Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Woning Staarterstraat ong. te Sevenum
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1507.SNTAMSTAARTERSTR-BPV1

Regels

 
1 Algemene bepalingen
 
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het ontwikkelen van een woning op de locatie Staarterstraat ong. te Sevenum en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22i) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas. Dit hoofdstuk is bekendgemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22i van het omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer ‘22i' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22i’ gelezen worden.
 
Artikel 1 Begripsbepalingen

Voor toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:
 
1.1 begripsbepalingen
begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk.
 
1.2 omgevingsplan
het omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas.
 
1.3 plan
het 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Woning Staarterstraat ong. te Sevenum', met identificatienummer NL.IMRO.1507.SNTAMSTAARTERSTR-BPV1 van de gemeente Horst aan de Maas.
 
1.4 driftgevoelige functie
voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies, zoals wonen, tuin, sport- en speelveldjes, picknickplekken, ligweides. Parkeervoorzieningen, verbindingswegen en -paden worden niet als driftgevoelige functie aangemerkt.
 
1.5 gewasbeschermingsmiddelen
gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU 2009, L 309).
Artikel 2 Toepassingsbereik
 
2.1 Verhouding ruimtelijke regels omgevingsplan tijdelijk deel

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld onder c.
 
2.2 Verhouding met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan tijdelijk deel

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van dit omgevingsplan zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
 
2.3 Geometrische afbakening reikwijdte TAM-omgevingsplan

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Woning Staarterstraat ong. te Sevenum, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1507.SNTAMSTAARTERSTR-BPV1.
 
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

In aanvulling op de meet- en rekenbepalingen als bedoeld in artikel 22.24 van het omgevingsplan, zijn de volgende meet- en rekenbepalingen van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het eerste tot en met het negende lid:
 
3.1 dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
 
3.2 de goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 
 
3.3 de inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
 
3.4 de bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
3.5 de oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 
3.6 het bebouwd oppervlak van een bouwperceel, een bouwvlak of een ander terrein
de oppervlakte van alle op een bouwperceel/bouwvlak of een ander terrein gelegen bouwwerken tezamen.
 
3.7 ondergeschikte bouwdelen
bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, opstaande dakranden, balkons, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten tot een maximum van 2,00 meter.
 
3.8 afstand tot de bouwperceelsgrens
tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.
 
3.9 ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk
vanaf het bouwkundig peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
 
2 Functies en activiteiten
Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toebedeelde functies en activiteiten.
 
Artikel 5 Agrarisch met waarden
 
5.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op locaties die zijn aangewezen als 'Agrarisch met waarden'.
 
5.2 Functieomschrijving

Op de voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn de volgende functies en activiteiten toegelaten:
  1. agrarisch bedrijfsmatig grondgebruik;
  2. agrarisch hobbymatig grondgebruik;
  3. grondgebonden agrarische bedrijven, niet zijnde grondgebonden veehouderijen;
  4. wonen in een bedrijfswoning;
  5. mestbe- en verwerking op bedrijfsniveau met een maximum van 25.000 ton per jaar;
  6. een ander gebruik van gebouwen en gronden als nevenactiviteit, met dien verstande dat het vloeroppervlak van nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf in totaal ten hoogste 200 m² bedraagt, namelijk:
    1. detailhandel in agrarische producten die op het eigen bedrijf of in de directe omgeving daarvan zijn geproduceerd en/of bewerkt, dan wel hieraan direct aanverwante producten;
    2. zorgboerderij;
    3. zorgvoorzieningen;
    4. dagrecreatieve voorzieningen;
  7. extensief dagrecreatief medegebruik;
  8. bescherming van aardkundige waarden;
  9. het behoud, de bescherming, de ontwikkeling en/of het herstel van de desbetreffende cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden ter plaatse van de aanduidingen zoals zijn opgenomen in artikel 14 lid 2,
met de daarbij behorende:
  1. tuinen, erven en terreinen, met dien verstande dat erfverhardingen buiten het bouwvlak uitsluitend zijn toegestaan voor zover bestaand;
  2. verkeers- en parkeervoorzieningen;
  3. voorzieningen van openbaar nut;
  4. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder bergbezinkbassins;
  5. groenvoorzieningen, natuur- en landschapselementen.
5.3 Bouwactiviteiten
 
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels:
  1. Op de gronden als bedoeld in artikel 5 lid 1 mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de functie worden gebouwd;
  2. buiten een functievlak mogen de volgende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd:
    1. erf- en terreinafscheidingen met dien verstande dat deze voor de gevelrooilijn maximaal 1 meter en achter de voorgevelrooilijn 2 meter mag bedragen;
    2. recreatieve voorzieningen ten behoeve van het extensief dagrecreatief medegebruik, zoals bankjes, picknicktafels en bewegwijzering;
    3. hoogzitten.
5.4 Specifieke functieregels
 
5.4.1 Strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:
  1. het gebruik van gronden buiten het bouwvlak voor buitenopslag;
  2. het gebruik van de gronden voor het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen ter plaatse van de aanduiding ‘milieuzone – spuitvrije zone’;
  3. het gebruik van gronden en opstallen voor horeca I, horeca II en kleinschalige horeca;
  4. het gebruik van de gronden voor verblijfsrecreatie;
  5. het gebruik van gronden voor het stallen van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen.
5.4.2 Strijdig gebruik ammoniakemissie
Onder gebruik in strijd met deze functie wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de functieomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen:
  1. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van het houden van vee, het gebruik van kassen en/of het telen van gewassen indien dit leidt tot een toename van de ammoniakemissie ten opzichte van de feitelijke situatie zoals die blijkt of kan worden afgeleid uit:
    1. een verleende vergunning als bedoeld in artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming, een omgevingsvergunning waarbij de toestemming op grond van artikel 2.7 van de wet is aangehaakt, of een melding op grond van artikel 2.7 van de Regeling natuurbescherming, ten tijde van de vaststelling van dit omgevingsplan, met dien verstande dat in geval van een rekenkundige toename van de ammoniakemissie ten gevolge van aanpassingen in de regeling ammoniak en veehouderij deze wordt aangemerkt als de feitelijk en legaal aanwezige ammoniakemissie, dan wel;
    2. indien een vergunning of melding als bedoeld onder 1 ontbreekt: de bestaande activiteit en de daarbij behorende ammoniakemissie die ten hoogste feitelijk door die bestaande activiteit werd veroorzaakt.
  2. een toename van de ammoniakemissie voor het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van het houden van vee, het gebruik van kassen en/of het telen van gewassen ten opzichte van de feitelijke situatie is wel toegestaan indien het project of de handeling, waar de aanvraag om omgevingsvergunning op ziet, een stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in het Natura 2000-gebied, die afzonderlijk en - ingeval het project of de handeling betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid van de Wet milieubeheer - in cumulatie met andere projecten of handelingen met betrekking tot dezelfde inrichting, in de periode waarvoor het programma als bedoeld in artikel 1.13 Wet natuurbescherming geldt, een waarde overschrijdt die is vastgesteld bij de algemene Maatregel van Bestuur als bedoeld in artikel 2.9, vijfde lid, onder a, onder 1 van de Wet natuurbescherming.
Artikel 6 Wonen
 
6.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op locaties die zijn aangewezen als 'Wonen'.
 
