1 Algemene bepalingen
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het ontwikkelen van een woning op de locatie Staarterstraat ong. te Sevenum en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22i) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas. Dit hoofdstuk is bekendgemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op
www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22i van het omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer ‘22i' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22i’ gelezen worden.
Artikel 1 Begripsbepalingen
Voor toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:
1.1 begripsbepalingen
begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk.
1.2 omgevingsplan
het omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas.
1.3 plan
het 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Woning Staarterstraat ong. te Sevenum', met identificatienummer NL.IMRO.1507.SNTAMSTAARTERSTR-BP01 van de gemeente Horst aan de Maas.
1.4 driftgevoelige functie
voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies, zoals wonen, tuin, sport- en speelveldjes, picknickplekken, ligweides. Parkeervoorzieningen, verbindingswegen en -paden worden niet als driftgevoelige functie aangemerkt.
Artikel 2 Toepassingsbereik
2.1 Verhouding ruimtelijke regels omgevingsplan tijdelijk deel
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld onder c.
2.2 Verhouding met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan tijdelijk deel
De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van dit omgevingsplan zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
2.3 Geometrische afbakening reikwijdte TAM-omgevingsplan
De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Woning Staarterstraat ong. te Sevenum, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1507.SNTAMSTAARTERSTR-BP01.
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
In aanvulling op de meet- en rekenbepalingen als bedoeld in artikel 22.24 van het omgevingsplan, zijn de volgende meet- en rekenbepalingen van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het eerste tot en met het negende lid:
3.1 dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
3.2 de goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
3.3 de inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
3.4 de bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
3.5 de oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
3.6 het bebouwd oppervlak van een bouwperceel, een bouwvlak of een ander terrein
de oppervlakte van alle op een bouwperceel/bouwvlak of een ander terrein gelegen bouwwerken tezamen.
3.7 ondergeschikte bouwdelen
bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, opstaande dakranden, balkons, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten tot een maximum van 2,00 meter.
3.8 afstand tot de bouwperceelsgrens
tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.
3.9 ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk
vanaf het bouwkundig peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
2 Functies en activiteiten
Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toebedeelde functies en activiteiten.
Artikel 5 Agrarisch met waarden
5.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op locaties die zijn aangewezen als 'Agrarisch met waarden'.
5.2 Functieomschrijving
Op de voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn de volgende functies en activiteiten toegelaten:
- agrarisch bedrijfsmatig grondgebruik;
- agrarisch hobbymatig grondgebruik;
- grondgebonden agrarische bedrijven, niet zijnde grondgebonden veehouderijen;
- wonen in een bedrijfswoning;
- mestbe- en verwerking op bedrijfsniveau met een maximum van 25.000 ton per jaar;
- een ander gebruik van gebouwen en gronden als nevenactiviteit, met dien verstande dat het vloeroppervlak van nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf in totaal ten hoogste 200 m² bedraagt, namelijk:
- detailhandel in agrarische producten die op het eigen bedrijf of in de directe omgeving daarvan zijn geproduceerd en/of bewerkt, dan wel hieraan direct aanverwante producten;
- zorgboerderij;
- zorgvoorzieningen;
- dagrecreatieve voorzieningen;
- extensief dagrecreatief medegebruik;
- bescherming van aardkundige waarden;
- het behoud, de bescherming, de ontwikkeling en/of het herstel van de desbetreffende cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden ter plaatse van de aanduidingen zoals zijn opgenomen in artikel 13 lid 2,
met de daarbij behorende:
- tuinen, erven en terreinen, met dien verstande dat erfverhardingen buiten het bouwvlak uitsluitend zijn toegestaan voor zover bestaand;
- verkeers- en parkeervoorzieningen;
- voorzieningen van openbaar nut;
- water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder bergbezinkbassins;
- groenvoorzieningen, natuur- en landschapselementen.
5.3 Bouwactiviteiten
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels:
- Op de locaties als bedoeld in artikel 5 lid 1 mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de functie worden gebouwd;
- buiten een functievlak mogen de volgende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd:
- erf- en terreinafscheidingen met dien verstande dat deze voor de gevelrooilijn maximaal 1 meter en achter de voorgevelrooilijn 2 meter mag bedragen;
- recreatieve voorzieningen ten behoeve van het extensief dagrecreatief medegebruik, zoals bankjes, picknicktafels en bewegwijzering;
- hoogzitten.
