| Plan: | Ruimtelijke onderbouwing Hazenhorstweg 3 te Sevenum |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | omgevingsvergunning |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1507.SNHAZENHORST3-OVV1 |
Voorliggende ruimtelijke onderbouwing betreft een afwijking van de regels uit het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas" en de herziening daarop, het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas, herziening 2020", van gemeente Horst aan de Maas ten behoeve van het oprichten van een luchtwasser en een luchtkanaal deels buiten het bouwvlak van het agrarisch bedrijf aan de Hazenhorstweg 3 te Sevenum.
In het hoofdstuk "Projectbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen.
De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. De initiatiefnemer voert een intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderij uit aan de Hazenhorstweg 1 en 3 te Sevenum.
De initiatiefnemer is in 2006 gestart met een aanvraag voor de uitbreiding van het bedrijf met een nieuwe vleesvarkensstal. Het besluit op de aanvraag uit 2006 is vernietigd door de Raad van State in 2008 vanwege het feit dat de locatie op Hazenhorstweg 1 naar mening van de rechter één inrichting vormde met de locatie op Hazenhorstweg 3.
Naar aanleiding van het vernietigde besluit is in maart 2009 een nieuwe aanvraag gedaan, waarbij de beide locaties voor wat betreft de Wet milieubeheer als één inrichting zijn aangemerkt. Planologisch is wel sprake van twee aparte bedrijfslocaties, elk met een eigen bouwvlak. Voor deze aanvraag is op 31 januari 2011 een vergunning in het kader van de Wet milieubeheer verleend, welke door de rechter op 21 november 2012 in stand is gehouden.
Voor het aanvragen van het onderdeel bouwen van de vergunning diende eerst een wijziging van het geldende bestemmingsplan plaats te vinden ten behoeve van een vergroting van het bouwvlak van de locatie op Hazenhorstweg 1. Het besluit om het daarvoor ingediende wijzigingsplan vast te stellen is op 19 maart 2013 genomen. Echter is dit besluit door de rechtbank op 29 januari 2014 vernietigd, waarmee het bestemmingsplan niet in werking is getreden en het bouwdeel daarmee niet kon worden vergund. De verleende milieuvergunning uit 2011 kon daarmee niet in werking treden.
Gezien het lange geschiedenis voor de gewenste uitbreiding van het bedrijf en het feit dat er nog steeds geen definitieve vergunning is verkregen voor de bouw van de gewenste stal is derhalve toen gekozen voor een nieuwe aanvraag omgevingsvergunning in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, waarbij uitsluitend een vergunning nodig was voor het onderdeel bouw en het onderdeel milieu. Er is dus bij de nieuwe aanvraag geen sprake meer van een strijdigheid met het geldende bestemmingsplan, waardoor dit onderdeel niet langer noodzakelijk was in de aanvraag. Dit betekende echter wel dat het aangevraagde luchtkanaal en de luchtwasser op de stal op de locatie Hazenhorstweg 3 (stal 2 op de milieutekening) aan de andere zijde moesten worden opgericht dan oorspronkelijk aangevraagd zodat deze binnen het bouwvlak kwamen te liggen. Daarbij is destijds gekozen voor een luchtkanaal op het dak van de stal met de luchtwasser aan het eind van de stal, wat in die tijd de beste oplossing leek te zijn.
De aanvraag voor de gewijzigde opzet is op 7 maart 2014 ingediend en hierop is een definitief besluit tot verlenen van de vergunning genomen op 31 augustus 2016. De rechtbank heeft de vergunning op 4 juli 2017, hetzij met een aanpassing, in stand gehouden. Ook de Raad van State heeft de vergunning, wederom met een kleine aanpassing, op 11 december 2019 in stand gehouden. Daarmee is de vergunning definitief in werking getreden.
De verkregen en in werking getreden omgevingsvergunning laat de bouw van een luchtwasser aan de stal toe met daarbij het luchtkanaal op het dak van de stal. Vanwege een misverstand bij uitvoering (een verkeerde tekening), maar daarnaast ook om bedrijfstechnische en esthetische redenen, is het luchtkanaal en de luchtwasser aan de linkerzijde en achterzijde van de reeds bestaande stal (stal 2 op de milieutekening) geplaatst.
Om deze reden wil de initiatiefnemer, in afwijking van de reeds verkregen omgevingsvergunning, de luchtwasser en het luchtkanaal dan ook graag vergund zien aan de linkerzijde en de achterzijde van de reeds bestaande stal (stal 2 op de milieutekening). Hiervoor wordt een nieuwe aanvraag omgevingsvergunning gedaan, waarvan de voorliggende ruimtelijke onderbouwing deel uitmaakt.
Zoals gesteld zijn er voor de initiatiefnemer bedrijfstechnische en esthetische redenen voor de gewijzigde uitvoering.
Bedrijfstechnische reden:
In figuur 1 staan twee afbeeldingen van de ventilatiedeskundige. De eerste afbeelding is de gewenste (en reeds gerealiseerde) uitvoering (in afwijking van de vergunde situatie). Hierbij wordt de verste koudere lucht (blauwe pijl in de afbeelding) over de afdeling verspreid zodat alle gehouden varkens verse lucht krijgen. De rode pijlen in de afbeelding geven de opstijgende warmte van de gehouden dieren aan waarbij de warme lucht en de verse koudere lucht worden gemengd voordat deze weer bij de dieren komt. De lucht wordt aan de andere zijde afgezogen.
In de tweede afbeelding (in figuur 1) is de vergunde (en dus niet gerealiseerde) situatie weergegeven. Daarin komt de lucht aan de zijde binnen waar ook de lucht wordt afgezogen. Ook hier geven de rode pijlen in de afbeelding de opstijgende warmte van de gehouden varkens aan. Doordat de koude lucht aan dezelfde zijde de afdeling in komt als de plek waar de lucht ook wordt afgezogen bestaat de kans op kortsluiting, waarbij de verse lucht meteen wordt afgezogen voordat deze bij de dieren kan komen. Hierdoor is er een groot risico dat de dieren die aan de achterzijde van de afdeling gehouden worden geen verse lucht meer krijgen, zoals de pijlen in de afbeelding ook aangeven. Het risico dat de dieren achter in de afdeling dan uit onbehagen op het rooster gaan liggen en daarbij de dichte ligvloer bevuilen is daarmee extra groot. Dit leidt tot een extra emissie van geur en ammoniak welke er niet is bij een goed klimaat in de stal. Deze situatie leidt daarmee tot een slecht klimaat in de stal voor zowel mens als dier. Daarnaast leidt deze situatie tot een hogere geuroverlast aan de omgeving en een hogere emissie van ammoniak. De gewijzigde (en reeds gerealiseerde) opzet leidt dus tot een verbeterde situatie voor mens en dier, zowel in de stal als in de omgeving.
Figuur 1: Ventilatie gewijzigde (en reeds gerealiseerde) opzet (bovenste afbeelding) en vergunde
situatie (onderste afbeelding).
Bron: Ventilatiedeskundige.
Esthetische reden:
De plaatsing van het luchtkanaal aan de linkerzijde van het gebouw is esthetisch mooier dan plaatsing op de rechterzijde van het gebouw, waar het als een soort immense dakkapel de oorspronkelijke vorm van het relatief lage gebouw aantast.
Door de plaatsing van het luchtkanaal aan de zijkant blijft de vorm van het gebouw gehandhaafd en verandert er niets aan de verschijningsvorm in het landschap ter plaatse.
Ook door het plaatsen van de luchtwasser aan de achterzijde van het gebouw staat deze verschillen achter het gebouw, uit het zicht, en is daarmee minder prominent aanwezig dan naast het gebouw. Ook de omwonenden geven aan dat prettiger en mooier te vinden.
In de gewenste (en reeds gerealiseerde) situatie, met de luchtwasser en het luchtkanaal aan de linkerzijde van de reeds bestaande stal, is de voorgenomen uitbreiding van de stal die daarvoor nodig is buiten het ter plaatse toegekende bouwvlak komen te vallen. Dit is op basis van de bouwregels uit het geldende bestemmingsplan echter niet zomaar toegestaan.
Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken is het voor de initiatiefnemer wenselijk bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw en het aspect milieu eveneens een afwijking van het geldende bestemmingsplan conform artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aan te vragen, waarmee de bouw van de noodzakelijke staluitbreiding voor de luchtwasser en het luchtkanaal buiten het bouwvlak mogelijk kan worden gemaakt.
In een later stadium zal de gewijzigde situatie, bijvoorbeeld bij een algehele herziening van het geldende bestemmingsplan, in het bestemmingsplan worden opgenomen. Daarbij zal het huidige bouwvlak dan van vorm worden veranderd. Er zal daarmee geen sprake zijn van een uitbreiding van het maximale bouwvolume van de betreffende veehouderij.
Middels voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt aangetoond dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.
De locatie is gelegen aan de Hazenhosteweg 3 te Sevenum en ligt aan de zuidkant van Sevenum in het landelijk gebied van de gemeente Horst aan de Maas. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Sevenum, sectie V, nummers 413 en 414. In figuur 2 is de topografische ligging van de locatie weergegeven.
Figuur 2: Uitsnede topografische kaart locatie.
Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.
Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas" van de gemeente Horst aan de Maas, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 19 december 2017, onverkort van toepassing.
Zoals te zien in figuur 3 zijn ter plaatse de bestemming 'Agrarisch met waarden' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 6' en 'Waarde - Zone bronsgroene landschapszone' toegekend. Tevens zijn ter plaatse de aanduidingen 'bouwvlak', 'intensieve veehouderij', 'milieuzone - hydrologische beschermingszone', 'overige zone - beekdal' en 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' van toepassing.
Figuur 3: Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.
Daarnaast is het bepaalde in de herziening op het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas", het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas, herziening 2020", zoals is vastgesteld door de gemeenteraad op 8 september 2020, voor zover relevant, van toepassing.
De bestemmingen, dubbelbestemmingen en aanduidingen op de locatie zijn in de herziening op het geldende bestemmingsplan niet gewijzigd.
De gewenste situatie is op de volgende punten in strijd met het geldende bestemmingsplan:
Ten behoeve van de gewenste ontwikkeling zal op de voorgaande strijdigheden een omgevingsvergunning voor het afwijken van het geldende bestemmingsplan worden aangevraagd conform artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Omdat de gewenste bebouwing in een later stadium, bij een volgende algehele herziening van het gemeentelijke bestemmingsplan, zal worden opgenomen in een bestemmingsplan zal daarbij een vormverandering van het huidige bouwvlak plaatsvinden. De oppervlakte, en daarmee de maximale bouwmogelijkheden, van het huidige bouwvlak zal daarmee niet toenemen.