6.2 Functieomschrijving
 
Op een locatie die is aangewezen als 'Wonen' zijn de volgende functies en activiteiten toegelaten: 
  1. wonen in een woning;
  2. aan huis verbonden beroepen, onder de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 13 lid 3;
met de daarbij behorende:
  1. tuinen, erven en terreinen;
  2. paden, wegen, ontsluitings- en (al dan niet verharde) parkeervoorzieningen;
  3. voorzieningen van openbaar nut;
  4. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  5. groenvoorzieningen, natuur en landschapselementen.
6.3 Bouwactiviteiten
 
6.3.1 Algemeen
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels:
  1. op de gronden als bedoeld in artikel 6 lid 2, mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de woonfunctie worden gebouwd;
  2. er is niet meer dan 1 woning in het functievlak toegestaan;
  3. indien binnen een functievlak de aanduiding 'gevellijn' is opgenomen dient de voorgevel van het hoofdgebouw in of maximaal 3 meter achter deze gevellijn te worden gebouwd;
  4. aangebouwde bijbehorende bouwwerken dienen aan de onderstaande regeling met betrekking tot hoofdgebouw te voldoen, dan wel aan het gestelde onder regeling bijbehorende bouwwerken.
6.3.2 Hoofdgebouwen en aan- en uitbouwen
De maatvoering voor gebouwen en bijbehorende bouwwerken is als volgt:
 
Hoofdgebouw
minimaal
maximaal
positie voorgevel
in het verlengde van belendende panden
en over een lengte van minimaal 6 meter
n.v.t. 
goothoogte
n.v.t.
5 meter
bouwhoogte
n.v.t.
9 meter
afstand tot perceelgrens
3 meter
n.v.t.
inhoud
n.v.t.
750 m³
dakhelling
40º
60º
 
In aanvulling op / in afwijking van artikel 22.27 en 22.36 van de bruidsschat gelden de volgende regels voor bijbehorende bouwwerken bij woningen:
 
Aangebouwde bijbehorende bouwwerken en carports    
minimaal
maximaal
maximale goothoogte
n.v.t.
3,5 meter
maximale bouwhoogte
n.v.t.
5 meter
afstand carports achter de voorgevel van het hoofdgebouw
0 m, carports mogen tot 1 m voor de voorgevel worden gebouwd
n.v.t.
afstand overige bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel van het hoofdgebouw  
ten minste achter de nok van het hoofdgebouw of halverwege de zijgevel
n.v.t.
afstand overige bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel van het hoofdgebouw in het geval dat het hoofdgebouw meerdere naar de weg gekeerde gevels kent    
3 meter
n.v.t.
afstand overige bijbehorende bouwwerken tot het openbaar gebied in het geval van een hoeksituatie    
1 meter
n.v.t.
totale gezamenlijke oppervlakte van alle bijbehorende bouwwerken
n.v.t.
150 m²
bebouwingspercentage van het terrein dat hoort bij het hoofdgebouw    
n.v.t.
50%
  
   
Vrijstaande bijbehorende bouwwerken    
minimaal
maximaal
goothoogte
n.v.t.
3,5 meter
bouwhoogte
n.v.t.
5 meter
afstand carports achter de voorgevel van het hoofdgebouw
0 m, carports mogen tot 1 m voor de voorgevel worden gebouwd
n.v.t.
afstand overige bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel van het hoofdgebouw  
ten minste achter de nok van het hoofdgebouw of halverwege de zijgevel
n.v.t.
afstand overige bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel van het hoofdgebouw in het geval dat het hoofdgebouw meerdere naar de weg gekeerde gevels kent    
3 meter
n.v.t.
afstand tot zijdelingse perceelgrens  
2,5 meter
n.v.t.
afstand tot hoofdgebouw  
n.v.t.
40 m
totale gezamenlijke oppervlakte van alle bijbehorende bouwwerken     
n.v.t.
150 m²
bebouwingspercentage van het terrein dat hoort bij het hoofdgebouw    
n.v.t.
50%
 
6.3.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
In aanvulling op / in afwijking van artikel 22.27 en 22.36 van de bruidsschat gelden de volgende regels voor de maatvoering ten aanzien van het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
 
Bouwhoogte van bouwwerk, geen gebouwen zijnde  
minimaal
maximaal
maximale bouwhoogte
n.v.t.
2 meter
erf- en terreinafscheidingen
n.v.t.
voor de voorgevelrooilijn: 1 meter
achter de voorgevelrooilijn: 2 meter
antennes uitsluitend toegestaan achter de achtergevelrooilijn  
n.v.t.
12 meter

 
6.4 Specifieke functieregels gebruik
 
6.4.1 Voorwaardelijke verplichting landschapsinrichtingsplan
Het gebruik van de woning die op basis van dit artikel mag worden gebouwd is slechts toegestaan indien de landschappelijke inpassing conform bijlage 1 'Landschapsinpassingsplan' van deze regels is gerealiseerd en kwalitatief en kwantitatief in stand wordt gehouden.
 