5.4 Maatwerkvoorschriften
- Burgemeester en wethouders kunnen een maatwerkvoorschrift verbinden aan:
- de situering, de oppervlakte, de (goot)hoogte van bebouwing;
- de aard, de hoogte en de situering van erf- en terreinafscheidingen;
een en ander op basis van een landschappelijk inpassingsplan (en/of stedenbouwkundig ontwerp) en met inachtneming van de regels zoals deze gesteld zijn in het Gemeentelijk KwaliteitsMenu.
- De onder a. genoemde maatwerkvoorschriften mogen uitsluitend worden gesteld:
- voor een verantwoorde stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing;
- ter voorkoming van onevenredige aantasting van de waarden en belangen ter plaatse van de aanduidingen zoals die zijn opgenomen in artikel 13.
5.5 Specifieke functieregels
5.5.1 Strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:
- het gebruik van gronden buiten het bouwvlak voor buitenopslag;
- het gebruik van de gronden voor het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen ter plaatse van de aanduiding ‘milieuzone – spuitvrije zone’;
- het gebruik van gronden en opstallen voor horeca I, horeca II en kleinschalige horeca;
- het gebruik van de gronden voor verblijfsrecreatie;
- het gebruik van gronden voor het stallen van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen.
5.5.2 Strijdig gebruik ammoniakemissie
Onder gebruik in strijd met deze functiewordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de functieomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen:
- het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van het houden van vee, het gebruik van kassen en/of het telen van gewassen indien dit leidt tot een toename van de ammoniakemissie ten opzichte van de feitelijke situatie zoals die blijkt of kan worden afgeleid uit:
- een verleende vergunning als bedoeld in artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming, een omgevingsvergunning waarbij de toestemming op grond van artikel 2.7 van de wet is aangehaakt, of een melding op grond van artikel 2.7 van de Regeling natuurbescherming, ten tijde van de vaststelling van dit omgevingsplan, met dien verstande dat in geval van een rekenkundige toename van de ammoniakemissie ten gevolge van aanpassingen in de regeling ammoniak en veehouderij deze wordt aangemerkt als de feitelijk en legaal aanwezige ammoniakemissie, dan wel;
- indien een vergunning of melding als bedoeld onder 1 ontbreekt: de bestaande activiteit en de daarbij behorende ammoniakemissie die ten hoogste feitelijk door die bestaande activiteit werd veroorzaakt.
- een toename van de ammoniakemissie voor het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van het houden van vee, het gebruik van kassen en/of het telen van gewassen ten opzichte van de feitelijke situatie is wel toegestaan indien het project of de handeling, waar de aanvraag om omgevingsvergunning op ziet, een stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in het Natura 2000-gebied, die afzonderlijk en - ingeval het project of de handeling betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid van de Wet milieubeheer - in cumulatie met andere projecten of handelingen met betrekking tot dezelfde inrichting, in de periode waarvoor het programma als bedoeld in artikel 1.13 Wet natuurbescherming geldt, een waarde overschrijdt die is vastgesteld bij de algemene Maatregel van Bestuur als bedoeld in artikel 2.9, vijfde lid, onder a, onder 1 van de Wet natuurbescherming.
6.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op locaties die zijn aangewezen als 'Wonen'.
6.2 Functieomschrijving
Op een locatie die is aangewezen als 'Wonen' zijn de volgende functies en activiteiten toegelaten:
- wonen in een woning;
- aan huis verbonden beroepen, onder de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 12 lid 3;
met de daarbij behorende:
- tuinen, erven en terreinen;
- paden, wegen, ontsluitings- en (al dan niet verharde) parkeervoorzieningen;
- voorzieningen van openbaar nut;
- water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
- groenvoorzieningen, natuur en landschapselementen.