In artikel 3.8.2 van het geldende bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor vormverandering en/of vergroting van het bouwvlak van een agrarisch bedrijf. In de herziening op het geldende bestemmingsplan is deze wijzigingsbevoegdheid niet gewijzigd. Deze wijzigingsbevoegdheid biedt een goed toetsingskader voor de gewenste ontwikkeling. Derhalve is eveneens aan de voorwaarden van deze wijzigingsbevoegdheid getoetst. Deze voorwaarden luiden als volgt:
" 3.8.2 Verandering en/of vergroting bouwvlak
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het veranderen van de vorm en/of het vergroten van een bouwvlak, met dien verstande dat:
Ad. artikel 3.8.2, sub a:
De luchtwasser en het luchtkanaal zijn noodzakelijk om de milieuhinder van het bedrijf en de kans op verspreiding van ziektekiemen te minimaliseren. Zonder de luchtwasser en het luchtkanaal kan het bedrijf niet voldoen aan de strenge eisen die vanuit de overheid worden gesteld aan veehouderijbedrijven. De gewenste locatie aan de linkerzijde van de reeds bestaande stal biedt de meest efficiënte en doelgerichte werking van de luchtwasser en het luchtkanaal en biedt daarmee het grootste resultaat. Derhalve is de voorgenomen wijziging van het bouwvlak noodzakelijk voor een doelmatige en volwaardige bedrijfsvoering en de continuïteit van het bedrijf.
Daarnaast is de plaatsing van het luchtkanaal aan deze zijde van het gebouw esthetisch mooier dan op het gebouw waar het als een soort immense dakkapel de oorspronkelijke vorm van het relatief lage gebouw aantast.
Door de plaatsing van het luchtkanaal aan de zijkant blijft de vorm van het gebouw gehandhaafd en veranderd er niets aan de verschijningsvorm in het landschap ter plaatse.
Ook door het plaatsen van de luchtwasser aan de achterzijde van het gebouw staat deze achter het gebouw verscholen en wat minder prominent aanwezig dan naast het gebouw. Tevens komt de wasser verder van de dichtstbijzijnde woning te staan.
Ad. artikel 3.8.2, sub b:
De locatie is gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied'. Binnen deze gebieden is de uitbreiding van een bouwvlak van een intensieve veehouderij niet toegestaan. Bij de gewenste ontwikkeling zal geen sprake van een uitbreiding van het bouwvlak van een intensieve veehouderij, omdat wanneer in een later stadium de aangevraagde afwijking zal worden vastgelegd in een bestemmingsplan het bouwvlak van vorm zal worden veranderd.
Ad. artikel 3.8.2, sub c:
De locatie is niet gelegen in een gebied met de dubbelbestemming 'Waarde - Zone goudgroene natuurzone' en/of de dubbelbestemming 'Waarde - Zone zilvergroene natuurzone'.
Ad. artikel 3.8.2, sub d:
De locatie is niet gelegen aan de Kleefsedijk 9 te Sevenum.
Ad. artikel 3.8.2, sub e:
Het huidige bouwvlak ter plaatse heeft een oppervlakte van ongeveer 0,46 hectare. Bij de gewenste wijziging zal de oppervlakte van het bouwvlak niet toenemen. Daarmee is geen sprake van een bouwvlak van meer dan 1,5 hectare. Er is geen sprake van een bedrijf met de nadere aanduiding 'glastuinbouw' en/of van de ligging van de locatie in een gebied met de aanduiding 'overige zone - ontwikkelingsgebied glastuinbouw'. De uitzonderingen zijn daarmee niet van toepassing op de locatie.
Ad. artikel 3.8.2, sub f:
De locatie is gelegen in een gebied met de nadere aanduidingen 'overige zone - beekdal' en 'milieuzone - hydrologische beschermingszone'. In artikel 47 zijn voor beide van deze gebieden aanvullende voorwaarden opgenomen.
Voor het beekdal geldt dat de cultuurhistorische waarden van dit gebied niet onevenredig mogen worden aangetast. Bij de gewenste ontwikkeling is sprake van een kleinschalige ontwikkeling bij een bestaand agrarisch bedrijf. Omdat het maximale ruimtebeslag niet zal toenemen (omdat het bouwvlak uiteindelijk alleen van vorm verandert en niet wordt vergroot) zal de impact op het landschap minimaal zijn. De voorgenomen ontwikkeling zal niet leiden tot een onevenredige aantasting van het landschap. Daarmee is geen sprake van een mogelijke aantasting van de cultuurhistorische waarden van het beekdal.
Binnen de hydrologische beschermingszone is het beleid er mede op gericht om de verdrogingsgevoelige natuurgebieden hydrologisch te beschermen. Dit houdt in dat ontwikkelingen die effect hebben op de voor verdroging gevoelige natuurgebieden moeten worden voorkomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een kleinschalige ontwikkeling. Het watergebruik zal door de voorgenomen ontwikkeling niet onevenredig toenemen. De bouwwerken zijn reeds vergund, alleen worden deze op een andere plaats gebouwd. Daarnaast is, zoals nader aangetoond en omschreven in de paragraaf "Wateraspecten" (paragraaf 4.5), geen sprake van nadelige effecten op de waterhuishouding en/of van verontreinigingen. Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling geen effect hebben op de waterhuishouding, waarmee de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige gevolgen zal hebben op de voor verdroging gevoelige natuurgebieden.
Ad. artikel 3.8.2, sub g:
Zoals nader omschreven en aangetoond in de paragraaf "Wateraspecten" (paragraaf 4.5) zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige effecten hebben op de waterhuishouding en is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.
Ad. artikel 3.8.2, sub h:
Zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) is ten behoeve van de eerder vergunde situatie door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld. Hierin is onderbouwd en omschreven op welke wijze ter plaatse wordt voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. De verplichting voor het realiseren van deze landschappelijke inpassing blijft in stand. De huidige aanvraag heeft betrekking op het positief bestemmen van een luchtwasser met luchtkanaal aan de andere zijde van de stal dan in de vigerende vergunning is aangevraagd. Het betreft slechts een zeer geringe afwijking waarbij de luchtwasser en het luchtkanaal alleen een andere positie krijgen. De stal blijft verder gelijk. Het bebouwde oppervlak zal daarbij (nagenoeg) niet toenemen. De impact op het landschap is daarmee (nagenoeg) nihil, waardoor voor de voorliggende aanvraag geen aanvullende landschappelijke inpassing is vereist. Het in stand houden van de ter plaatse verplicht gestelde landschappelijke inpassing ten behoeve van de reeds vergunde situatie zorgt in voldoende mate voor een goede landschappelijke inpassing van het erf, ook in de gewenste situatie.
Ad. artikel 3.8.2, sub i:
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het verplaatsen van een bedrijfswoning.
Ad. artikel 3.8.2, sub j:
Zoals nader omschreven in de paragraaf "Milieu" (paragraaf 4.1) leidt de voorgenomen ontwikkeling niet tot een onevenredige milieuhinder aan de omgeving.
De voorgenomen wijziging leidt daarnaast tot een vermindering van de milieuhinder. De voorgenomen luchtwasser vermindert de uitstoot van mogelijk hinder veroorzakende stoffen. Daarmee zal de milieuhinder afnemen. De luchtwasser en het luchtkanaal zijn reeds vergund. Echter zullen deze op een andere plaats worden gerealiseerd dan waarvoor de vergunning is verleend. De alternatieve plaats zal echter leiden tot een verbeterde efficiëntie en werking van de installatie. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee in vergelijking tot de huidige en vergunde situatie niet leiden tot een verslechtering van de milieusituatie, maar tot een verbetering.
Ad. artikel 3.8.2, sub k:
Met de voorgenomen ontwikkeling worden, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 4.1.1), geen van de omliggende functies in de (ontwikkelings)mogelijkheden beperkt.
Ad. artikel 3.8.2, sub l:
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het oprichten van een luchtwasser en een luchtkanaal. Deze zijn reeds vergund, maar worden op een alternatieve, meer efficiënte plaats gerealiseerd. Met de realisatie van de luchtwasser en het luchtkanaal wordt daarmee een afname van de milieuhinder bereikt. Daarmee zal het woon- en leefklimaat verbeteren. Er zal een afname van de hinder zijn en dus een verbetering van het woon- en leefklimaat. Gezien de luchtwasser en het luchtkanaal zijn vergund kan dit worden gezien als de huidige vergunde situatie. Ten aanzien van de huidige vergunde situatie is echter geen sprake van een toename van de uitstoot van mogelijk milieuhinder veroorzakende stoffen. Het woon- en leefklimaat in de omgeving zal dan ook niet verslechteren, maar verbeteren met de voorgenomen ontwikkeling.
Daarnaast is in de paragraaf "Milieu" (paragraaf 4.1), waar nodig met berekeningen, aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de normen vanuit de milieuwetgeving en niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving.
Ad. artikel 3.8.2, sub m:
De voorgenomen ontwikkeling is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Structuurvisie Horst aan de
Maas" (paragraaf 3.3.1), getoetst aan het gemeentelijk Kwaliteitsmenu, dat deel uitmaakt van de gemeentelijke structuurvisie.
Ad. artikel 3.8.2, sub n:
In artikel 3.5.2 is opgenomen dat een toename van de depositie van ammoniak en stikstof op de daarvoor gevoelige gebieden niet is toegestaan. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de emissie van ammoniak en stikstof niet toenemen. Door de realisatie van de luchtwasser en het luchtkanaal zal de emissie juist afnemen. Omdat de luchtwasser en het luchtkanaal al zijn vergund kan dit worden gezien als de huidige vergunde situatie. Omdat bij de voorgenomen ontwikkeling uitsluitend sprake is van het oprichten van de luchtwasser en het luchtkanaal op een iets andere plaats dan is vergund, maar wel op de betreffende stal waarop deze is vergund, zal de emissie van ammoniak en stikstof en daarmee de depositie daarvan op de daarvoor gevoelige gebieden in vergelijking met de huidige vergunde situatie niet toenemen. Om dit aan te tonen is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Gebiedsbescherming" (paragraaf 4.2.1.1), ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling een berekening gemaakt met het rekenprogramma Aerius Calculator, waaruit blijkt dat de emissie en depositie van ammoniak en stikstof niet zal toenemen in vergelijking met de huidige vergunde situatie.
Ad. artikel 3.8.2, sub o:
Zoals nader omschreven en aangetoond in de paragraaf "Wateraspecten" (paragraaf 4.5) zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige effecten hebben op de waterhuishouding en is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.
Zoals blijkt uit het voorgaande kan met de voorgenomen ontwikkeling worden voldaan aan de in de wijzigingsbevoegdheid opgenomen voorwaarden. Hiermee is de gewenste afwijking gemotiveerd mogelijk te maken.
Deze toelichting is als volgt opgebouwd:
De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Horst aan de Maas.
De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit agrarische graslanden en landbouwgronden met verschillende groenstructuren. De verkavelingsstructuur betreft een gemengde met een relatief grootschalige opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door kavelsloten en/of lijnen in het landschap.
In de nabije omgeving van de locatie zijn enkele agrarische bedrijven en burgerwoningen gelegen. Daarnaast is in de omgeving een voorziening voor verblijfsrecreatie in de vorm van een groepsaccommodatie aanwezig.
Op de locatie is momenteel een intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderij gevestigd. Het bedrijf wordt vanuit de milieuwetgeving gezien als één inrichting gezamenlijk met het bedrijf aan de Hazenhorstweg 1 te Sevenum.