6.5 Omgevingsplanactiviteit afwijkend gebruik
 
6.5.1 Aan huis verbonden bedrijf
 
6.5.1.1 Verbod
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een aan huis verbonden bedrijf uit te oefenen binnen de woonfunctie.
6.5.1.2 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor aan huis gebonden bedrijf wordt uitsluitend verleend als wordt voldaan aan de volgende regels: 
  1. er mag geen onevenredige hinder worden toegebracht aan de kwaliteit van het woonmilieu, de maximaal toelaatbare categorie is 2;
  2. door de uitoefening van de activiteit mag het uiterlijk aanzien van de (bedrijfs)woning inclusief bijgebouwen niet zodanig veranderen, dat de woning inclusief bijgebouwen het karakter van een (bedrijfs)woning geheel of gedeeltelijk verliest; reclame-uitingen zijn niet toegestaan behoudens beperkte naamsaanduidingen aan of bij de bedrijfswoning;
  3. de oppervlakte van de (bedrijfs)woning inclusief bijgebouwen welke voor de bedrijfsvoering wordt gebruikt mag 30% van het totale vloeroppervlak van de (bedrijfs)woning en de bijgebouwen bedragen; de totale oppervlakte van de activiteit mag niet meer bedragen dan 100 m²;
  4. degene die het aan huis gebonden bedrijf uitoefent, is tevens één van de bewoners van de woning, met dien verstande dat de bedrijfsactiviteiten naast de bewoner door maximaal twee medewerkers mogen worden uitgeoefend;
  5. er dient sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat in de (bedrijfs)woning;
  6. de activiteit mag niet leiden tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
  7. in de parkeerbehoefte wordt in voldoende mate voorzien op eigen terrein, dan wel kan de parkeerbehoefte in de directe omgeving worden opgevangen;
  8. buitenopslag ten behoeve van het bedrijf op het perceel is niet toegestaan. Stalling van maximaal twee bedrijfsvoertuigen met een maximale lengte van 5 meter is toegestaan, tenzij dit leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving;
  9. er mag geen sprake zijn van een seksinrichting;
  10. detailhandel is niet toegestaan, behoudens ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten.
Artikel 7 Waarde - Archeologie 2
 
7.1 Omschrijving

De voor ‘Waarde – Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en)functie(s), mede aangewezen voor instandhouding en bescherming van oudheidkundig waardevolle elementen en terreinen.
 
7.2 Bouwactiviteit
 
7.2.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten in ‘Waarde – Archeologie 2’.
 
7.2.2 Uitzonderingen
In afwijking van subsubparagraaf 7.2.1 geldt geen vergunningsplicht voor een bouwactiviteit indien de aanvraag betrekking heeft op:
  1. de vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte op of onder het maaiveld niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  2. een bouwactiviteit die betrekking hebben op een of meer bouwwerken waarvan de totale te bebouwen oppervlakte kleiner is dan 100 m²; of
  3. een bouwactiviteit waarvan de graafwerkzaamheden of bodemverstoring niet dieper reiken dan een diepte van 30 cm.
  4. een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd, waarvan de bouwhoogte maximaal 3,00 m mag bedragen.
7.2.3 Toepassingscriteria
  1. een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit in ‘Waarde – Archeologie 2’ wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
    1. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    2. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
    3. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  2. bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
7.2.4 Aanvraagvereisten
  1. bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in ‘Waarde – Archeologie 2’ worden, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waarin de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op:
      1. een bureauonderzoek;
      2. zo nodig een booronderzoek; en
      3. zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; en
      4. zo nodig een opgraving;
    2. funderingstekeningen, waaruit de omvang en de diepte van de samenhangende bodemverstoringen blijken als gevolg van de bouwactiviteit;
    3. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving;
    4. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor het booronderzoek;
    5. als sprake is van een archeologische (verwachtings)waarde onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
  2. zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; of
    2. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.
7.3 Uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
7.3.1 Vergunningplicht
Het is verboden op of in de voor ‘Waarde – Archeologie 2' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden te verrichten:
  1. het afgraven van gronden;
  2. het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
  3. het uitvoeren van andere grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  4. het aanleggen en onderhouden van infrastructurele werken, zoals (spoor)wegen, tunnels, viaducten, rioleringen;
  5. het aanbrengen, verwijderen of verleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  6. het uitvoeren van inrichtingswerkzaamheden;
  7. het verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  8. het aanleggen, (ver)graven, verruimen, dempen of herprofileren van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
  9. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap;
  10. het baggeren, waaronder begrepen saneren en onderzuigen;
  11. het uitvoeren van werkzaamheden aan oevers en kaden;
  12. het aanplanten of verwijderen van diepwortelende bomen, hakhout en andere houtopstanden;
  13. winnen van grondstoffen;
  14. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem.
7.3.2 Uitzonderingen
  1. In afwijking van subsubparagraaf 7.3.1 geldt geen vergunningsplicht voor werken of werkzaamheden:
    1. die worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud;
    2. die worden uitgevoerd binnen de bestaande diepte en oppervlakte van een bestaand cunet van een weg of leiding; of
    3. die worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek volgens een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen of, in geval van een booronderzoek, plan van aanpak.
  2. In aanvulling op het eerste lid geldt ook geen vergunningplicht als:
    1. de aanvraag betrekking heeft op een of meer werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden waarvan de totale oppervlakte kleiner is dan 100 m2; of
    2. de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden plaatsvinden op een diepte van niet meer dan 30 cm ten opzichte van het maaiveld.
7.3.3 Toepassingscriteria
  1. omgevingsvergunning voor de werken en werkzaamheden in ‘Waarde – Archeologie 2’ wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
    1. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    2. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
    3. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  2. bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
7.3.4 Aanvraagvereisten
  1. bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een werk, geen bouwwerk zijnde, of bouwwerk in ‘Waarde – Archeologie 2’ worden, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een omschrijving van de aard van het werk, geen bouwwerk zijnde, of de werkzaamheid, met vermelding van:
      1. de omvang in vierkante meters; en
      2. de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld;
    2. een topografische kaart voorzien van een noordpijl en ten minste twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit;
    3. doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld;
    4. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waarin de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op
      1. een bureauonderzoek;
      2. zo nodig een booronderzoek; en
      3. zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; en
      4. zo nodig een opgraving
    5. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving; en
    6. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor een booronderzoek; en
    7. als sprake is van een (te verwachten) archeologisch monument onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
  2. zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een bestek of werkomschrijving met bijbehorende tekeningen;
    2. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; of
    3. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.
7.4 Sloopactiviteit
 
7.4.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten in ‘Waarde – Archeologie 2’.
 