6.3.1 Algemeen
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels:
- op de gronden als bedoeld in artikel 6 lid 2, mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de woonfunctie worden gebouwd;
- er is niet meer dan 1 woning in het functievlak toegestaan;
- indien binnen een functievlak de aanduiding 'gevellijn' is opgenomen dient de voorgevel van het hoofdgebouw in of maximaal 3 meter achter deze gevellijn te worden gebouwd;
- aangebouwde bijbehorende bouwwerken dienen aan de onderstaande regeling met betrekking tot hoofdgebouw te voldoen, dan wel aan het gestelde onder regeling bijbehorende bouwwerken.
6.3.2 Hoofdgebouwen en aan- en uitbouwen
De maatvoering voor gebouwen en bijbehorende bouwwerken is als volgt:
| Hoofdgebouw | minimaal | maximaal |
positie voorgevel | in het verlengde van belendende panden en over een lengte van minimaal 6 meter | n.v.t. |
| goothoogte | n.v.t. | 5 meter |
bouwhoogte | n.v.t. | 9 meter |
| afstand tot perceelgrens | 3 meter | n.v.t. |
| inhoud | n.v.t. | 750 m³ |
| dakhelling | 40º | 60º |
In aanvulling op / in afwijking van artikel 22.27 en 22.36 van de bruidsschat gelden de volgende regels voor bijbehorende bouwwerken bij woningen:
| Aangebouwde bijbehorende bouwwerken en carports | minimaal | maximaal |
| maximale goothoogte | n.v.t. | 3,5 meter |
| maximale bouwhoogte | n.v.t. | 5 meter |
afstand carports achter de voorgevel van het hoofdgebouw | 0 m, carports mogen tot 1 m voor de voorgevel worden gebouwd | n.v.t. |
afstand overige bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel van het hoofdgebouw | ten minste achter de nok van het hoofdgebouw of halverwege de zijgevel | n.v.t. |
afstand overige bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel van het hoofdgebouw in het geval dat het hoofdgebouw meerdere naar de weg gekeerde gevels kent | 3 meter | n.v.t. |
afstand overige bijbehorende bouwwerken tot het openbaar gebied in het geval van een hoeksituatie | 1 meter | n.v.t. |
totale gezamenlijke oppervlakte van alle bijbehorende bouwwerken | n.v.t. | 150 m² |
bebouwingspercentage van het terrein dat hoort bij het hoofdgebouw | n.v.t. | 50% |
| Vrijstaande bijbehorende bouwwerken | minimaal | maximaal |
| goothoogte | n.v.t. | 3,5 meter |
| bouwhoogte | n.v.t. | 5 meter |
afstand carports achter de voorgevel van het hoofdgebouw | 0 m, carports mogen tot 1 m voor de voorgevel worden gebouwd | n.v.t. |
afstand overige bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel van het hoofdgebouw | ten minste achter de nok van het hoofdgebouw of halverwege de zijgevel | n.v.t. |
afstand overige bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel van het hoofdgebouw in het geval dat het hoofdgebouw meerdere naar de weg gekeerde gevels kent | 3 meter | n.v.t. |
afstand tot zijdelingse perceelgrens | 2,5 meter | n.v.t. |
afstand tot hoofdgebouw | n.v.t. | 40 m |
totale gezamenlijke oppervlakte van alle bijbehorende bouwwerken | n.v.t. | 150 m² |
bebouwingspercentage van het terrein dat hoort bij het hoofdgebouw | n.v.t. | 50% |
6.3.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
In aanvulling op / in afwijking van artikel 22.27 en 22.36 van de bruidsschat gelden de volgende regels voor de maatvoering ten aanzien van het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
| Bouwhoogte van bouwwerk, geen gebouwen zijnde | minimaal | maximaal |
maximale bouwhoogte | n.v.t. | 2 meter |
erf- en terreinafscheidingen | n.v.t. | voor de voorgevelrooilijn: 1 meter achter de voorgevelrooilijn: 2 meter |
antennes uitsluitend toegestaan achter de achtergevelrooilijn | n.v.t. | 12 meter |
6.4 Specifieke functieregels
6.4.1 Voorwaardelijke verplichting landschapsinrichtingsplan
Het gebruik van de woning die op basis van dit artikel mag worden gebouwd is slechts toegestaan indien de landschappelijke inpassing conform bijlage 1 'Landschapsinpassingsplan' van deze regels is gerealiseerd en kwalitatief en kwantitatief in stand wordt gehouden.