De ter plaatse gehouden dieren worden gehuisvest in de aanwezige stallen. Verder zijn ter plaatse een bedrijfswoning met bijgebouwen en een loods aanwezig. Op de locatie is onlangs een vergunning verleend voor het oprichten van een luchtwasser met luchtkanaal bij de ter plaatse aanwezige varkensstal (stal 2 op de milieutekening). Vanwege een misverstand bij de uitvoering (een verkeerde tekening) is het luchtkanaal en de luchtwasser aan de linkerzijde en achterzijde van de reeds bestaande stal geplaatst, waarmee er sprake is van bebouwing buiten het bouwvlak. Dit is echter niet in overeenstemming met de verkregen vergunning en het geldende bestemmingsplan.
Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is ongeveer 0,46 hectare groot. In figuur 4 is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie. Het bouwvlak is daarin rood omlijnd en uitgelicht weergegeven.
Figuur 4: Luchtfoto huidige situatie ter plaatse, met bouwvlak aangegeven.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.
De initiatiefnemer is voornemens de luchtwasser met het luchtkanaal, welke aan de linker- en achterzijde van de stal is geplaatst, positief te bestemmen. Het is uiteindelijk de bedoeling dat de afwijkende situering in een algehele herziening van het gemeentelijk bestemmingsplan planologisch kloppend wordt meegenomen, waarbij in dat stadium een vormverandering van het bouwvlak zal plaatsvinden. Er zal geen sprake zijn van een verdere uitbreiding van de veehouderij en/of van de bedrijfsgebouwen. De luchtwasser met het luchtkanaal zijn reeds vergund, maar zijn op een andere plaats gebouwd dan volgens de vergunning is toegestaan. Voor de gewijzigde opzet vraagt de initiatiefnemer een omgevingsvergunning voor het afwijken van het geldende bestemmingsplan aan conform artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De luchtwasser en het luchtkanaal zijn noodzakelijk om de milieuhinder van het bedrijf en de kans op verspreiding van ziektekiemen te minimaliseren. Zonder de luchtwasser en het luchtkanaal kan het bedrijf niet voldoen aan de strenge eisen die vanuit de overheid worden gesteld aan veehouderijbedrijven. De gewenste locatie aan de linkerzijde van de reeds bestaande stal biedt de meest efficiënte en doelgerichte werking van de luchtwasser en het luchtkanaal en biedt daarmee het grootste resultaat. Derhalve is de voorgenomen gewijzigde situatie noodzakelijk voor een doelmatige en volwaardige bedrijfsvoering en de continuïteit van het bedrijf.
Daarnaast is de plaatsing van het luchtkanaal aan deze zijde van het gebouw esthetisch mooier dan op het gebouw waar het als een soort immense dakkapel de oorspronkelijke vorm van het relatief lage gebouw aantast.
Door de plaatsing van het luchtkanaal aan de zijkant blijft de vorm van het gebouw gehandhaafd en veranderd er niets aan de verschijningsvorm in het landschap ter plaatse.
Ook door het plaatsen van de luchtwasser aan de achterzijde van het gebouw staat deze achter het gebouw verscholen en wat minder prominent aanwezig dan naast het gebouw. Tevens komt de wasser verder van de dichtstbijzijnde woning (Hazenhorstweg 6) te staan. De wasser komt wel dichterbij de woningen aan het Broek te liggen. Echter is de afstand tot deze woningen voldoende groot (ruim 150 meter) en zijn deze woningen al dichterbij het bedrijf aan de Hazenhorstweg 1 gelegen, waarmee deze woningen niet verder zullen worden beperkt en geen sprake zal zijn van een toenemende hinder.
Daarmee is in vergelijking met de vergunde situatie sprake van een verbetering en een betere werking en een beter rendement door de luchtwasser met het luchtkanaal aan de linker- en achterzijde van de stal te plaatsen.
In figuur 5 is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven. Een volledige situatietekening op schaal is als bijlage 1 bij deze onderbouwing opgenomen.
Figuur 5: Situatietekening gewenste situatie.
Bron: DLV Advies.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste.
Om te onderzoeken of de ontwikkeling mogelijk kan bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving is bij de eerdere aanvraag door een landschapsdeskundige een tekening opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekening is in figuur 6 weergegeven. De landschappelijke inpassing die is uitgewerkt zal met de gewijzigde opzet en uitvoering niet wijzigen.
Figuur 6: Tekening landschappelijke inpassing.
Bron: Plattelandscoöperatie Peel en Maas.
Deze tekening maakt onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan dat ten behoeve van de eerdere ontwikkeling is opgesteld. In dit landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor worden toegepast. Voor het gehele landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 2 van deze onderbouwing.
De landschappelijke inpassing en de verplichting daartoe om deze te realiseren wordt met de voorgenomen aanvraag in stand gehouden. De voorgenomen ontwikkeling is zeer kleinschalig van aard en zal niet leiden tot een impact op het landschap, waarmee een aanvullende landschappelijke inpassing niet noodzakelijk wordt geacht. Met de instandhouding van de verplichting tot realisatie en behoud van de landschappelijke inpassing uit de eerdere procedure zal ter plaatse sprake zijn van een passende landschappelijke inpassing van het erf.
Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing.
Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland.
Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft echter een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden dan ook benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de volgende generaties.
Met de NOVI wordt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken geboden, om samen het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. Met de ambities van het Rijk wordt veel gevraagd van de leefomgeving. De ambities vragen meer ruimte dan er eigenlijk beschikbaar is. Derhalve wordt de volgende conclusie gesteld: niet alles kan en niet alles kan overal. De vraag daarbij is hoe kansen kunnen worden verzilverd en eventuele bedreigingen het hoofd geboden kunnen worden. Het Rijk moet en wil in dit proces het voortouw nemen. Schaarste betekent immers dat moet worden gekozen.
De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wordt gewerkt aan de prioriteiten van de overheid: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor deze prioriteiten zijn voor zowel de korte als lange termijn maatregelen nodig die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Daarbij staan de volgende maatregelen centraal:
Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Let wel: het Rijk eigent zich geen centraliserende rol toe. Integendeel, de verantwoordelijkheid ligt bij alle partijen gezamenlijk. Vanuit het Rijk wordt gestreefd naar regie op het samenspel en regie bij het bewaken van de nationale belangen. Dilemma's worden niet uit de weg gegaan, maar er worden kansen gecreëerd, juist door samen met de ambities aan de slag te gaan. Kansen om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. En zo ook kansen om sociale samenhang en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een duurzame en circulaire samenleving, stevig te verankeren in de manier van leven en werken.
Het Rijk benoemt wel duidelijk de nationale belangen, maakt nationale keuzes, geeft richting aan decentrale afwegingen én werkt gebiedsgericht. Met de NOVI wil de Rijksoverheid in concrete gebieden tot keuzes komen. Daarbij wil het Rijk doen wat goed is voor heel Nederland en wat tegelijkertijd recht doet aan de eigenheid van de regio's. Dit vergt een goed samenspel tussen Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten, maar ook tussen overheden en bedrijven, maatschappelijke instellingen en burgers. Vanuit al deze partijen is daarom al intensief meegedacht bij de totstandkoming van de NOVI. Bij de uitvoering van de NOVI wordt deze samenwerking voortgezet.
Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. Het gaat daarbij om 'omgevingsinclusief' beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes:
Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Het rijk geeft daarbij voorkeursvolgorden voor bepaalde ontwikkelingen mee aan de provincies en gemeenten.
Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van het Rijk niet worden tegengewerkt geeft het Rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten. De nationale belangen zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de nationale belangen dient daarom verder te worden getoetst aan het Barro. Deze toetsing is opgenomen in de paragraaf "Besluit algemene regels ruimtelijke ordening" (paragraaf 3.1.2). De verdere toetsing van ontwikkelingen aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.
Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet.
In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.
Het besluit bepaalt tevens:
"Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de
gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een
bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit."
Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren.
Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt.
Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.
In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen.
Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de projectlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.
Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd:
"ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel,
woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen."
Bij de voorgenomen ontwikkeling is, op basis van deze definitie, geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking is daarmee niet vereist.
De provincie Limburg heeft op 1 oktober 2021 de Provinciale Omgevingsvisie Limburg vastgesteld, waarin de beleidsuitgangspunten voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn opgenomen.
In de omgevingsvisie is onderscheid gemaakt in verschillende thema's en deelgebieden. In de omgevingsvisie is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'groenblauwe mantel'.
Het Maasdal, de beekdalen en steilere hellingen vormen samen de groenblauwe mantel. De gebieden liggen als een soort mantel tussen en om het Natuurnetwerk Limburg. Het zijn gebieden waarin er goede combinatiemogelijkheden zijn voor duurzame vormen van (kringloop) land- en tuinbouw en andere economische functies.
De focus ligt hier op het versterken van het klimaatadaptieve karakter met meer ruimte voor de beken en de Maas, de biodiversiteit en kernkwaliteiten van het landschap. De provincie wil de kenmerkende kwaliteiten en afwisseling van het Limburgse landschap behouden en versterken in combinatie met de ruimtelijke opgaven en transities die spelen. De uitdaging is, om met het landschap als drager, kwaliteit toe te voegen aan de verschillende transitieopgaven in de provincie.
De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats aangrenzend aan een bestaand bouwperceel ter plaatse van een bestaand bedrijf. Het bebouwde oppervlak ter plaatse zal in vergelijking met de huidige (vergunde) situatie niet of nagenoeg niet toenemen. De impact op het landschap is daarmee nagenoeg nihil. Daarnaast wordt, zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), ter plaatse voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de landschappelijke kwaliteiten in het gebied.
Gezien het voorgaande zullen de landschappelijke waarden van het gebied niet onevenredig worden geschaad en zal een bijdrage worden geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de uitgangspunten zoals zijn opgenomen voor ontwikkelingen in de bronsgroene landschapszones.
Verder streeft de provincie naar het terugdringen van emissies en het verbeteren van de omgevingskwaliteit en leefbaarheid rondom (intensieve) veehouderijen.
De luchtwasser en het luchtkanaal zijn noodzakelijk om de milieuhinder van het bedrijf en de kans op verspreiding van ziektekiemen te minimaliseren. De gewenste locatie aan de linkerzijde van de reeds bestaande stal biedt de meest efficiënte en doelgerichte werking van de luchtwasser en het luchtkanaal en biedt daarmee het grootste resultaat. De voorgenomen wijziging leidt daarmee tot een vermindering van de milieuhinder. De voorgenomen luchtwasser vermindert de uitstoot van mogelijk hinder veroorzakende stoffen. Daarmee zal de milieuhinder afnemen. De luchtwasser en het luchtkanaal zijn reeds vergund. Echter zullen deze op een andere plaats worden gerealiseerd dan waarvoor de vergunning is verleend. De alternatieve plaats zal echter leiden tot een verbeterde efficiëntie en werking van de installatie, waarmee de emissies nog verder afnemen.
De voorgenomen ontwikkeling voorziet daarmee in een voorziening voor het terugdringen van de emissies vanuit veehouderijen. Dit past binnen de uitgangspunten voor agrarische bedrijven in het landelijk gebied.
Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten zoals zijn opgenomen in de Omgevingsvisie Limburg van de provincie Limburg.
Op 12 december 2014 heeft de provincie Limburg de Omgevingsverordening Limburg vastgesteld. Deze omgevingsverordening is meerdere keren gewijzigd en geactualiseerd. De meest recente versie is op 22 november 2019 geconsolideerd en in werking getreden.
De omgevingsverordening bevat een vertaling van het ruimtelijke beleidskader uit de provinciale omgevingsvisie naar concrete regels, waarmee de ruimtelijke beleidsvisie van de provincie juridisch is verankerd.
De locatie is gelegen in het landelijk gebied, waarbij de locatie nader is aangemerkt als bronsgroene natuurzone.
Met betrekking tot de bronsgroene zones is, in artikel 2.7.2, opgenomen dat een ontwikkeling in een bronsgroene zone gepaard moet gaan met een nadere motivatie van de in het projectgebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. De kernkwaliteiten zijn het groene karakter, het visueel ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf.
De kernkwaliteiten met betrekking tot het groene karakter en het visueel ruimtelijk karakter zijn vervolgens opgenomen in het Landschapskader Noord- en Midden Limburg. Vanuit het landschapskader is de locatie gelegen in een beekdal.
Het beekdallandschap omvat die gronden die vanuit het natuurlijk fundament aangeduid worden als beekdal. Binnen deze kenmerkende beekdalen liggen verschillende soorten beken (beken met nog een natuurlijke loop, rechtgetrokken beken, aangelegd in moeraszones, in Maasmeanders, etc.). Daarnaast kan per beek een bovenloop, middenloop en een benedenloop onderscheiden worden. Belangrijker echter zijn de overeenkomsten tussen de verschillende beken in Noord- en Midden-Limburg. Dit is de bijzondere structurerende werking, met name binnen de dekzandgebieden tussen de Peel en de Maas. Hier liepen en lopen de belangrijkste beken met hun bijbehorende dalen en afzettingen.
Vanuit het groene karakter zijn in het beekdal de volgende kernkwaliteiten te onderscheiden:
Een belangrijke kwaliteit van dit landschapstype wordt gevormd door de doorgaande natte structuur, waardoor de beekdalen voor veel organismen functioneren als ecologische verbindingszone. Daarnaast vormen de vele gradiënten, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van oude geulen, maar vooral het hoogteverschil loodrecht op de beek van de lage beek naar de verder weg gelegen hogere gronden, een belangrijke kwaliteit. Met name de beekbegeleidende, veelal natte gronden zijn bijzonder. Deze gronden bestaan voornamelijk uit hooilanden, diverse moerastypen en moerasbossen.
Vanuit het visueel ruimtelijk karakter zijn in het beekdal de volgende kernkwaliteiten te onderscheiden:
De beekdalen zijn belangrijke structuurdragers van het landschap, met name op de zandgronden. Als gevolg van latere egaliseringen, ontwateringen en ontginningen zijn de beekdalen echter in veel gevallen nog nauwelijks herkenbaar. Een typisch beekdal wordt gekenmerkt door een overwegend halfopen kleinschalig landschap met afwisselend hooilanden, weilanden, bosjes en kleine landschapselementen. In het beekdal bevindt zich meestal weinig tot geen bebouwing. Daar waar de karakteristieke kleinschaligheid bewaard is gebleven, is het landschap visueel-ruimtelijk nog aantrekkelijk en waardevol.
Er worden drie typen beekdalen onderscheiden. Het halfopen kamertjes type, het besloten bostype en het open grazige type.
De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats aangrenzend aan een bestaand bouwperceel ter plaatse van een bestaand bedrijf. Het bebouwde oppervlak ter plaatse zal in vergelijking met de huidige (vergunde) situatie niet of nagenoeg niet toenemen. De impact op het landschap is daarmee nagenoeg nihil. Daarnaast wordt, zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), ter plaatse voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de landschappelijke kwaliteiten in het gebied.
Voor de cultuurhistorische waarden geldt dat bestaande historische en archeologische waarden niet mogen worden aangetast. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Archeologie en cultuurhistorie" (paragraaf 4.3) zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle en/of archeologische waarden.
Voor het reliëf geldt dat zichtbaar reliëf in het landschap zoveel mogelijk behouden en versterkt dient te worden. De voorgenomen ontwikkeling betreft een kleinschalige ontwikkeling op een bestaand erf. Tevens is er geen sprake van een toename van de bebouwde oppervlakte. Het landschap, en daarmee het reliëf daarvan, zal met de voorgenomen ontwikkeling daarmee niet worden geschaad.
Voor intensieve veehouderijen gelden vanuit artikel 2.11 van de verordening aanvullende regels. Vanuit artikel 2.11.2 geldt dat nieuwvestiging van een intensieve veehouderij alleen is toegestaan in de daarvoor aangewezen gebieden en dat uitbreiding (vergroting van het bouwvlak) van een intensieve veehouderij niet is toegestaan binnen de extensiveringsgebieden intensieve veehouderij. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een nieuwvestiging en/of uitbreiding van een veehouderij, waarmee de regels uit artikel 2.11.2 niet van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling.
In artikel 2.11.3 is in het eerste lid opgenomen dat vormverandering van een bouwvlak van een intensieve veehouderij in beginsel niet mogelijk is in gebieden die zijn aangemerkt als extensiveringsgebied intensieve veehouderij. De locatie is gelegen in een extensiveringsgebied intensieve veehouderij, waarmee de voorgenomen vormverandering in beginsel niet mogelijk is. Echter is in het tweede lid van artikel 2.11.3 opgenomen dat het verbod op vormverandering van een bouwvlak van een intensieve veehouderij in een extensiveringsgebied niet van toepassing is als de bestaande bouwmogelijkheden binnen het bouwvlak uit bedrijfseconomisch oogpunt ongunstig zijn, en de vormverandering per saldo geen negatieve invloed heeft op de aspecten die bij de integrale afweging moeten worden betrokken, in het bijzonder landbouw, natuur, bos, landschap, recreatie, water, milieu en infrastructuur, woon-, werk- en leefklimaat en economische structuur.
Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 4.1.1) heeft de voorgenomen vormverandering geen negatieve invloed op de landbouw en/of overige omliggende functies en bedrijven. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) leidt de voorgenomen ontwikkeling eveneens niet tot een negatieve invloed op natuur- en/of bosgebieden. Daarnaast wordt, zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), ter plaatse voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de landschappelijke kwaliteiten in het gebied. Omdat sprake is van een ontwikkeling op een bestaand terrein en de bebouwde oppervlakte (nagenoeg) niet toeneemt is de impact op het landschap (nagenoeg) nihil. Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling ook geen invloed hebben op de recreatieve waarden en/of beleving van het gebied. Zoals in het voorgaande omschreven en aangetoond in de paragraaf "Milieu" (paragraaf 4.1) leidt de voorgenomen ontwikkeling niet tot een onevenredige milieuhinder aan de omgeving, maar zal de milieuhinder door de luchtwasser met luchtkanaal en de betere werking daarvan door de aangepaste plaatsing leiden tot een verbetering van de situatie op het gebied van milieu door een afname van de emissies en daarmee tot een verbetering van het woon- en leefklimaat. Tevens zal de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Wateraspecten" (paragraaf 4.5) niet leiden tot nadelige gevolgen voor de waterhuishouding en is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Ten slotte zal de voorgenomen ontwikkeling geen wijzigingen tot gevolg hebben aan de infrastructuur en/of economische structuur. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen negatieve invloed hebben op de aspecten die bij de integrale afweging moeten worden betrokken.
De plaatsing van de luchtwasser en het luchtkanaal op de gewenste plaats leidt tot het meeste rendement en de beste, meest optimale werking van de luchtwasser. De plaatsing van de luchtwasser op een andere plek aan de bestaande stal is daarmee niet efficiënt genoeg voor een doelmatige duurzame bedrijfsvoering. Het huidige bouwvlak biedt geen mogelijkheden om de luchtwasser en het luchtkanaal op de gewenste, meest efficiënte en rendabele plek op te richten. De bestaande bouwmogelijkheden binnen het bouwvlak zijn daarmee uit bedrijfseconomisch oogpunt ongunstig.
Daarmee kan de uiteindelijke vormverandering van het bouwvlak van de initiatiefnemer (op termijn) mogelijk worden gemaakt.
Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de bepalingen uit de Omgevingsverordening Limburg van de provincie Limburg.
De provincie Limburg is bezig met het opstellen van een nieuwe provinciale omgevingsverordening, waarin de beleidsuitgangspunten uit de (ontwerp) omgevingsvisie juridisch zijn verankerd. Hiervan heeft het ontwerp reeds in juli 2021 ter inzage gelegen. De ontwerp omgevingsverordening is nog niet in werking getreden, maar biedt wel een goed toetsingskader voor toekomstige ontwikkelingen. Derhalve is de voorgenomen ontwikkeling eveneens aan de ontwerp omgevingsverordening getoetst.
In de omgevingsverordening is, net als in de omgevingsvisie, onderscheid gemaakt in verschillende thema's en deelgebieden. In de omgevingsverordening is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'groenblauwe mantel'.
Met betrekking tot de groenblauwe mantel is, in artikel 7.6, opgenomen dat een ontwikkeling binnen dit gebied gepaard moet gaan met een nadere motivatie van de in het projectgebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. De kernkwaliteiten zijn het groene karakter, het visueel ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf.
De kernkwaliteiten met betrekking tot het groene karakter en het visueel ruimtelijk karakter zijn vervolgens opgenomen in het Landschapskader Noord- en Midden Limburg. Vanuit het landschapskader is de locatie gelegen in een beekdal.
Het beekdallandschap omvat die gronden die vanuit het natuurlijk fundament aangeduid worden als beekdal. Binnen deze kenmerkende beekdalen liggen verschillende soorten beken (beken met nog een natuurlijke loop, rechtgetrokken beken, aangelegd in moeraszones, in Maasmeanders, etc.). Daarnaast kan per beek een bovenloop, middenloop en een benedenloop onderscheiden worden. Belangrijker echter zijn de overeenkomsten tussen de verschillende beken in Noord- en Midden-Limburg. Dit is de bijzondere structurerende werking, met name binnen de dekzandgebieden tussen de Peel en de Maas. Hier liepen en lopen de belangrijkste beken met hun bijbehorende dalen en afzettingen.
Vanuit het groene karakter zijn in het beekdal de volgende kernkwaliteiten te onderscheiden:
Een belangrijke kwaliteit van dit landschapstype wordt gevormd door de doorgaande natte structuur, waardoor de beekdalen voor veel organismen functioneren als ecologische verbindingszone. Daarnaast vormen de vele gradiënten, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van oude geulen, maar vooral het hoogteverschil loodrecht op de beek van de lage beek naar de verder weg gelegen hogere gronden, een belangrijke kwaliteit. Met name de beekbegeleidende, veelal natte gronden zijn bijzonder. Deze gronden bestaan voornamelijk uit hooilanden, diverse moerastypen en moerasbossen.