7.4.2 Uitzonderingen
  1. in afwijking van subsubparagraaf 7.4.1 geldt geen vergunningplicht voor een sloopactiviteit waarbij de oppervlakte onder maaiveld niet wordt verstoord.
  2. in aanvulling op het eerste lid geldt ook geen vergunningplicht op de locatie ‘Waarde - Archeologie 2’ als:
    1. de aanvraag betrekking heeft op het slopen van een of meer bouwwerken waarvan de totale oppervlakte kleiner is dan 100 m2; of
    2. een sloopactiviteit plaatsvind op een diepte van niet meer dan 30 cm ten opzichte van het maaiveld.
7.4.3 Toepassingscriteria
  1. omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in ‘Waarde – Archeologie 2’ wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
    1. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    2. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
    3. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  2. bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
7.4.4 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in ‘Waarde – Archeologie 2’ worden aanvullend op het bepaalde in subsubparagraaf 7.4.1 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
  1. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waaruit de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, in voldoende mate blijkt; en
  2. voor zover deze beschikbaar zijn: bestaande funderingstekeningen, waaruit de omvang en de diepte van de samenhangende bodemverstoringen blijken als gevolg van de sloopactiviteit.
7.5 Voorschriften aan vergunning
  1. het bevoegd gezag kan de volgende voorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van activiteiten, als bedoeld in artikel 7 lid 2artikel 7 lid 3 en artikel 7 lid 4 in een gebied met ‘Waarde – Archeologie 2’ in het belang van de archeologische monumentenzorg, die inhouden een plicht tot:
    1. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in situ kunnen worden behouden;
    2. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
    3. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;
    4. indien sub c van toepassing is, een regeling omtrent de gevolgen bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
    5. het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet;
    6. het binnen een bepaalde termijn starten van werkzaamheden;
    7. het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
    8. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
    9. het tijdig voor aanvang van werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; en
    10. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming met de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of van een programma van eisen.
  2. de voorschriften als bedoeld in het eerste lid, onder 1, kunnen worden gesteld over de wijze van slopen.
Artikel 8 Waarde - Archeologie 4
 
8.1 Omschrijving

De voor ‘Waarde – Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede aangewezen voor instandhouding en bescherming van oudheidkundig waardevolle elementen en terreinen.
 
8.2 Bouwactiviteit
 
8.2.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten in ‘Waarde – Archeologie 4’.
 
8.2.2 Uitzonderingen
In afwijking van subsubparagraaf 8.2.1 geldt geen vergunningsplicht voor een bouwactiviteit indien de aanvraag betrekking heeft op:
  1. de vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte op of onder het maaiveld niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  2. een bouwactiviteit die betrekking hebben op een of meer bouwwerken waarvan de totale te bebouwen oppervlakte kleiner is dan 2.500 m²; of
  3. een bouwactiviteit waarvan de graafwerkzaamheden of bodemverstoring niet dieper reiken dan een diepte van 40 cm.
  4. een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd, waarvan de bouwhoogte maximaal 3,00 m mag bedragen.
8.2.3 Toepassingscriteria
  1. een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit in ‘Waarde – Archeologie 4’ wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
    1. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    2. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
    3. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  2. bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
8.2.4 Aanvraagvereisten
  1. bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in ‘Waarde – Archeologie 4’ worden, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waarin de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op:
      1. een bureauonderzoek;
      2. zo nodig een booronderzoek; en
      3. zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; en
      4. zo nodig een opgraving;
    2. funderingstekeningen, waaruit de omvang en de diepte van de samenhangende bodemverstoringen blijken als gevolg van de bouwactiviteit;
    3. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving;
    4. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor het booronderzoek;
    5. als sprake is van een archeologische (verwachtings)waarde onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
  2. zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; of
    2. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.
8.3 Uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
8.3.1 Vergunningplicht
Het is verboden op of in de voor ‘Waarde – Archeologie 4' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden te verrichten:
  1. het afgraven van gronden;
  2. het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
  3. het uitvoeren van andere grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  4. het aanleggen en onderhouden van infrastructurele werken, zoals (spoor)wegen, tunnels, viaducten, rioleringen;
  5. het aanbrengen, verwijderen of verleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  6. het uitvoeren van inrichtingswerkzaamheden;
  7. het verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  8. het aanleggen, (ver)graven, verruimen, dempen of herprofileren van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
  9. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap;
  10. het baggeren, waaronder begrepen saneren en onderzuigen;
  11. het uitvoeren van werkzaamheden aan oevers en kaden;
  12. het aanplanten of verwijderen van diepwortelende bomen, hakhout en andere houtopstanden;
  13. winnen van grondstoffen;
  14. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem.
8.3.2 Uitzonderingen
  1. in afwijking van subsubparagraaf 8.3.1 geldt geen vergunningsplicht voor werken of werkzaamheden:
    1. die worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud;
    2. die worden uitgevoerd binnen de bestaande diepte en oppervlakte van een bestaand cunet van een weg of leiding; of
    3. die worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek volgens een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen of, in geval van een booronderzoek, plan van aanpak.
  2. in aanvulling op het eerste lid geldt ook geen vergunningplicht als:
    1. de aanvraag betrekking heeft op een of meer werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden waarvan de totale oppervlakte kleiner is dan 2.500 m2; of
    2. de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden plaatsvinden op een diepte van niet meer dan 40 cm ten opzichte van het maaiveld.
8.3.3 Toepassingscriteria
  1. omgevingsvergunning voor de werken en werkzaamheden in ‘Waarde – Archeologie 4’ wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
    1. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    2. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
    3. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  2. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
8.3.4 Aanvraagvereisten
  1. bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een werk, geen bouwwerk zijnde, of bouwwerk in ‘Waarde – Archeologie 4’ worden, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een omschrijving van de aard van het werk, geen bouwwerk zijnde, of de werkzaamheid, met vermelding van:
      1. de omvang in vierkante meters; en
      2. de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld;
    2. een topografische kaart voorzien van een noordpijl en ten minste twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit;
    3. doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld;
    4. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waarin de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op
      1. een bureauonderzoek;
      2. zo nodig een booronderzoek; en
      3. zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; en
      4. zo nodig een opgraving
    5. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving; en
    6. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor een booronderzoek; en
    7. als sprake is van een (te verwachten) archeologisch monument onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
  2. zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een bestek of werkomschrijving met bijbehorende tekeningen;
    2. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; of
    3. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.
8.4 Sloopactiviteit
 
8.4.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten in ‘Waarde – Archeologie 4’.
 