6.5 Vergunningplicht voor het afwijken van de gebruiksactiviteiten
6.5.1 Aan huis verbonden bedrijf
Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in
artikel 6 lid 2 ten behoeve van een huis verbonden bedrijf indien dat bedrijf gezien de aard, omvang en intensiteit passend is binnen de woonfunctie. Van een dergelijk aan huis verbonden bedrijf is sprake indien de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft. Dat is het geval indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- er mag geen onevenredige hinder worden toegebracht aan de kwaliteit van het woonmilieu, de maximaal toelaatbare categorie is 2;
- door de uitoefening van de activiteit mag het uiterlijk aanzien van de (bedrijfs)woning inclusief bijgebouwen niet zodanig veranderen, dat de woning inclusief bijgebouwen het karakter van een(bedrijfs)woning geheel of gedeeltelijk verliest; reclame-uitingen zijn niet toegestaan behoudens beperkte naamsaanduidingen aan of bij de bedrijfswoning;
- de oppervlakte van de (bedrijfs)woning inclusief bijgebouwen welke voor de bedrijfsvoering wordt gebruikt mag 30% van het totale vloeroppervlak van de (bedrijfs)woning en de bijgebouwen bedragen; de totale oppervlakte van de activiteit mag niet meer bedragen dan 100 m². Het te gebruiken oppervlak dient opeen tekening te worden aangegeven die bij het besluit wordt gevoegd;
- degene die het aan huis gebonden bedrijf uitoefent, is tevens één van de bewoners van de woning, met dien verstande dat de bedrijfsactiviteiten naast de bewoner door maximaal twee medewerkers mogen worden uitgeoefend;
- er dient sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat in de (bedrijfs)woning;
- de activiteit mag niet leiden tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
- in de parkeerbehoefte wordt in voldoende mate voorzien op eigen terrein, dan wel kan de parkeerbehoefte in de directe omgeving worden opgevangen;
- buitenopslag ten behoeve van het bedrijf op het perceel is niet toegestaan. Stalling van maximaal tweebedrijfsvoertuigen met een maximale lengte van 5 meter is toegestaan, tenzij dit leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving;
- er mag geen sprake zijn van een seksinrichting;
- detailhandel is niet toegestaan, behoudens ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdend met de activiteiten.
6.5.2 Kleinschalige horeca
Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in
artikel 6 lid 2 ten behoeve van het toestaan van kleinschalige horeca, met dien verstande dat:
- de horeca gezien de aard, omvang en intensiteit passend dient te zijn binnen de woonfunctie;
- de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft;
- maximaal 30% van het totale vloeroppervlak van de aanwezige bebouwing mag worden gebruikt ten behoeve van de horeca, met dien verstande dat het aan te wenden vloeroppervlak nimmer meer dan 100 m² mag bedragen;
- de openingstijden (inclusief terras) van de inrichting tussen 7.00 en 19.00 uur liggen;
- het gebruik de woonfunctie ondersteunt en de horeca door de gebruiker van de woning dient te worden geëxploiteerd;
- een projectplan dient te worden overlegd waaruit naar het oordeel van het bevoegd gezag onderscheidendheid en kwaliteit blijkt;
- het gebruik geen ernstige hinder voor het woonmilieu oplevert;
- het gebruik niet mag leiden tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
- gronden buiten het bouwvlak niet mogen worden gebruikt voor deze bedrijfsmatige activiteiten;
- detailhandel niet mag plaatsvinden;
- het gebruik geen nadelige invloed mag hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeerbalans.
6.5.3 Kleinschalig kamperen
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in
artikel 6 lid 2 ten behoeve van het toelaten van kleinschalig kamperen bij een woning, met dien verstande dat:
- er dient sprake te zijn van een bedrijfsvoering die als geheel onderscheidend en vernieuwend is voor Horst aan de Maas;
- kleinschalig kamperen uitsluitend is toegestaan op gronden op of direct grenzend aan de functie 'Wonen';
- slechts kampeermiddelen zijn toegestaan met een niet-permanent karakter (tenten, toercaravans en dergelijke);
- maximaal 25 kampeermiddelen zijn toegestaan;
- het gebruik mag niet leiden tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
- door middel van een inrichtingsplan is aangetoond dat zorg gedragen wordt voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing of landschappelijke compensatie;
- het woon- en leefklimaat op omliggende percelen niet onevenredig wordt aangetast;
- er vooraf schriftelijk advies dient te worden ingewonnen bij de regionale werkgroep Vrijetijdseconomie.