Vanuit het visueel ruimtelijk karakter zijn in het beekdal de volgende kernkwaliteiten te onderscheiden:
De beekdalen zijn belangrijke structuurdragers van het landschap, met name op de zandgronden. Als gevolg van latere egaliseringen, ontwateringen en ontginningen zijn de beekdalen echter in veel gevallen nog nauwelijks herkenbaar. Een typisch beekdal wordt gekenmerkt door een overwegend halfopen kleinschalig landschap met afwisselend hooilanden, weilanden, bosjes en kleine landschapselementen. In het beekdal bevindt zich meestal weinig tot geen bebouwing. Daar waar de karakteristieke kleinschaligheid bewaard is gebleven, is het landschap visueel-ruimtelijk nog aantrekkelijk en waardevol.
Er worden drie typen beekdalen onderscheiden. Het halfopen kamertjes type, het besloten bostype en het open grazige type.
De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats aangrenzend aan een bestaand bouwperceel ter plaatse van een bestaand bedrijf. Het bebouwde oppervlak ter plaatse zal in vergelijking met de huidige (vergunde) situatie niet of nagenoeg niet toenemen. De impact op het landschap is daarmee nagenoeg nihil. Daarnaast wordt, zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), ter plaatse voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de landschappelijke kwaliteiten in het gebied.
Voor de cultuurhistorische waarden geldt dat bestaande historische en archeologische waarden niet mogen worden aangetast. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Archeologie en cultuurhistorie" (paragraaf 4.3) zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle en/of archeologische waarden.
Voor het reliëf geldt dat zichtbaar reliëf in het landschap zoveel mogelijk behouden en versterkt dient te worden. De voorgenomen ontwikkeling betreft een kleinschalige ontwikkeling op een bestaand erf. Tevens is er geen sprake van een toename van de bebouwde oppervlakte. Het landschap, en daarmee het reliëf daarvan, zal met de voorgenomen ontwikkeling daarmee niet worden geschaad.
Vanuit artikel 10.1.1 worden ten aanzien van intensieve veehouderijen aanvullende regels gesteld. Daarbij geldt dat nieuwvestiging van een intensieve veehouderij alleen is toegestaan in de daarvoor aangewezen gebieden en dat uitbreiding (vergroting van het bouwvlak) van een intensieve veehouderij niet is toegestaan binnen de extensiveringsgebieden intensieve veehouderij. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een nieuwvestiging en/of uitbreiding van een veehouderij, waarmee deze aanvullende regels niet van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling.
Verder is opgenomen dat vormverandering van een bouwvlak van een intensieve veehouderij in het gebied waarin de locatie is gelegen alleen mogelijk is als de bestaande bouwmogelijkheden binnen het bouwvlak uit bedrijfseconomisch oogpunt ongunstig zijn, en de vormverandering per saldo geen negatieve invloed heeft op de aspecten die bij de integrale afweging moeten worden betrokken, in het bijzonder landbouw, natuur, bos, landschap, recreatie, water, milieu en infrastructuur, woon-, werk- en leefklimaat en economische structuur.
Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 4.1.1) heeft de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve invloed op de landbouw en/of overige omliggende functies en bedrijven. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) leidt de voorgenomen ontwikkeling eveneens niet tot een negatieve invloed op natuur- en/of bosgebieden. Daarnaast wordt, zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), ter plaatse voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de landschappelijke kwaliteiten in het gebied. Omdat sprake is van een ontwikkeling op een bestaand terrein en de bebouwde oppervlakte (nagenoeg) niet toeneemt is de impact op het landschap (nagenoeg) nihil. Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling ook geen invloed hebben op de recreatieve waarden en/of beleving van het gebied.
Zoals in het voorgaande omschreven en aangetoond in de paragraaf "Milieu" (paragraaf 4.1) leidt de voorgenomen ontwikkeling niet tot een onevenredige milieuhinder aan de omgeving, maar zal de milieuhinder door de luchtwasser met luchtkanaal en de betere werking daarvan door de aangepaste plaatsing leiden tot een verbetering van de situatie op het gebied van milieu door een afname van de emissies en daarmee tot een verbetering van het woon- en leefklimaat. Tevens zal de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Wateraspecten" (paragraaf 4.5) niet leiden tot nadelige gevolgen voor de waterhuishouding en is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Ten slotte zal de voorgenomen ontwikkeling geen wijzigingen tot gevolg hebben aan de infrastructuur en/of economische structuur. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen negatieve invloed hebben op de aspecten die bij de integrale afweging moeten worden betrokken.
De plaatsing van de luchtwasser en het luchtkanaal op de gewenste plaats leidt tot het meeste rendement en de beste, meest optimale werking van de luchtwasser. De plaatsing van de luchtwasser op een andere plek aan de bestaande stal is daarmee niet efficiënt genoeg voor een doelmatige duurzame bedrijfsvoering. Het huidige bouwvlak biedt geen mogelijkheden om de luchtwasser en het luchtkanaal op de gewenste, meest efficiënte en rendabele plek op te richten. De bestaande bouwmogelijkheden binnen het bouwvlak zijn daarmee uit bedrijfseconomisch oogpunt ongunstig.
Daarmee kan de gewenste situatie mogelijk worden gemaakt.
Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de bepalingen uit de Omgevingsverordening Limburg van de provincie Limburg.
De gemeente Horst aan de Maas heeft op 26 november 2019 de Structuurvisie Horst aan de Maas vastgesteld. Deze structuurvisie bevat het ruimtelijk beleid van de gemeente op hoofdlijnen met een doorkijk naar de langere termijn. De structuurvisie is niet juridisch bindend, maar biedt het ruimtelijk kader bij het opstellen van bestemmingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd.
De doelstelling die de gemeente heeft met de structuurvisie is drieledig. Enerzijds dient de structuurvisie een integraal beeld te vormen van de ontwikkelingen die de gemeente voor ogen staat voor de langere termijn. Daarnaast verschaft de gemeente inzicht hoe zij nieuwe initiatieven afweegt en welke randvoorwaarden hier eventueel bij gelden. Tenslotte biedt de structuurvisie kansen optimaal gebruik te maken van mogelijkheden voor het plegen van bovenplans kostenverhaal, zoals die zijn opgenomen in de Wro en de Grex-wet.
Een uitwerking van het Limburgs Kwaliteitsmenu in de gemeentelijke structuurvisie vormt de basis voor het vragen van een kwaliteitsbijdrage voor ontwikkelingen in het buitengebied en in de dorpen.
Vanuit de visie wordt gesteld dat agrarische bedrijven, waaronder intensieve veehouderijen, die op hun bestaande locatie willen doorontwikkelen dit kunnen doen binnen de mogelijkheden uit het geldende bestemmingsplan. Zoals nader omschreven en aangetoond in de paragraaf "Geldende bestemmingsplannen" (paragraaf 1.3) is er sprake van een strijdigheid met het geldende bestemmingsplan, maar kan de voorgenomen ontwikkeling met een vormverandering (op basis van een wijzigingsbevoegdheid) mogelijk worden gemaakt. Daarmee past de voorgenomen ontwikkeling binnen de mogelijkheden uit het geldende bestemmingsplan en daarmee binnen de uitgangspunten uit de visie.
Voor de drie beleidsmatige speerpunten van de gemeente (agribusiness, toerisme & recreatie en leefbaarheid) is het landschap (de omgevingskwaliteit) een belangrijke factor. Het vormt namelijk de productieruimte voor de agrarische sector, het verblijfsgebied voor toeristen en recreanten en de woonomgeving voor de inwoners. Om de speerpunten tot een succes te maken, is het van belang dat de aantrekkelijkheid van het landschap (de omgevingskwaliteit) gewaarborgd blijft en zoveel mogelijk versterkt wordt.
Naast de algemene bepalingen ten aanzien van de ontwikkeling van agrarische bedrijven en de bijdrage aan de omgevingskwaliteit heeft de gemeente een gemeentelijk Kwaliteitsmenu opgenomen in de visie. Dit betreft een nadere uitwerking van het provinciale Limburgs Kwaliteitsmenu aan de gemeentelijke normen en kwaliteiten. Het kwaliteitsmenu is van toepassing indien het geldende bestemmingsplan niet direct voorziet in de betreffende ontwikkeling en deze middels bijvoorbeeld een bestemmingsplanherziening of omgevingsvergunning mogelijk gemaakt moet worden. Wijzigingsbevoegdheden in de vigerende bestemmingsplannen worden gerespecteerd.
De verschillende ontwikkelingsmogelijkheden zijn, grotendeels op basis van het provinciale Kwaliteitsmenu, onderverdeeld in zogenaamde 'modules'. Een module staat daarbij voor een ontwikkeling waarvoor een tegenprestatie nodig is op basis van het kwaliteitsmenu. Bij het gebruik van de modules geldt dat in eerste instantie de specifieke voorwaarden, zoals deze voor de betreffende module(s) gelden, gehanteerd worden. Wanneer deze geen uitkomst/mogelijkheden bieden van de initiatiefnemer, wordt gebruik gemaakt van de financiële tegenprestatie. De modules zijn als volgt:
De voorgenomen ontwikkeling betreft (op termijn) een vormverandering (geen uitbreiding) van een intensieve veehouderij. Voor wat betreft agrarische bedrijven gelden alleen eisen vanuit het kwaliteitsmenu als sprake is van nieuwvestiging of van een uitbreiding (vergroting bouwvlak). Hiervan is geen sprake bij de voorgenomen ontwikkeling, waarmee de aanvullende eisen uit het gemeentelijk Kwaliteitsmenu niet van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling en geen aanvullende tegenprestatie hoeft te worden geleverd.
Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten uit de Structuurvisie Horst aan de Maas van gemeente Horst aan de Maas.
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven.
Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen:
In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies. De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een afwijking van het geldende bestemmingsplan met een omgevingsvergunning ten behoeve van het op een andere plaats realiseren van een luchtwasser met het daarbij behorende luchtkanaal dan reeds is vergund bij de huidige varkenshouderij van de initiatiefnemer. Daarbij komen de luchtwasser en het luchtkanaal buiten het huidige bouwvlak te liggen. In een latere procedure, bij een algehele herziening van het geldende bestemmingsplan, zal het bouwvlak van vorm worden veranderd, waarbij de oppervlakte daarvan niet zal toenemen.
Op de locatie wordt een intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderij uitgevoerd. Met de gewijzigde positie van de luchtwasser en het luchtkanaal is in feite sprake van de verdere ontwikkeling van een varkenshouderij.
Ten aanzien van varkenshouderijen zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen:
Gezien de gewijzigde opzet en de toekomstige vormverandering in theorie het verleggen van emissiepunten mogelijk maakt en omdat binnen een bouwvlak van andere bedrijven en/of locaties in theorie overal gevoelige objecten kunnen worden opgericht dient te worden gemeten van de grens van het nieuwe (toekomstige) bouwvlak van de initiatiefnemer tot aan het bouwvlak van omliggende gevoelige objecten en/of functies.