8.4.2 Uitzonderingen
  1. in afwijking van subsubparagraaf 8.4.1 geldt geen vergunningplicht voor een sloopactiviteit waarbij de oppervlakte onder maaiveld niet wordt verstoord.
  2. in aanvulling op het eerste lid geldt ook geen vergunningplicht op de locatie ‘Waarde - Archeologie 4’ als:
    1. de aanvraag betrekking heeft op het slopen van een of meer bouwwerken waarvan de totale oppervlakte kleiner is dan 2.500 m2; of
    2. een sloopactiviteit plaatsvind op een diepte van niet meer dan 40 cm ten opzichte van het maaiveld.
8.4.3 Toepassingscriteria
  1. omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in ‘Waarde – Archeologie 4’ wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
    1. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    2. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
    3. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  2. bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
8.4.4 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in ‘Waarde – Archeologie 4’ worden aanvullend op het bepaalde in subsubparagraaf 8.4.1 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
  1. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waaruit de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, in voldoende mate blijkt; en
  2. voor zover deze beschikbaar zijn: bestaande funderingstekeningen, waaruit de omvang en de diepte van de samenhangende bodemverstoringen blijken als gevolg van de sloopactiviteit.
8.5 Voorschriften aan vergunning
  1. het bevoegd gezag kan de volgende voorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van activiteiten, als bedoeld in artikel 8 lid 2, artikel 8 lid 3 en artikel 8 lid 4 in een gebied met ‘Waarde – Archeologie 4’ in het belang van de archeologische monumentenzorg, die inhouden een plicht tot:
    1. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in situ kunnen worden behouden;
    2. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
    3. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;
    4. indien sub c van toepassing is, een regeling omtrent de gevolgen bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
    5. het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet;
    6. het binnen een bepaalde termijn starten van werkzaamheden;
    7. het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
    8. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
    9. het tijdig voor aanvang van werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; en
    10. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming met de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of van een programma van eisen.
  2. de voorschriften als bedoeld in het eerste lid, onder 1, kunnen worden gesteld over de wijze van slopen.
Artikel 9 Waarde - Beschermd cultuurlandschap 1
 
9.1 Omschrijving
 
De voor ‘Waarde - beschermd cultuurlandschap 1’ aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen functie(s), ook bestemd voor instandhouding, bescherming en het versterken en/of te ontwikkelen cultuurlandschap.
 
9.2 Bouwactiviteit
 
9.2.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten in ‘Waarde - beschermd cultuurlandschap 1’.
 
9.2.2 Toepassingscriteria
  1. een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in ‘Waarde - Beschermd cultuurlandschap 1’ wordt alleen verleend indien, op basis van een cultuurhistorisch onderzoek is aangetoond dat, naar het oordeel van de cultuurhistorisch deskundige, namens het bevoegd gezag, het bouwwerk in overeenstemming is met het belang van het behoud van het karakter en de kenmerken van het beschermd cultuurlandschap.
  2. bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel dat aantasting van het karakter en de kenmerken van beschermde cultuurlandschappen moet worden voorkomen.
9.2.3 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in ‘Waarde - Beschermd cultuurlandschap 1’, een rapport vestreken, waarin aannemelijk is gemaakt dat, naar het oordeel van de cultuurhistorische deskundige namens het bevoegd gezag, het bouwwerk in overeenstemming is met het belang van het behoud van het karakter en de kenmerken van het beschermd cultuurlandschap.
 
9.3 Uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
9.3.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning om de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden te verrichten in ‘Waarde - Beschermd cultuurlandschap 1’:
  1. het afgraven van gronden;
  2. het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
  3. het uitvoeren van andere grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  4. het aanleggen en onderhouden van infrastructurele werken, zoals (spoor)wegen, tunnels, viaducten, rioleringen;
  5. het aanbrengen, verwijderen of verleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  6. het uitvoeren van inrichtingswerkzaamheden;
  7. het verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  8. het aanleggen, (ver)graven, verruimen, dempen of herprofileren van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
  9. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap;
  10. het baggeren, waaronder begrepen saneren en onderzuigen;
  11. het uitvoeren van werkzaamheden aan oevers en kaden;
  12. het aanplanten of verwijderen van diepwortelende bomen, hakhout en andere houtopstanden;
  13. winnen van grondstoffen;
  14. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem.
9.3.2 Uitzonderingen
In afwijking van subsubparagraaf 9.3.1 geldt geen vergunningsplicht voor werkzaamheden:
  1. die worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud;
  2. die worden uitgevoerd binnen de bestaande diepte en oppervlakte van een bestaand cunet van een weg of leiding; of
  3. die worden uitgevoerd in het kader van cultuurhistorisch onderzoek volgens een door de cultuurhistorie deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen of, in geval van een booronderzoek, plan van aanpak.
9.3.3 Toepassingscriteria
  1. een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden in ‘Waarde – Beschermd cultuurlandschap 1’ wordt alleen verleend indien, op basis van een cultuurhistorisch onderzoek is aangetoond dat, naar het oordeel van de cultuurhistorisch deskundige namens het bevoegd gezag, de werken en werkzaamheden in overeenstemming zijn met het belang van het behoud van het karakter en de kenmerken van beschermd cultuurlandschap.
  2. bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel dat aantasting van het karakter en de kenmerken van beschermde cultuurlandschappen moet worden voorkomen.
9.3.4 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden in ‘Waarde - Beschermd cultuurlandschap 1’ wordt een rapport verstrekt, waarin aannemelijk is gemaakt dat, naar het oordeel van de cultuurhistorisch deskundige namens het bevoegd gezag, de werken en werkzaamheden in overeenstemming zijn met het belang van het behoud van het karakter en de kenmerken van het beschermd cultuurlandschap.
 
9.4 Sloopactiviteit
 
9.4.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten in ‘Waarde - Beschermd cultuurlandschap 1’.
 
9.4.2 Uitzondering
In afwijking van subsubparagraaf 9.4.1 geld geen vergunningsplicht voor het slopen van gebouwen of delen van gebouwen anders dan ter uitvoering van een bouwplan waar reeds een vergunning voor is verleend of ter vernieuwing van onderdelen, welke uit oogpunt van onderhoud noodzakelijk zijn.
 
9.4.3 Toepassingscriteria
  1. een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in ‘Waarde - Beschermd cultuurlandschap 1’ wordt alleen verleend indien, op basis van een cultuurhistorisch onderzoek is aangetoond dat, naar het oordeel van de cultuurhistorisch deskundige, namens het bevoegd gezag, de sloopactiviteit in overeenstemming is met het belang van het behoud van het karakter en de kenmerken van het beschermd cultuurlandschap.
  2. bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel dat aantasting van het karakter en de kenmerken van beschermde cultuurlandschappen moet worden voorkomen.
9.4.4 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in ‘Waarde - Beschermd cultuurlandschap 1’ wordt, een rapport verstrekt, waarin aannemelijk is gemaakt dat, naar het oordeel van de cultuurhistorisch deskundige, namens het bevoegd gezag, de sloopactiviteit in overeenstemming is met het belang van het behoud van het karakter en de kenmerken van het beschermd cultuurlandschap.
 