6.5.4 Kleinschalige verblijfsrecreatie
Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in
artikel 6 lid 2 om bij een woning kleinschalige verblijfsrecreatie in de vorm van maximaal 5 recreatiewoningen toe te staan, met dien verstande dat:
- de verblijfsrecreatie gezien de aard, omvang en intensiteit passend moet zijn binnen de woonfunctie;
- de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft. Dat is het geval indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- maximaal mag 1/3 van het totale vloeroppervlak van de aanwezige bebouwing worden gebruikt ten behoeve van recreatiewoningen, met dien verstande dat het aan te wenden vloeroppervlak nimmer meer dan 100 m² per recreatiewoning mag bedragen;
- de woning blijft voldoen aan de bepalingen ingevolge of krachtens de Woningwet;
- dat wil zeggen dat de gebruiker van de woning ook de bedrijfsmatige activiteit ontplooit;
- het gebruik mag geen ernstige hinder voor het woonmilieu opleveren en mag ook niet leiden tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing. Dit betekent bijvoorbeeld dat het geen activiteit mag zijn waarvoor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of een melding op grond van de milieuwetgeving verplicht is. Ook mag de activiteit geen industriële handelingen inhouden, evenmin is een seksinrichting toegestaan;
- gronden buiten het bouwvlak mogen niet worden gebruikt voor deze bedrijfsmatige activiteiten;
- detailhandel mag niet plaatsvinden tenzij het gaat om detailhandel die direct verband houdt met de kleinschalige verblijfsrecreatie;
- in de benodigde parkeercapaciteit dient geheel op eigen terrein te worden voldaan;
- het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeerbalans;
- er vooraf schriftelijk advies dient te worden ingewonnen bij de regionale werkgroep Vrijetijdseconomie.
Artikel 7 Waarde - Archeologie 2
7.1 Functieomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen locaties zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden.
7.2 Bouwactiviteiten
Op en in de gronden als bedoeld in
artikel 7 lid 1 mag niet worden gebouwd, met uitzondering van:
- het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken, waarbij de bebouwing minder diep reikt dan 30 centimeter en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst;
- bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte met niet meer dan 100 m² wordt uitgebreid;
- de bestaande bebouwing wordt vergroot met een oppervlakte van ten hoogste 100 m²;
- gebouwen en/of bouwwerken die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan dan wel mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning.
7.3 Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in
artikel 7 lid 2 teneinde het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden liggende andere functie(s), indien op basis van (archeologisch) onderzoek is aangetoond, dat archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
- de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
- de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
- de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Artikel 8 Waarde - Archeologie 4
8.1 Functieomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen locaties zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden.
8.2 Bouwactiviteiten
Op en in de gronden als bedoeld in
artikel 8 lid 1 mag niet worden gebouwd, met uitzondering van:
- het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken, waarbij de bebouwing minder diep reikt dan 50 centimeter en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst;
- bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte met niet meer dan 2.500 m² wordt uitgebreid;
- de bestaande bebouwing wordt vergroot met een oppervlakte van ten hoogste 2.500 m²;
- gebouwen en/of bouwwerken die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan dan wel mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning.
8.3 Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in
artikel 8 lid 2 teneinde het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden liggende andere functie(s), indien op basis van (archeologisch) onderzoek is aangetoond, dat archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
- de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
- de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
- de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Artikel 9 Waarde - Archeologie 7
9.1 Functieomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 7' aangewezen locaties zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden.
9.2 Bouwactiviteiten
Op en in de gronden als bedoeld in
artikel 9 lid 1 mag niet worden gebouwd, met uitzondering van:
- het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken, waarbij de bebouwing minder diep reikt dan 50 centimeter en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst;
- bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte met niet meer dan 500 m² wordt uitgebreid;
- de bestaande bebouwing wordt vergroot met een oppervlakte van ten hoogste 500 m²;
- gebouwen en/of bouwwerken die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan dan wel mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning.