De ontwikkeling vindt plaats aan de noordzijde en noordwest zijde van het bedrijf. De meeste gevoelige objecten zijn gelegen aan de zuidzijde en de zuidoost zijde van de locatie. Aan deze zijden zal het toekomstig bouwvlak in afstanden ten aanzien van het bedrijf van de initiatiefnemer niet wijzigen en/of verder van de woningen af komen te liggen. De situatie ten aanzien van de gevoelige objecten nabij de locatie aan de Hazenhorstweg zal daarmee niet in nadelige zin wijzigen. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een toenemende hinder op de aan de Hazenhorstweg gelegen gevoelige objecten.
De luchtwasser en het luchtkanaal komen in de gewijzigde opzet iets dichter op het bedrijf aan de Hazenhorstweg 1 te liggen. Dit bedrijf is voorzien van een bedrijfswoning en dient formeer als gevoelig object te worden beschouwd. Echter is dit bedrijf in eigendom van de initiatiefnemer en maakt het op het gebied van milieu deel uit van dezelfde inrichting (milieutechnisch zijn de bedrijven aan de Hazenhorstweg 1 en 3 aangemerkt als één inrichting). De bedrijfswoning aan de Hazenhorstweg 1 behoort daarmee eveneens tot het bedrijf aan de Hazenhorstweg 3 en is derhalve niet beschermd ten aanzien van de bedrijfsvoering aan de Hazenhorstweg 3. Daarnaast is de betreffende bedrijfswoning aan de Hazenhorstweg 1 eveneens een bedrijfswoning bij een intensieve veehouderij. Voor dergelijke woningen geldt een aangepaste toetsing op het gebied van geur. In plaats van de richtafstanden en/of de voorgrondbelasting en achtergrondbelasting wordt een dergelijke woning alleen getoetst aan de vaste afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij. Gezien de betreffende woning buiten de bebouwde kom is gelegen geldt dat de afstand tussen de betreffende woning tot aan een emissiepunt van een dierenverblijf minimaal 50 meter moet bedragen en de afstand tussen de betreffende woning tot aan de gevel van een dierenverblijf minimaal 25 meter moet bedragen. De afstand tussen de betreffende woning en de stal van de initiatiefnemer bedraagt ongeveer 94 meter, waarmee ruimschoots aan de afstanden wordt voldaan.
Daarnaast zijn er een aantal burgerwoningen gelegen aan het Broek. De luchtwasser en het luchtkanaal komen in de gewijzigde opzet dichter bij deze woningen te liggen. Echter zijn deze woningen al dichterbij het bedrijf aan de Hazenhorstweg 1 gelegen, waarmee deze woningen niet verder zullen worden beperkt en geen sprake zal zijn van een toenemende hinder.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal tevens sprake zijn van een afnemende milieuhinder, omdat de aangepaste plaatsing van de luchtwasser en het luchtkanaal leidt tot een betere werking daarvan. Daarmee wordt het rendement van de luchtwasser verhoogd, waarmee de emissies vanuit het bedrijf verder afnemen dan in de vergunde situatie. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee leiden tot een afname van de milieuhinder aan gevoelige objecten in de omgeving.
Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een nieuw gevoelig object. Hiermee zullen geen omliggende bedrijven, functies en bestemmingen in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.
De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd.
De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning en/of V-Stacks gebied. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij.
Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom.
Bij gemeentelijke verordening kunnen gemeenten afwijken van de wettelijke normen. Voor de onderbouwing van andere normen wordt de geursituatie berekend met het verspreidingsmodel V-Stacks gebied. De gemeente Horst aan de Maas heeft een eigen geurbeleid vastgelegd in een geurverordening. De normen uit deze verordening zijn als volgt:
Hoewel met de gewenste ontwikkeling op basis van de geurwetgeving en de mogelijkheden uit de geurverordening van de gemeente op het gebied van geur kan voldoen wenst de initiatiefnemer de geurbelasting in fasen te verminderen. Hierbij zal de initiatiefnemer de luchtwasser op stal 2 in de milieuvergunning aanpassen, zodat de geurbelasting aan de omgeving afneemt. Daarnaast zal stal 5 in de milieuvergunning al eerder emissie-arm gemaakt worden. Vanuit de wetgeving dient deze stal pas in 2030 emissie-arm te zijn. De initiatiefnemer haalt dit naar voren en zal deze stal al uiterlijk 31 december 2025 emissie-arm hebben gemaakt. Tevens zal de luchtwasser op de nog niet gerealiseerde stal 8 worden aangepast, wat eveneens zal leiden tot een verminderde emissie vanuit deze stal. De realisatie van deze aanvullende maatregelen worden eveneens geborgd in de omgevingsvergunning.
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling en de afspraken die zijn gemaakt zijn met het verspreidingsmodel V-stacks verschillende situaties berekend. Uit de berekeningen voor de voorgrondbelasting blijkt dat in de huidige situatie nog enkele woningen in de omgeving overbelast zijn. Na het treffen van de hiervoor omschreven maatregelen (aanpassen luchtwasser op stal 2, emissie-arm maken stal 5, aanpassen luchtwasser op nog niet gerealiseerde stal 8) zullen geen van de omliggende woningen meer overbelast zijn. Er is daarmee sprake van een aanzienlijke verbetering op het gebied van geur en aan alle normen kan daarmee worden voldaan.
Uit de berekeningen voor de achtergrondbelasting blijkt dat in de huidige situatie sprake is van een aantal woningen in de omgeving die overbelast zijn. Na het treffen van de maatregelen (aanpassen luchtwasser op stal 2, emissie-arm maken stal 5, aanpassen luchtwasser op nog niet gerealiseerde stal 8) zullen nog diverse woningen overbelast zijn. Echter, zoals blijkt uit de nauwkeurige aanvullende berekeningen, zal de voorgrondbelasting op deze woningen afnemen door de aanpassingen op het bedrijf, waarmee sprake is van een verbetering van het woon- en leefklimaat op deze woningen.
Voor de resultaten van de uitgevoerde berekeningen (voor- en achtergrond) voor elk van de situaties wordt verwezen naar bijlage 3 van deze onderbouwing. Bij het maken van de berekeningen is eveneens gerekend op de randen van het (toekomstig) bouwvlak van het bedrijf van de initiatiefnemer en op de randen van de bouwvlakken van de gevoelige objecten. Daarbij is rekening gehouden met de minimale afstand van gevoelige objecten tot de as van de weg (bestemming verkeer). De te nemen maatregelen zijn de grondslag van situatie 7 van de uitgevoerde berekeningen.
De concrete aanvullende maatregelen in situatie 7 zijn:
- Luchtwasser verplaatsen (199.725-378.055)
- Emissiepunthoogte luchtwasser verhogen (3,2 m.)
- Luchtsnelheid luchtwasser verhogen (minimaal 3,35 m/s.)
- Emissiepunthoogte luchtwasser verhogen (7,0 m.)
- Luchtsnelheid luchtwasser verhogen (minimaal 3,50 m/s.)
• Stal 5
- Stal emissiearm uitvoeren door het plaatsen van 2 luchtwassers.
- Luchtsnelheid van luchtwassers is minimaal 3,35 m/s
Deze invoergegevens zijn op pagina's 98 en 125 van de bijlagen bij deze ruimtelijke onderbouwing terug te vinden.
Gezien het voorgaande zal geen sprake zijn van een onevenredige geurhinder aan gevoelige objecten in de omgeving.
Naast het feit dat een ontwikkeling geen onevenredige geurhinder mag veroorzaken dient te worden aangetoond dat ter plaatse van nieuwe gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur kan worden geborgd.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van nieuwe gevoelige objecten, waarmee toetsing aan het woon- en leefklimaat op het gebied van geur ten aanzien van de locatie niet noodzakelijk is.
De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof en stikstofoxiden (NO2).
Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het anders plaatsen van een luchtwasser en luchtkanaal dan volgens de verleende vergunning is toegestaan. Het aantal gehouden dieren neemt niet toe en er is geen sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen. Daarmee is geen sprake van een toename van de emissie van fijnstof en/of stikstofoxiden.
De aangepaste plaatsing van de luchtwasser en het luchtkanaal leidt tot een betere werking en groter rendement van de luchtwasser, waardoor de emissies verder zullen afnemen. Hiermee is sprake van een NIBM-ontwikkeling.
Echter dient bij de voorgenomen ontwikkeling uitgegaan te worden van de ruimtelijke worst-case situatie. Ruimtelijk gezien is de worst-case situatie geen NIBM-ontwikkeling, waardoor de effecten van de voorgenomen bedrijfsvoering op de luchtkwaliteit inzichtelijk gemaakt dienen te worden. De worst-case situatie is berekend met het rekenprogramma ISL3a. Daarbij is gerekend op de rand van het (toekomstig) bouwvlak van de initiatiefnemer en op de randen van de bouwvlakken van omliggende gevoelige objecten, waarbij rekening is gehouden met de minimale afstand van gevoelige objecten tot de as van de weg (bestemming verkeer). Uit deze berekening, waarvan de resultaten zijn opgenomen in bijlage 4 van deze onderbouwing, blijkt dat aan de wettelijke normen ten aanzien van luchtkwaliteit wordt voldaan. Er zal daarmee geen sprake zijn van een onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit, ook niet in de worst-case situatie.
Naast het feit dat een ontwikkeling geen onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit mag veroorzaken dient te worden aangetoond dat ter plaatse van nieuwe gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit kan worden geborgd.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van nieuwe gevoelige objecten, waarmee toetsing aan het woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit ten aanzien van de locatie niet noodzakelijk is.
Veehouderijen kunnen mogelijk gezondheidseffecten veroorzaken op omwonenden. Dit speelt met name bij varkenshouderijen, pluimveehouderijen en geitenhouderijen. Effecten van veehouderijen op de volksgezondheid, kunnen op verschillende manieren tot stand komen, bijvoorbeeld via diercontact, via de lucht, via de mest en via voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong.
Besmettingsgevaar wordt geregeld in de wetgeving voor volksgezondheid. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevatten geen toetsingskader voor onderwerpen die in de wetgeving voor Volksgezondheid zijn geregeld.
Mensen kunnen echter in contact komen met de micro-organismen die dieren bij zich dragen door direct contact met de dieren, de mest of stof, of via inademing van de lucht. Daarom dienen de effecten en risico's op de volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht.
Middels de "Handreiking veehouderij en volksgezondheid" wordt een aanpak aangedragen hoe zorgvuldig en praktisch om te gaan met het aspect volksgezondheid bij de ontwikkeling van veehouderijen of het toepassen van de omgekeerde werking. De Handreiking bevat een praktisch stappenplan waarin de afweging wordt gemaakt of de gemeente zelf de volksgezondheid beoordeelt, of dat een advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) noodzakelijk wordt geacht.