9.5 Kappen
 
9.5.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning bomen of houtopstanden te kappen of te vellen in ‘Waarde - Beschermd cultuurlandschap 1’.
 
9.5.2 Uitzondering
  1. in afwijking van subsubparagraaf 9.5.1 geldt geen vergunningplicht voor:
    1. het snoeien van bomen, als dat noodzakelijk is voor de instandhouding daarvan; en
    2. het knotten of kandelaberen van reeds geknotte of gekandelaberde bomen.
  2. de vergunningplicht geldt ook niet voor:
    1. een boom of houtopstand die geheel of gedeeltelijk moet worden geveld op grond van de plantgezondheidswet; en
    2. het kappen van een boom of houtopstand vanwege een aanschrijving op grond van de Algemeen Plaatselijke Verordening.
9.5.3 Toepassingscriteria
  1. een omgevingsvergunning voor een kapactiviteit in  ‘Waarde -  Beschermd cultuurlandschap 1’ wordt alleen verleend indien, op basis van een cultuurhistorisch onderzoek is aangetoond dat, naar het oordeel van de cultuurhistorisch deskundige namens het bevoegd gezag, het kappen of vellen van bomen of houtopstanden in overeenstemming is met het belang van het behoud van het karakter en kenmerken van het beschermd cultuurlandschap.
  2. bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel dat aantasting van het karakter en kenmerken van beschermde cultuurlandschappen moet worden voorkomen.
9.5.4 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het kappen of vellen van bomen of houtopstanden in ‘Waarde - Beschermd cultuurlandschap 1’ worden, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
  1. een aanduiding van de te kappen boom of te vellen houtopstand op een kaart, foto of tekening;
  2. de reden voor het kappen van de boom of vellen van de houtopstand;
  3. de mogelijkheid tot herbeplanten en, als het voornemen tot herbeplanten bestaat, de locatie daarvan, het aantal en de soorten; en
  4. een rapport, waarin aannemelijk is gemaakt dat het kappen of vellen in overeenstemming is met het belang van het behoud van het karakter en kenmerken van het beschermd cultuurlandschap.
9.5.5 Meldingsplicht snoeien, knotten of kandalaberen van bomen - beschermd cultuurlandschap 1
  1. het is verboden een boom in een beschermd cultuurlandschap te snoeien, knotten of kandelaberen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
  2. bij de melding worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een aanduiding van de te snoeien, knotten of kandelaberen boom op een kaart, foto of tekening, ieder voorzien van een nummer of aanduiding; en
    2. als een boom wordt gesnoeid: een onderbouwing van de noodzaak daarvan.
9.6 Voorschriften aan vergunning
  1. het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning voor een activiteit zoals beschreven in artikel 9 lid 2artikel 9 lid 3, artikel 9 lid 4 en artikel 9 lid 5 ‘Waarde - Beschermd cultuurlandschap 1’, in het belang van het behoud van het karakter en de kenmerken van het beschermd cultuurlandschap, voorschriften opleggen ter bescherming van het karakter en de kenmerken van het beschermd cultuurlandschap.
  2. in aanvulling op het bepaalde in het eerste lid kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor een kapactiviteit met het oog op compensatie een herplantplicht opleggen.
9.7 Adviescommissie cultuurhistorie
 
9.7.1 Betrokkenheid adviescommissie cultuurhistorie bij beoordeling aanvraag voor activiteiten
Het college van burgemeester en wethouders betrekt tevens de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) bij een beoordeling van een aanvraag in ‘Waarde - Beschermd cultuurlandschap 1’.
 
Artikel 10 Waarde - Beschermd cultuurlandschap 3
 
10.1 Omschrijving
 
De voor ‘Waarde - Beschermd cultuurlandschap 3’ aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen functies, ook bestemd voor instandhouding, bescherming en het versterken en/of te ontwikkelen cultuurlandschap.
 
10.2 Bouwactiviteit
 
10.2.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten in het ‘Waarde - Beschermd cultuurlandschap 3’.
 
10.2.2 Toepassingscriteria
  1. een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in een ‘Waarde - Beschermd cultuurlandschap 3’ wordt alleen verleend indien, op basis van een onderbouwing aangetoond dat, naar het oordeel van de cultuurhistorisch deskundige, namens het bevoegd gezag, het bouwwerk in overeenstemming is met de kenmerken en kwaliteiten van het beschermd cultuurlandschap.
  2. bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel dat aantasting van de kenmerken en kwaliteiten van beschermde cultuurlandschappen moet worden versterkt.
10.2.3 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in ‘Waarde - Beschermd cultuurlandschap 3’ wordt, een onderbouwing verstrekt, waarin aannemelijk is gemaakt dat, naar het oordeel van de cultuurhistorische deskundige, namens het bevoegd gezag, het bouwwerk in overeenstemming is met de kenmerken en kwaliteiten van het beschermd cultuurlandschap.
 
10.3 Uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
10.3.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden te verrichten in ‘Waarde - Beschermd cultuurlandschap 3’:
  1. het afgraven van gronden;
  2. het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
  3. het uitvoeren van andere grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  4. het aanleggen en onderhouden van infrastructurele werken, zoals (spoor)wegen, tunnels, viaducten, rioleringen;
  5. het aanbrengen, verwijderen of verleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  6. het uitvoeren van inrichtingswerkzaamheden;
  7. het verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  8. het aanleggen, (ver)graven, verruimen, dempen of herprofileren van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
  9. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap;
  10. het baggeren, waaronder begrepen saneren en onderzuigen;
  11. het uitvoeren van werkzaamheden aan oevers en kaden;
  12. het aanplanten of verwijderen van diepwortelende bomen, hakhout en andere houtopstanden;
  13. winnen van grondstoffen;
  14. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem.
10.3.2 Uitzonderingen
In afwijking van subsubparagraaf 10.3.1 geldt geen vergunningsplicht voor werkzaamheden:
  1. die worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud;
  2. die worden uitgevoerd binnen de bestaande diepte en oppervlakte van een bestaand cunet van een weg of leiding; of
  3. die worden uitgevoerd in het kader van cultuurhistorisch onderzoek volgens een door de cultuurhistorie deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen of, in geval van een booronderzoek, plan van aanpak.
10.3.3 Toepassingscriteria
  1. een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden in een ‘Waarde - Beschermd cultuurlandschap 3’ wordt alleen verleend indien, op basis van een onderbouwing is aangetoond dat, naar het oordeel van de cultuurhistorisch deskundige namens het bevoegd gezag, de werken en werkzaamheden in overeenstemming zijn met de kenmerken en kwaliteiten van het beschermd cultuurlandschap 3.
  2. bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel dat de kenmerken van beschermd cultuurlandschap 3 moet worden versterkt.
10.3.4 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden in een ‘Waarde - Beschermd cultuurlandschap 3’ wordt, een onderbouwingverstrekt, waarin aannemelijk is gemaakt dat, naar het oordeel van de cultuurhistorisch deskundige, namens het bevoegd gezag, de werken en werkzaamheden in overeenstemming zijn met de kenmerken en kwaliteiten van het beschermd cultuurlandschap 3.
 