9.3 Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in
artikel 9 lid 2 teneinde het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden liggende andere bestemming(en), indien op basis van (archeologisch) onderzoek is aangetoond, dat archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
- de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
- de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
- de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Artikel 10 Anti-dubbeltelregel
Gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijven bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 11 Algemene bouwactiviteiten
11.1 Algemeen
Het bevoegd gezag kan voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit , afwijken van:
- het bepaalde in deze regels en toestaan dat bouwgrenzen , niet zijnde functiegrenzen , worden overschreden, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 25 , meter , mits deze noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing;
- het bepaalde in deze regels en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken , geen gebouwen zijnde , ten behoeve van kunstwerken , geen gebouwen zijnde , en ten behoeve van zend- , ontvang- en/of sirenemasten wordt vergroot tot maximaal 40 meter;
- het bepaalde in deze regels over de hoogte van bouwwerken , geen gebouwen zijnde , en toestaan dat de hoogte van de bouwwerken , geen gebouwen zijnde , wordt vergroot tot niet meer dan 10 meter.
11.2 Ondergeschikte bouwdelen
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken, buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.
11.3 Ondergronds bouwen
Binnen het plangebied mag, tenzij anders is aangegeven in de regels, onder gebouwen ondergronds worden gebouwd, onder de volgende voorwaarden:
- ondergrondse gebouwen gelegen buiten de buitenzijde van de gevels van de bovengrondse gebouwen niet zijn toegestaan;
- de diepte van de ondergrondse bebouwing mag niet meer bedragen dan 3,5 m onder peil.
11.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
11.4.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren te doen of te laten uitvoeren:
- het aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
- het aanplanten van bomen, hakhout en andere houtopstanden hoger dan 1,50 m;
- het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere diepwortelende beplantingen en het verrichten van handelingen, die de dood of ernstige beschadiging daarvan ten gevolge hebben of kunnen hebben;
- het aanbrengen, verwijderen of verleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
- het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap;
- het aanleggen, (ver)graven, verruimen, dempen of herprofileren van watergangen, sloten en andere waterpartijen
- het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
- het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem.
11.4.2 Beoordelingsregels verlenen omgevingsvergunning
Burgemeester en wethouders verlenen de omgevingsvergunning voor de binnenplanse omgevingsplanactiviteit als bedoeld in
subsubparagraaf 11.4.1 alleen:
- indien de in subsubparagraaf 11.4.1 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, dan wel door de gevolgen daarvan, hetzij direct, hetzij indirect de waarden, belangen en/of functies die het plan beoogt te beschermen, niet blijvend onevenredig of niet onevenredig kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen;
- indien - voor zover sprake is van overschrijding van de in artikel 7, 8 en 9 opgenomen maximale verstoringsoppervlakten ten aanzien van een archeologische functie - een archeologisch onderzoeksrapport wordt overlegd, waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld, tenzij op voorhand door het bevoegd gezag is vastgesteld dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad en
- indien voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning schriftelijk advies is gevraagd aan een deskundige.
11.4.3 Uitzonderingen op de vergunningplicht
Geen omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit als bedoeld in
subsubparagraaf 11.4.1 is benodigd voor werken of werkzaamheden:
- die behoren tot het normale onderhoud en beheer;
- die op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning,
- hieronder wordt mede verstaan:
- het normaal onderhoud , beheer en gebruik overeenkomstig de functie;
- het onderhoud en herstel van oeverbeschoeiingen;
- het onderhoud van bestaand houtgewas door snoeien en verwijderen van dood hout; werken en/of werkzaamheden, die strekken ter behoud of het herstel van de cultuurhistorische, landschappelijke of natuurlijke waarden.