Het onderhavige initiatief voldoet aan de wettelijke en gemeentelijke bepalingen die worden genoemd in de Wet geurhinder en veehouderij en de gemeentelijke geurverordening, de Wet milieubeheer, titel 5.2 luchtkwaliteitseisen en de bepalingen uit de provinciale ruimtelijke verordening op het gebied van geur en fijnstof. Daarnaast worden er geen geiten of meerdere diersoorten gecombineerd gehouden, is er geen sprake van mestbewerking als nevenactiviteit en is geen sprake van ongerustheid bij omwonenden met betrekking tot de volksgezondheid. Tevens leidt de voorgenomen ontwikkeling tot een vermindering van emissies, waardoor er een verbeterde situatie zal ontstaan ten aanzien van de volksgezondheid. Hiermee wordt een nader advies van de GGD niet noodzakelijk geacht.
Hiermee zijn met de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen ten aanzien van de handreiking veehouderijen en volksgezondheid 2.0.
Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Vanuit het toetsingskader kan worden gesteld dat wanneer een gevoelig object buiten de richtafstanden voor varkens- en pluimveehouderijen is gelegen er geen sprake zal zijn van een onevenredig verhoogd risico voor de volksgezondheid. Voor varkenshouderijen ligt de richtafstand op 200 meter. Voor pluimveehouderijen bedraagt deze 500 meter.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het houden van pluimvee en/of van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Wel worden varkens gehouden.
Binnen 200 meter van de locatie zijn gevoelige objecten (woningen van derden) gelegen. Daarmee moeten eventuele risico's voor de volksgezondheid in beeld worden gebracht. Echter zal de luchtwasser en het daarbij behorende luchtkanaal leiden tot een aanzienlijke vermindering van emissies vanuit de varkenshouderij van de initiatiefnemer. Daarnaast zal de gewijzigde plaatsing van de luchtwasser en het luchtkanaal leiden tot een betere en meer efficiënte werking daarvan, waardoor de emissie in vergelijking met de vergunde situatie verder zal afnemen. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen sprake zijn van een verhoogd risico ten aanzien van de volksgezondheid, maar juist van een vermindering van de risico's. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan het terugdringen van mogelijke risico's ten aanzien van de volksgezondheid als gevolg van de varkenshouderij ter plaatse.
Volgens het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) en de aanvullende studies daarop (VGO 2) blijkt dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven mogelijk een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of er een relatie is tussen de aanwezigheid van de geitenhouderijen en de gevallen van longontsteking. Tot die tijd dienen de effecten en risico's op het gebied van volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht wanneer er binnen 2 kilometer van een geitenhouderij een ontwikkeling plaatsvindt.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het houden van geiten. Daarnaast is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten.
Er is daarmee bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van geitenhouderijen.
De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen:
Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen:
Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen.
Omdat bij de voorgenomen ontwikkeling de geluidsbronnen anders komen te liggen dan in de vergunde situatie dient te worden bekeken of de normen uit de Wgh op omliggende gevoelige objecten mogelijk worden overschreden. Om dit nader te onderzoeken is door een akoestisch onderzoeksbureau een aanvullend onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt het volgende:
De onderzoeksresultaten zijn verwerkt in een notitie geluidhinder, waarvoor wordt verwezen naar bijlage 5 van deze onderbouwing.
Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de geluidsbelasting aan gevoelige objecten in de omgeving.
Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing. Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde). Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een woning of andere geluidsgevoelige bestemming. Hiermee kan verdere toetsing op het gebied van (spoor)wegverkeerslawaai achterwege blijven en kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van (spoor)wegverkeerslawaai.
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn:
Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. In de navolgende paragraaf worden beide begrippen verder uitgewerkt.
In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Deze begrippen zijn als volgt nader te omschrijven:
Plaatsgebonden risico:
Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.
Groepsrisico:
Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= '1'). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het projectgebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes.
Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording, zoals weergegeven in de tabel in figuur 7, nader uitgewerkt en toegelicht.
Figuur 7: Tabel wanneer verantwoording van het groepsrisico.
Bron: Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico.
Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.
Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer, Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', enz..
Overige wet- en regelgeving:
Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations'.
Voldaan wordt aan de in het activiteitenbesluit opgenomen veiligheidsafstanden. Zo is er in de nabijheid van de locatie geen opstelplaats van een gasdrukmeet- en regelstation gelegen en ook zijn er geen propaantanks tot en met 13 kubieke meter binnen de grootste bijbehorende veiligheidsafstand van 25 meter tot de locatie gelegen.
Toetsing aan de voorwaarden van de beleidsvisie en de normen uit overige wet- en regelgeving geeft dan ook geen belemmering voor het project.
Wanneer binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting een ruimtelijk besluit wordt genomen dan is een verantwoording van het groepsrisico nodig. De risicovolle inrichtingen zijn geïnventariseerd en in kaart gebracht in de Risicokaart van het Interprovinciaal Overleg (IPO). Zoals te zien in figuur 8 zijn nabij de locatie geen risicovolle inrichtingen gelegen.
Figuur 8: Uitsnede Risicokaart.
Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO).
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe risicovolle inrichtingen. Er is daarmee geen sprake van mogelijke risico's naar de omgeving.
Op grotere afstand van de locatie zijn enkele bedrijven geleden die zijn aangemerkt als risicovolle inrichting. Elk van deze bedrijven is aangemerkt als risicovolle inrichting omdat ter plaatse een propaantank aanwezig is. Voor propaantanks geldt dat het invloedsgebied gelijk is aan de risicocontour. De risicocontour van een propaantank is afhankelijk van de grootte en inhoud van de tank. De grootste risicocontour voor een propaantank bedraagt 25 meter. De betreffende bedrijven met de propaantanks zijn op aanzienlijk grotere afstand van de locatie gelegen, waarmee de locatie niet binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting is gelegen.
Met de voorgenomen ontwikkeling is daarmee geen sprake van een mogelijke belemmering ten aanzien van risicovolle inrichtingen.
Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het externe veiligheidsbeleid vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
In het Bevt en het Bevb zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico.
Op ongeveer 2,1 kilometer van de locatie is een buisleiding gelegen voor het transport van aardgas gelegen. Het invloedsgebied van een buisleiding is afhankelijk van de diameter van de leiding en de druk in de leiding. Daarbij bedraagt het grootste invloedsgebied maximaal 540 meter. De betreffende leiding is gelegen op een afstand van ongeveer 2,1 kilometer. De locatie is daarmee niet binnen het invloedsgebied van de betreffende leiding gelegen.
Op ongeveer 700 meter van de locatie ligt het Basisnet wegtraject: A67. Over dit traject worden onder andere gevaarlijke stoffen uit de categorie GT4 vervoerd. De stof GT4 heeft een invloedsgebied van ongeveer 4.000 meter. Derhalve ligt het projectgebied geheel binnen het invloedsgebied van het basisnet wegtraject. Omdat het projectgebied niet binnen 200 meter van de transportweg ligt kan, volgens artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transport, worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico voor het scenario Toxisch. Hierbij dient in te worden gegaan op de bestrijdbaarheid en de zelfredzaamheid van de personen in het projectgebied.
Een en ander is nader omschreven in de paragraaf "Groepsrisico" (paragraaf 4.1.6.3).
Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen.
De locatie is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Transport (spoor-, vaar- en autowegen) en
buisleidingen" (paragraaf 4.1.6.2), gelegen binnen het invloedsgebied van de autosnelweg A67. Voor deze weg is een toxische wolk het maatgevende scenario. Vanwege de ligging van de projectlocatie in het invloedsgebied van een risicobron waarvan een toxische wolk het maatgevende scenario is, dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hierbij is de Veiligheidsregio om advies gevraagd. Het advies is verwerkt in deze verantwoording.
Scenario('s):
Het relevante scenario voor het projectgebied in relatie tot het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk. Door bijvoorbeeld een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreid. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof.
Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit:
Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld.
De mogelijkheden tot zelfredzaamheid:
Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het projectgebied.
De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het projectgebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het projectgebied is beperkt.
Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren?
Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden.
Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het projectgebied:
Alarmering:
In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen.
Schuilmogelijkheden:
Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven. Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de projectlocatie. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden.
Vluchtmogelijkheden:
Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het projectgebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af.
Conclusie:
Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. Er is geen reden voor nader advies.
De veiligheidsregio ziet geen reden tot het geven van een nader advies ten aanzien van de zelfredzaamheid van personen binnen het projectgebied en de bestrijdbaarheid van een ramp op de wegen.
De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging.
Dit is echter vooral van belang wanneer inrichtingen worden opgericht waarbij gedurende een groot deel van de dag mensen zullen verblijven. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een inrichting waarin gedurende een groot deel van de dag mensen verblijven. Hiermee kan worden aangenomen dat de bodemgesteldheid ter plaatse geschikt is voor de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging.
Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig.
In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst uit de bijlage van het besluit en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt.
Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen:
In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten.
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een afwijking van het geldende bestemmingsplan ten behoeve van het anders plaatsen van een luchtwasser en luchtkanaal bij een varkenshouderij dan volgens de vergunning is toegestaan. Op termijn, bij een algehele herziening van het bestemmingsplan, zal hiervoor het huidige bouwvlak van vorm worden veranderd, zodat de maximale oppervlakte van het bouwvlak niet zal toenemen.
Vanuit de D-lijst uit de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is voor het aanbrengen van wijzigingen waarin dieren worden gehouden een m.e.r.-beoordeling nodig. De mate van beoordelen is afhankelijk van de in de D-lijst genoemde drempelwaarde. Voor het wijzigen van een inrichting waarin varkens worden gehouden geldt een drempelwaarde voor een toename met 2.000 mestvarkens en/of 750 zeugen en/of 3.750 gespeende biggen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een toename van het aantal gehouden dieren, waarmee geen sprake is van een overschrijding van de drempelwaarde.
Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten. De bijlage maakt onderscheid in de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. Hieronder wordt hier nader op ingegaan.
De voorgenomen ontwikkeling betreft een project van geringe omvang. Het aantal te houden dieren zal de drempelwaarden voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige omvang niet overschrijden. Er zijn geen andere projecten in de omgeving bekend die leiden tot cumulatieve effecten.
Er is binnen het project slechts gering sprake van gebruik van natuurlijke hulpbronnen. De productie van afvalstoffen beperkt zich tot een geringe hoeveelheid mest en/of reststoffen. Onevenredige verontreiniging en hinder is, gelet op de geringe bedrijfsomvang, ook niet te verwachten. Er worden enkel reguliere stoffen en technologieën gebruikt. Gelet hierop is er geen verhoogd risico op ongevallen.
De locatie is niet gelegen in een gebied dat, gelet op de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde kwetsbaar is voor een nieuwe kleinschalige invulling van een bestaand erf. Er zullen met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) en de paragraaf "Archeologie en cultuurhistorie" (paragraaf 4.3), geen natuurlijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden worden geschaad.
De potentiële effecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn zeer gering en lokaal. Zoals nader aangetoond in de paragrafen "Milieuzonering", "Geur", "Luchtkwaliteit", "Geluid", "Externe veiligheid" en "Bodem" (paragraaf 4.1.1 t/m 4.1.7) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een onevenredige hinder op het gebied van milieu. Daarnaast is, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) geen sprake van aantasting van natuurlijke en landschappelijke waarden.