10.4 Kappen
 
10.4.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning bomen of houtopstanden te kappen of te vellen in ‘Waarde - Beschermd cultuurlandschap 3’.
 
10.4.2 Uitzondering
  1. in afwijking van subsubparagraaf 10.4.1 geldt geen vergunningplicht voor:
    1. het snoeien van bomen, als dat noodzakelijk is voor de instandhouding daarvan; en
    2. het knotten of kandelaberen van reeds geknotte of gekandelaberde bomen.
  2. de vergunningplicht geldt ook niet voor:
    1. een boom of houtopstand die geheel of gedeeltelijk moet worden geveld op grond van de plantgezondheidswet; en
    2. het kappen van een boom of houtopstand vanwege een aanschrijving op grond van de Algemeen Plaatselijke Verordening.
10.4.3 Toepassingscriteria
  1. een omgevingsvergunning voor een kapactiviteit in ‘Waarde - Beschermd cultuurlandschap 3’wordt alleen verleend indien, op basis van een onderbouwing is aangetoond dat, naar het oordeel van de cultuurhistorisch deskundige, namens het bevoegd gezag, het kappen of vellen van bomen of houtopstanden in overeenstemming is met de kenmerken en kwaliteiten van het beschermd cultuurlandschap.
  2. bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel dat de kenmerken van beschermd cultuurlandschap 3 worden versterkt.
10.4.4 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het kappen of vellen van bomen of houtopstanden in een ‘Waarde - Beschermd cultuurlandschap 3’ worden, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
  1. een aanduiding van de te kappen boom of te vellen houtopstand op een kaart, foto of tekening;
  2. de reden voor het kappen van de boom of vellen van de houtopstand;
  3. de mogelijkheid tot herbeplanten en, als het voornemen tot herbeplanten bestaat, de locatie daarvan, het aantal en de soorten; en
  4. een onderbouwing waarin aannemelijk is gemaakt dat het kappen of vellen in overeenstemming is met het belang van het behoud van de kenmerken en kwaliteiten van het beschermd cultuurlandschap 3.
10.4.5 Meldingsplicht snoeien, knotten of kandalaberen van bomen - beschermd cultuurlandschap 3
  1. het is verboden een boom in een beschermd cultuurlandschap te snoeien, knotten of kandelaberen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
  2. bij de melding worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een aanduiding van de te snoeien, knotten of kandelaberen boom op een kaart, foto of tekening, ieder voorzien van een nummer of aanduiding; en
    2. als een boom wordt gesnoeid: een onderbouwing van de noodzaak daarvan.
10.5 Voorschriften aan vergunning

Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning voor een activiteit zoals beschreven in artikel 10 lid 2, artikel 10 lid 3 en artikel 10 lid 4 (bouwen, werken en kappen) ‘Waarde - Beschermd cultuurlandschap 3’, in het belang van de kenmerken en kwaliteiten van het beschermd cultuurlandschap, voorschriften opleggen ter bescherming van de kenmerken van het beschermd cultuurlandschap.
 
3 Algemene regels
Artikel 11 Anti-dubbeltelregel
 
Gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijven bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
 
Artikel 12 Algemene bouwactiviteiten
 
12.1 Ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken, buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.
 
12.2 Ondergronds bouwen

Binnen het plangebied mag, tenzij anders is aangegeven in de regels, onder gebouwen ondergronds worden gebouwd, onder de volgende voorwaarden:
  1. ondergrondse gebouwen gelegen buiten de buitenzijde van de gevels van de bovengrondse gebouwen niet zijn toegestaan;
  2. de diepte van de ondergrondse bebouwing mag niet meer bedragen dan 3,5 m onder peil.
12.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
12.3.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren te doen of te laten uitvoeren: 
  1. het aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  2. het aanplanten van bomen, hakhout en andere houtopstanden hoger dan 1,50 m;
  3. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere diepwortelende beplantingen en het verrichten van handelingen, die de dood of ernstige beschadiging daarvan ten gevolge hebben of kunnen hebben;
  4. het aanbrengen, verwijderen of verleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  5. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap;
  6. het aanleggen, (ver)graven, verruimen, dempen of herprofileren van watergangen, sloten en andere waterpartijen
  7. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  8. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem. 
12.3.2 Beoordelingsregels verlenen omgevingsvergunning
Burgemeester en wethouders verlenen de omgevingsvergunning voor de binnenplanse omgevingsplanactiviteit als bedoeld in subsubparagraaf 12.3.1 alleen:  
  1. indien de in subsubparagraaf 12.3.1 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, dan wel door de gevolgen daarvan, hetzij direct, hetzij indirect de waarden, belangen en/of functies die het plan beoogt te beschermen, niet blijvend onevenredig of niet onevenredig kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen; 
  2. indien - voor zover sprake is van overschrijding van de in artikel 7, 8 en 9 opgenomen maximale verstoringsoppervlakten ten aanzien van een archeologische functie -  een archeologisch onderzoeksrapport wordt overlegd, waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld, tenzij op voorhand door het bevoegd gezag is vastgesteld dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad en
  3. indien voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning schriftelijk advies is gevraagd aan een deskundige. 
12.3.3 Uitzonderingen op de vergunningplicht
Geen omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit als bedoeld in subsubparagraaf 12.3.1 is benodigd voor werken of werkzaamheden:
  1. die behoren tot het normale onderhoud en beheer;
  2. die op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning,
  3. hieronder wordt mede verstaan:
  4. het normaal onderhoud , beheer en gebruik overeenkomstig de functie;
  5. het onderhoud en herstel van oeverbeschoeiingen;
  6. het onderhoud van bestaand houtgewas door snoeien en verwijderen van dood hout; werken en/of werkzaamheden, die strekken ter behoud of het herstel van de cultuurhistorische, landschappelijke of natuurlijke waarden.
Artikel 13 Algemene gebruiksactiviteiten
 