Artikel 12 Algemene gebruiksactiviteiten
12.1 Strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik met de functies wordt in ieder geval verstaan het (laten) gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor en/of als:
- het (bedrijfsmatig) vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- of verwerken van producten en mest;
- het plaatsen van kampeermiddelen;
- het gebruik van gronden als volkstuin;
- het beoefenen van lawaaisporten;
- opslag voor de voorgevelrooilijn;
- opslag anders dan inherent aan het toegelaten gebruik;
- detailhandel;
- horeca;
- verkooppunt voor motorbrandstoffen, al dan niet inclusief lpg;
- het gebruik van de gronden en opstallen voor een seksinrichting;
- intensief militair gebruik;
- woningsplitsing;
- opslag en/of stalling van voer- en vaartuigen en kampeermiddelen, anders dan in het kader van een normaal gebruik overeenkomstig het bestaand gebruik of ter plaatse van een parkeervoorziening;
- permanente bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken;
- permanente bewoning van recreatiewoningen/verblijfsrecreatieve voorzieningen;
- huisvesting van arbeidsmigranten, anders dan bestaande huisvesting van arbeidsmigranten;
- een coffeeshop, growshop, smartshop of een daarmee vergelijkbaar bedrijf;
geurgevoelig object alsmede voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelig object, indien de afstand minder dan 50 m bedraagt tot:
- omliggende agrarische bouwpercelen;
- op het moment van wijziging van het gebruik aanwezige boomteelt en fruitteelt boomgaarden;
- gronden waarop in een periode van ten hoogste 24 maanden voorafgaand aan de gebruikswijziging boomteelt of fruitteelt aanwezig was (gelet op de herplantmogelijkheden);
- gronden welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan in eigendom of pacht zijn van fruit- en/of boomteeltbedrijven.
12.2 Bed & breakfast
In woningen en/of bijbehorende bouwwerken is het uitoefenen van een bed & breakfast toegestaan, onder de volgende voorwaarden:
- het gebruik mag niet leiden tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
- in de parkeerbehoefte wordt in voldoende mate wordt voorzien op eigen terrein, dan wel kan de parkeerbehoefte in de directe omgeving worden opgevangen;
- het vloeroppervlak ten behoeve van bed & breakfast niet meer dan 100 m² bedraagt.
12.3 Aan huis verbonden beroep
In (bedrijfs)woningen en/of bijgebouwen is het uitoefenen van een aan huis gebonden beroep toegestaan onder de volgende voorwaarden:
- de totale oppervlakte ten behoeve van een aan huis verbonden beroep mag niet meer dan 30% van het totale vloeroppervlak van de woning en de bijgebouwen bedragen tot een maximale oppervlakte van 100 m². Het te gebruiken oppervlak dient op een tekening te worden aangegeven die bij het besluit wordt gevoegd;
- degene die het aan huis gebonden beroep uitoefent, is tevens één van de bewoners van de woning, met dien verstande dat de beroepsactiviteiten naast de bewoner door maximaal twee medewerkers mogen worden uitgeoefend;
- de activiteit mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving en geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de omgeving;
- in de parkeerbehoefte wordt in voldoende mate voorzien op eigen terrein, dan wel kan de parkeerbehoefte in de directe omgeving worden opgevangen;
- detailhandel is niet toegestaan, behoudens ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdend met de activiteiten.
Artikel 13 Algemene aanduidingsregels
13.1 milieuzone - spuitvrije zone
13.1.1 Algemeen
De gronden ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - spuitvrije zone' zijn mede aangewezen als spuitvrije zone vanwege de bescherming van de gezondheid als gevolg van het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen.
13.1.2 Gebruiksregel
Op deze gronden is het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen niet toegestaan.
13.2 overige zone - velden
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone- velden' zijn de locaties tevens bestemd voor het behoud, de bescherming, de ontwikkeling en/of het herstel van de onderstaande cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden:
- afwisseling van open landschappen met bomenlanen en een geordende verkaveling tot aan meer reliëfrijke open landschappen met landschapselementen (zoals bosjes) en dichte aaneengesloten bebouwingslinten;
- bebouwingslinten met wisselende onderlinge afstanden tussen de erven. Het is van belang dat de zichtlijnen op de achtergelegen akkercomplexen behouden blijven;
- oude akkercomplexen met karakteristieke bolle vorm en openheid tussen Kronenberg en Sevenum. Het is belangrijk om de bol liggende gebieden open te houden (behouden cultuurhistorisch landschap);
- cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, met name aan de randen van oude akkercomplexen;
- om de karakteristiek te behouden heeft grondgebonden landbouw de voorkeur;
- zichtlijnen over oude akkercomplexen;
- de natuurwaarde is beperkt, al zijn de voorkomende soorten vaak (zeer) zeldzaam, met name akkervogels.
