijdslot 07:00 – 0:00 uur.
 
Artikel 2 Toepassingsbereik
 
2.1 Verhouding ruimtelijke regels omgevingsplan tijdelijk deel
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
 
2.2 Verhouding met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege (bruidsschat)
De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
 
2.3 Geometrische afbakening reikwijdte TAM-omgevingsplan
De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie ‘Molenberg 1 Broekhuizen’, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1507.BHMOLENBERG1-BPO1 zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.
 
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
 
De meet- en rekenbepalingen, in aanvulling op a bedoeld in artikel 22.24 van dit omgevingsplan, en de volgende meet- en rekeningbepalingen en zijn overeenkomstige toepassing op het meten van waarden die in dit hoofdstuk in m, m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 3.1 tot en met 3.7.
 
3.1 De afstand tot de zijdelingse bouwperceelsgrens
Tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het korst is;
 
3.2 De bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
 
3.3 De dakhelling
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
 
3.4 De goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
 
3.5 De horizontale diepte van een gebouw
De diepte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de gevel waaraan wordt gebouwd;
 
3.6 De inhoud van een bouwwerk
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkappelen;
 
3.7 De oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
 
2 Functies en activiteiten
Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod
 
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toebedeelde functies en activiteiten.
Artikel 5 Tuin
 
5.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Tuin’.
 
5.2 Functieomschrijving
Een als ‘Tuin’ aangewezen locatie heeft de volgende functies:
  1. tuinen
met bijbehorende bebouwing, parkeervoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuidhouding en erven.
 
5.3 Bouwactiviteiten
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels:
 
5.3.1 Algemeen
Gebouwen voldoen aan de volgende kenmerken:
  1. Uitsluitend zijn toegestaan uitbouwen van woningen in de vorm van erkers;
  2. De horizontale diepte bedraagt maximaal 1 m;
  3. De breedte bedraagt maximaal ½ van de breedte van de gevel waartegen de uitbouw wordt gebouwd;
  4. De goothoogte bedraagt maximaal 3,5 m.
 
5.3.2 Bouwhoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal:
  1. Op het voorerf 1 m;
  2. Op overige gronden 2 m.
 
Artikel 6 Wonen
 
6.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Wonen’.
 
6.2 Functieomschrijving
Een als ‘Wonen’ aangewezen locatie heeft de volgende functies:
  1. wonen in de categorieën:
    1. vrijstaande woningen ter plaatse van de aanduiding ‘vrijstaand’;
  2. aan huis verbonden beroepen;
  3. 3 bed & breakfastkamers, één vakantieappartement met een oppervlakte van maximaal 100 m2, een gemeenschappelijke (ontbijt)ruimte met een oppervlakte van maximaal 60 m2, een vergaderruimte met een oppervlakte van maximaal 80 m2, ondergeschikte horeca en hieraan ondersteunende voorzieningen, uitsluitend in het hoofdgebouw en uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – ondergeschikte recreatie’;  
met de daarbij behorende:
  1. gebouwen;
  2. bouwwerken, geen gebouwen zijnde,
  3. wegen en paden,
  4. speelvoorzieningen;
  5. parkeervoorzieningen;
  6. groenvoorzieningen;
  7. water en voorzieningen voor de waterhuishouding;
  8. tuinen en erven.
 
6.3 Bouwactiviteiten
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels:
 
6.3.1 Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
  1. hoofdgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd;
  2. de afstand tot de zijdelingse bouwperceelsgrens bedraagt:
    1. bij vrijstaande woningen aan twee zijde minimaal 3 m;
  3. de goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum goot- en bouwhoogte (m)’ is aangegeven.
 
6.3.2 Aan- en uitbouwen en bijbehorende bouwwerken
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.27 en 22.36 gelden de volgende regels voor aan- en uitbouwen en bijbehorende bouwwerken:
  1. de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 150 m²;
  2. het bebouwingspercentage per bouwperceel is maximaal 50%;
  3. de maximale goothoogte bedraagt 3,5 meter;
  4. de maximale bouwhoogte bedraagt 6 meter;
  5. gebouwd op een afstand van minimaal 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw, of het verlengde daarvan, met uitzondering van een carport welke op een afstand van 0,5 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw, of het verlengde daarvan mag worden opgericht.
 
6.3.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
In aanvulling op artikel 22.27 en 22.36 gelden de volgende regels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
  1. de maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt 2 meter.
 
6.4 Specifieke functieregels
 
6.4.1 Strijdig gebruik
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor:
  1. permanente of tijdelijke bewoning, voor zover het vrijstaande bijbehorende bouwwerken betreft;
  2. bedrijf aan huis;
  3. bewoning als afhankelijke woonruimte;
  4. kamerbewoning;
  5. seksinrichtingen.
    
6.5 Vergunningsplicht voor het afwijken van de gebruiksactiviteiten
 
6.5.1 Bedrijf aan huis
Het bevoegd gezag kan voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit afwijken van het bepaalde in 7.2 sub b voor de uitoefening van een bedrijf aan huis, met dien verstande dat:
  1. het bedrijf behoort tot ten hoogste milieucategorie 2 volgens de staat van bedrijfsactiviteiten, dan wel voor wat betreft de aard en omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt, gelijk gesteld kan worden aan een bedrijf behorende tot ten hoogste milieucategorie 2;
  2. de bedrijfsvloeroppervlakte maximaal 120 m² bedraagt;
  3. geen horeca en detailhandel plaatsvinden;
  4. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.
  5. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  6. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad.
 
3 Algemene regels
Artikel 7 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 8 Algemene gebruiksactiviteiten
 
Het is verbonden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken ander dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.
 
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:
  1. een gebruik van gronden als stort- en / of opslagplaats van grond en / of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de functie gerichte gebruik en onderhoud;
  2. een gebruik van gronden als stallings- en / of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de functie gerichte gebruik en onderhoud;
  3. een gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting dan wel ten behoeve van prostitutie.
 
Artikel 9 Algemene aanduidingsregels
 
9.1 Vrijwaringszone - dijk
 
9.1.1 Aanduidingsomschrijving
Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - dijk' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van de waterkerende functie van waterkeringen.
 
9.1.2 Bouwregels
  1. Op deze gronden mag geen nieuwe bebouwing worden opgericht.
  2. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op de herbouw van gesloopte of anderszins tenietgegane bestaande bebouwing, mits het bebouwd grondoppervlak niet wordt vergroot.
 
9.1.3 Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 9.1.2 onder a voor het bouwen op basis van de onderliggende functie, met dien verstande dat:
  1. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bescherming van de waterkerende functie van waterkeringen;
  2. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij het waterschap.
 
Artikel 10 Algemene beoordelingsregels
 
10.1 Algemeen
Het bevoegd gezag kan voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit, afwijken van:
  1. het bepaalde in deze regels en toestaan dat bouwgrenzen, niet zijnde functiegrenzen, worden overschreden, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 2,5 meter, mits deze noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing;
  2. het bepaalde in deze regels en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten wordt vergroot tot maximaal 40 meter;
  3. het bepaalde in deze regels over de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot niet meer dan 10 meter.
 
10.2 Voorwaarden afwijkingen
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.1 kan slechts worden verleend, indien:
  1. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  2. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad.
 
4 Overgangsregels
Artikel 11 Overgangsrecht bouwwerken
 
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
 
Artikel 12 Overgangsrecht gebruik
 
  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.