13.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik met de functies wordt in ieder geval verstaan het (laten) gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor en/of als: 
  1. het (bedrijfsmatig) vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- of verwerken van producten en mest;
  2. het plaatsen van kampeermiddelen;
  3. het gebruik van gronden als volkstuin;
  4. het beoefenen van lawaaisporten;
  5. opslag voor de voorgevelrooilijn;
  6. opslag anders dan inherent aan het toegelaten gebruik;
  7. detailhandel;
  8. horeca;
  9. verkooppunt voor motorbrandstoffen, al dan niet inclusief lpg;
  10. het gebruik van de gronden en opstallen voor een seksinrichting;
  11. intensief militair gebruik;
  12. woningsplitsing;
  13. opslag en/of stalling van voer- en vaartuigen en kampeermiddelen, anders dan in het kader van een normaal gebruik overeenkomstig het bestaand gebruik of ter plaatse van een parkeervoorziening;
  14. permanente bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken;
  15. permanente bewoning van recreatiewoningen/verblijfsrecreatieve voorzieningen;
  16. huisvesting van arbeidsmigranten;
  17. een coffeeshop, growshop, smartshop of een daarmee vergelijkbaar bedrijf.
13.2 Bed & breakfast
 
In woningen en/of bijbehorende bouwwerken is het uitoefenen van een bed & breakfast toegestaan, onder de volgende voorwaarden:
  1. het gebruik mag niet leiden tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
  2. in de parkeerbehoefte wordt in voldoende mate wordt voorzien op eigen terrein, dan wel kan de parkeerbehoefte in de directe omgeving worden opgevangen;
  3. het vloeroppervlak ten behoeve van bed & breakfast niet meer dan 100 m² bedraagt.
13.3 Aan huis verbonden beroep

In (bedrijfs)woningen en/of bijgebouwen is het uitoefenen van een aan huis gebonden beroep toegestaan onder de volgende voorwaarden: 
  1. de totale oppervlakte ten behoeve van een aan huis verbonden beroep mag niet meer dan 30% van het totale vloeroppervlak van de woning en de bijgebouwen bedragen tot een maximale oppervlakte van 100 m2. Het te gebruiken oppervlak dient op een tekening te worden aangegeven die bij het besluit wordt gevoegd;
  2. degene die het aan huis gebonden beroep uitoefent, is tevens één van de bewoners van de woning, met dien verstande dat de beroepsactiviteiten naast de bewoner door maximaal twee medewerkers mogen worden uitgeoefend;
  3. de activiteit mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving en geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de omgeving;
  4. in de parkeerbehoefte wordt in voldoende mate voorzien op eigen terrein, dan wel kan de parkeerbehoefte in de directe omgeving worden opgevangen;
  5. detailhandel is niet toegestaan, behoudens ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdend met de activiteiten.
Artikel 14 Algemene aanduidingsregels
 
14.1 milieuzone - spuitvrije zone
   
14.1.1 Algemeen
De gronden ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - spuitvrije zone' zijn mede aangewezen als spuitvrije zone vanwege de bescherming van de gezondheid als gevolg van het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen.
 
14.1.2 Gebruiksregel
Op deze gronden is het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen niet toegestaan.
 
14.2 overige zone - velden

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone- velden' zijn de locaties tevens bestemd voor het behoud, de bescherming, de ontwikkeling en/of het herstel van de onderstaande cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden: 
  1. afwisseling van open landschappen met bomenlanen en een geordende verkaveling tot aan meer reliëfrijke open landschappen met landschapselementen (zoals bosjes) en dichte aaneengesloten bebouwingslinten;
  2. bebouwingslinten met wisselende onderlinge afstanden tussen de erven. Het is van belang dat de zichtlijnen op de achtergelegen akkercomplexen behouden blijven;
  3. oude akkercomplexen met karakteristieke bolle vorm en openheid tussen Kronenberg en Sevenum. Het is belangrijk om de bol liggende gebieden open te houden (behouden cultuurhistorisch landschap);
  4. cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, met name aan de randen van oude akkercomplexen;
  5. om de karakteristiek te behouden heeft grondgebonden landbouw de voorkeur;
  6. zichtlijnen over oude akkercomplexen;
  7. de natuurwaarde is beperkt, al zijn de voorkomende soorten vaak (zeer) zeldzaam, met name akkervogels.
Artikel 15 Overige regels
 
15.1 Voorwaardelijke verplichting en toetsingsfunctie parkeren
 
Bij:
  • een feitelijke gebruiksverandering;
  • het verlenen van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit;
  • het verlenen van een omgevingsvergunning voor in dit plan opgenomen afwijkingen van de bouwactiviteiten of gebruiksactiviteiten
dient, indien de omvang of de functie van een gebouw en/of het terrein daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's, (motor)fietsen, of andere voertuigen, in voldoende mate ruimte aanwezig te zijn of aangebracht te worden in, op of onder de bij dat gebouw of terrein behorende gronden of bouwwerken, met dien verstande dat:
  1. daarbij wordt uitgegaan van de parkeernormen zoals aangegeven in het meest recente gemeentelijk parkeerbeleid;
  2. de ruimte voor het parkeren van auto's afmetingen moet hebben die zijn afgestemd op gangbare auto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:
    1. indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m bij 5 m en ten hoogste 3,25 m bij 6 m bedragen;
    2. indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50 m bij 5 m bedragen.
15.2 Voorwaardelijke verplichting en toetsingsfunctie laden en lossen

Indien de functie van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
 
15.3 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik met de functies wordt in ieder geval verstaan het (laten) gebruiken van ruimte(n) voor het van het bepaalde in artikel 15 lid 1 en artikel 15 lid 2 anders dan voor parkeren en/of laden en lossen, voor zover de aanwezigheid van deze ruimten krachtens deze regels nodig is.
 
4 Overgangsrecht
Artikel 16 Overgangsregels
 
16.1 Overgangsrecht bouwwerken
  1. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen en afwijkt van het plan, mag mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee weken na de dag waarop het bouwwerk teniet is gegaan.
  2. het bevoegd gezag kan eenmalig, in afwijking van het eerste lid, een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%;
  3. het bepaalde in sub a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
16.2 Overgangsrecht gebruik
  1. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is mag worden voortgezet;
  2. het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, als bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  3. indien het gebruik, als bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode van langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  4. het onder a. bepaalde is niet van toepassing op het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen op gronden ter plaatse van de aanduiding ‘milieuzone – spuitvrije zone’ en het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.