Artikel 14 Vergunningsplicht voor afwijken
14.1 Algemene afwijkingen
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het plan ten behoeve van:
- het vergroten van de in deze regels gegeven maten, afmetingen en percentages, met uitzondering van oppervlakte- en inhoudsmaten, tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages, voor zover hiervoor niet reeds op een andere wijze afwijking is verleend;
- van deze regels en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of verkeersintensiteit daartoe aanleiding geven;
- van deze regels en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
- van deze regels ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en toestaan dat de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot tot niet meer dan 40 m;
- van deze regels voor het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwtjes van openbaar nut, zoals telefooncellen, wachthuisjes, gasreduceerstations en schakelstations, mits de inhoud niet meer dan 50 m³ de goothoogte niet meer dan 3 m bedraagt,
mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
- het straat-, bebouwings- en landschapsbeeld;
- de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
- de verkeersveiligheid;
- de sociale veiligheid.
14.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
14.2.1 Verbod
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren te doen of te laten uitvoeren:
- het aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen.
14.2.2 Uitzonderingen op het verbod
Een omgevingsvergunning als bedoeld in
subsubparagraaf 14.2.1 is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden betreffende die:
- worden uitgevoerd in het kader van het normale onderhoud en beheer van de gronden en de daaraan toegekende functie(s);
- op het moment van inwerkingtreding van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende of aangevraagde omgevingsvergunning.
14.2.3 Beoordelingsregels
- indien de in subsubparagraaf 14.2.1 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, dan wel door de gevolgen daarvan, hetzij direct, hetzij indirect de waarden, belangen en/of functies die het plan beoogt te beschermen, niet blijvend onevenredig of niet onevenredig kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen.
Artikel 15 Overige regels
15.1 Voorwaardelijke verplichting en toetsingsfunctie parkeren
Bij:
- een feitelijke gebruiksverandering;
- het verlenen van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit;
- het verlenen van een omgevingsvergunning voor in dit plan opgenomen afwijkingen van de bouwactiviteiten of gebruiksactiviteiten,
- het toepassen van de in dit plan opgenomen afwijkingsregels,
dient, indien de omvang of de functie van een gebouw en/of het terrein daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's, (motor)fietsen, of andere voertuigen, in voldoende mate ruimte aanwezig te zijn of aangebracht te worden in, op of onder de bij dat gebouw of terrein behorende gronden of bouwwerken, met dien verstande dat:
- daarbij wordt uitgegaan van de parkeernormen zoals aangegeven in het meest recente gemeentelijk parkeerbeleid;
- de ruimte voor het parkeren van auto's afmetingen moet hebben die zijn afgestemd op gangbare auto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:
- indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m bij 5 m en ten hoogste 3,25 m bij 6 m bedragen;
- indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50 m bij 5 m bedragen.
15.2 Voorwaardelijke verplichting en toetsingsfunctie laden en lossen
Indien de functie van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
15.3 Afwijkingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in
artikel 15 lid 1 en
artikel 15 lid 2 indien het voldoen aan die bepalingen:
a. op overwegende bezwaren stuit;
b. voor zover op andere redelijke wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien
15.4 Strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik met de functies wordt in ieder geval verstaan het (laten) gebruiken van ruimte(n) voor het van het bepaalde in
artikel 15 lid 1 en
artikel 15 lid 2 anders dan voor parkeren en/of laden en lossen, voor zover de aanwezigheid van deze ruimten krachtens deze regels nodig is
Artikel 16 Overgangsregels
16.1 Overgangsrecht bouwwerken
- Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen en afwijkt van het plan, mag mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
- gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
- na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee weken na de dag waarop het bouwwerk teniet is gegaan.
- Het bevoegd gezag kan eenmalig, in afwijking van het eerste lid, een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%;
- Het bepaalde in sub a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
16.2 Overgangsrecht gebruik
- Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is mag worden voortgezet;
- Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, als bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
- Indien het gebruik, als bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode van langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
- Het bepaalde in sub a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.