Een uitzondering hierop vormt een eventuele toename van ammoniakemissie uit de dierverblijven en ammoniakdepositie op beschermde natuurgebieden in de omgeving. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een toename van het aantal gehouden dieren. Daarnaast wordt stal 5 emissiearm gemaakt. De emissie van ammoniak zal daarmee ten aanzien van de vergunde situatie afnemen, waarmee de depositie van stikstof op de beschermde natuurgebieden eveneens zal afnemen. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige effecten op beschermde natuurgebieden tot gevolg hebben. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Gebiedsbescherming" (paragraaf 4.2.1.1).
Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling die met dit project wordt mogelijk gemaakt in voldoende mate is afgewogen en geen nadelige effecten zijn te verwachten, waarmee de voorgenomen ontwikkeling niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang.
De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten.
Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming.
Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht. Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen.
Zoals te zien in figuur 9 is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Deurnsche Peel & Mariapeel) is gelegen op een afstand van ongeveer 6,3 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat een ruimtelijke ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied.
Figuur 9: Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden.
Bron: Aerius Calculator.
Bij de gewenste ontwikkeling is sprake van het anders plaatsen van een reeds vergunde luchtwasser en luchtkanaal. Ten aanzien van de huidige (vergunde) situatie is er geen sprake van een toename van de emissie van ammoniak en/of stikstofoxiden. Er is immers geen sprake van een toename van het aantal dieren en/of een toename van het aantal verkeersbewegingen. Met de aangepaste plaatsing zal de luchtwasser een betere werking hebben en een hoger rendement, waarmee de reductie van de ammoniakemissie groter zal zijn dan in de huidige (vergunde) situatie. Daarnaast zal stal 5 emissiearm worden uitgevoerd, waarmee de emissies vanuit deze stal zullen afnemen. Er is daarmee sprake van een afname van de uitstoot van ammoniak en stikstofoxiden. Daarmee zal de depositie van stikstof op de betreffende gebieden niet toenemen, maar juist verder afnemen. Om dit aan te tonen is middels het rekenprogramma Aerius Calculator een berekening uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn opgenomen in bijlage 6 bij deze onderbouwing.
Naast de depositie van stikstof zijn aspecten als licht, geluid en trillingen mogelijk van invloed op Natura 2000 gebieden. Bij de voorgenomen ontwikkeling vinden geen werkzaamheden plaats met een structurele uitstraling van licht, geluid en/of trillingen. De locatie is daarnaast dusdanig ver van de betreffende gebieden gelegen dat dergelijke effecten vanuit de locatie in de betreffende gebieden niet merkbaar zullen zijn.
Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad.
Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel.
Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die:
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.
De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben.
Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd.
De grond op de locatie bestaat voornamelijk uit landbouwgrond naast een agrarisch erf en is regelmatig in beroering. Hiermee is het aannemelijk dat zich binnen het projectgebied geen beschermde soorten planten bevinden.
Binnen het projectgebied is weinig tot geen opgaande beplanting aanwezig. Hiermee is ter plaatse onvoldoende gelegenheid voor dieren om zich te verschuilen en zijn onvoldoende voedselbronnen aanwezig. Hiermee is het aannemelijk dat zich binnen het projectgebied geen beschermde diersoorten zullen bevinden.
Binnen het projectgebied zijn geen broedplaatsen van vogels aanwezig. De werkzaamheden zullen daarnaast buiten het broedseizoen plaatsvinden.
Er zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van sloop van bebouwing en/of het dempen van sloten. Het is daarmee niet aannemelijk dat soorten worden geschaad die zich in bebouwing en/of sloten hebben gevestigd.
Op basis hiervan kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een mogelijke aantasting van (leefgebieden van) beschermde soorten flora en fauna.
Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op.
Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur.
Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen.
Zoals te zien in figuur 10 is de locatie niet in het NNN gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN-gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 10 meter.
Figuur 10: Uitsnede kaart NNN.
Bron: Provincie Limburg.
Gezien de locatie niet in het NNN is gelegen is geen nadere compensatie nodig. Gezien de korte afstand tot het NNN gebied is wel een nadere motivatie nodig dat het betreffende gebied niet onevenredig zal worden aangetast. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een zeer kleinschalige aanbouw van een luchtwasser en een luchtkanaal aan de bestaande stal. De ruimtelijke impact is daarmee zeer beperkt. De gewenste ontwikkeling zal daarmee geen nadelige effecten hebben op de structuur en de beleving van het betreffende gebied.
Daarnaast zal de voorgenomen ontwikkeling leiden tot een betere werking en een hoger rendement van de luchtwasser. Daarmee zal de emissie van mogelijk schadelijke stoffen voor het betreffende gebied nog verder worden verlaagd, wat een positief effect zal hebben op de betreffende gebieden.
Gezien het voorgaande zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het project de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg.
Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen en kent een emissiegerichte benadering voor heel Nederland met daarnaast aanvullend beleid ter bescherming van de (zeer) kwetsbare gebieden. Deze (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wav (Wav-gebieden) zijn gebieden die nadelige invloed kunnen ondervinden als de uitstoot van ammoniak op deze gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom deze gebieden aangewezen als buffer om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken.
Zoals te zien in figuur 11 is de locatie niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen gelegen.
Figuur 11: Uitsnede kaart Wav-gebieden.
Bron: Provincie Limburg.
Gezien de locatie niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen is gelegen zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van deze gebieden onevenredig worden aangetast.
Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden.
Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart en/of in dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.
De gemeente Horst aan de Maas heeft de archeologische verwachting opgenomen in dubbelbestemmingen in het geldende bestemmingsplan. Op de locatie is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6' van toepassing.
Ten aanzien van deze gebieden stelt de gemeente in haar beleid dat nader onderzoek nodig is bij ingrepen van meer dan 2.500 m² en dieper dan 50 centimeter onder maaiveld.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een ontwikkeling van meer dan 2.500 m² en dieper dan 50 centimeter onder maaiveld, waarmee aanvullend onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.
Hiermee zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijk voorkomende archeologische resten worden geschaad.
Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang.
De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd.
Zoals te zien in figuur 12 is de locatie in een gebied met enkele cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen.
Figuur 12: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart.
Bron: Provincie Limburg.
De bedrijfswoning is aangemerkt als een waardevol pand (MIP object). Het is van belang dat de historische waarde van het pand zoveel mogelijk behouden blijft. Bij de voorgenomen ontwikkeling vinden geen wijzigingen plaats aan de woning, waarmee de historische waarde ervan niet zal worden aangetast.
Nabij de locatie is een veldkruis aanwezig. Ook het aanwezige kruis zal met de voorgenomen ontwikkeling niet worden gewijzigd en/of worden aangetast. De ontwikkeling vindt van de van het betreffende kruis gekeerde zijde plaats. De waarde van het betreffende veldkruis zal daarmee niet onevenredig worden aangetast.
De locatie is gelegen in een cultuurlandschap. Het betreft een beekdal. Het beekdallandschap omvat die gronden die vanuit het natuurlijk fundament aangeduid worden als beekdal. Binnen deze kenmerkende beekdalen liggen verschillende soorten beken (beken met nog een natuurlijke loop, rechtgetrokken beken, aangelegd in moeraszones, in Maasmeanders, etc.). Daarnaast kan per beek een bovenloop, middenloop en een benedenloop onderscheiden worden. Belangrijker echter zijn de overeenkomsten tussen de verschillende beken in Noord- en Midden-Limburg. Dit is de bijzondere structurerende werking, met name binnen de dekzandgebieden tussen de Peel en de Maas. Hier liepen en lopen de belangrijkste beken met hun bijbehorende dalen en afzettingen.
Vanuit het groene karakter zijn in het beekdal de volgende kernkwaliteiten te onderscheiden:
Een belangrijke kwaliteit van dit landschapstype wordt gevormd door de doorgaande natte structuur, waardoor de beekdalen voor veel organismen functioneren als ecologische verbindingszone. Daarnaast vormen de vele gradiënten, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van oude geulen, maar vooral het hoogteverschil loodrecht op de beek van de lage beek naar de verder weg gelegen hogere gronden, een belangrijke kwaliteit. Met name de beekbegeleidende, veelal natte gronden zijn bijzonder. Deze gronden bestaan voornamelijk uit hooilanden, diverse moerastypen en moerasbossen.
Vanuit het visueel ruimtelijk karakter zijn in het beekdal de volgende kernkwaliteiten te onderscheiden:
De beekdalen zijn belangrijke structuurdragers van het landschap, met name op de zandgronden. Als gevolg van latere egaliseringen, ontwateringen en ontginningen zijn de beekdalen echter in veel gevallen nog nauwelijks herkenbaar. Een typisch beekdal wordt gekenmerkt door een overwegend halfopen kleinschalig landschap met afwisselend hooilanden, weilanden, bosjes en kleine landschapselementen. In het beekdal bevindt zich meestal weinig tot geen bebouwing. Daar waar de karakteristieke kleinschaligheid bewaard is gebleven, is het landschap visueel-ruimtelijk nog aantrekkelijk en waardevol.
Er worden drie typen beekdalen onderscheiden. Het halfopen kamertjes type, het besloten bostype en het open grazige type.
De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats aangrenzend aan een bestaand bouwperceel ter plaatse van een bestaand bedrijf. Het bebouwde oppervlak ter plaatse zal in vergelijking met de huidige (vergunde) situatie niet of nagenoeg niet toenemen. De impact op het landschap is daarmee nagenoeg nihil. Daarnaast wordt, zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), ter plaatse voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de landschappelijke kwaliteiten in het gebied.
De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarden van het cultuurlandschap.
Gezien het voorgaande zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen in de omgeving.
Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen.
De locatie is niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen. Gezien de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van aardkundige waarden.
Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Hazenhorstweg. De locatie is voorzien van een inrit welke aansluit op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden.
Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor personenauto's en vrachtwagens om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende personenauto's en/of vrachtwagens de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur.
In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Ook na realisatie van het project zal er op eigen terrein voldoende gelegenheid zijn voor zowel vracht- als personenauto's om te kunnen parkeren. Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is uitsluitend sprake van het op een andere plaats oprichten van een luchtwasser en een luchtkanaal dan volgens de vergunning is toegestaan. Er is geen sprake van wijzigingen in de bedrijfsvoering en/of het aantal dieren. Er is daarmee geen sprake van een gewijzigde situatie met betrekking tot verkeer. Het aantal verkeersbewegingen zal daardoor met de voorgenomen ontwikkeling niet toenemen in vergelijking met de huidige, vergunde situatie.
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden.
De locatie valt onder het werkgebied van het waterschap Limburg (hierna: het waterschap).
Het waterschap Peel en Maasvallei heeft ten aanzien van de watertoets een handboek opgesteld waarin het beleid ten aanzien van de waterhuishouding is omschreven en waarin de nomen voor de waterbergingscompensatie staan genoemd.
Het doel van de watertoets is te waarborgen dat water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing wordt genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen van zowel Rijk, provincies als gemeenten. Dit betekent in de praktijk dat in beeld gebracht dient te worden welke weg het water aflegt binnen een ruimtelijk plan. Hierbij is het doel 'waterneutraal bouwen in ruimte en tijd', waarvoor de initiatiefnemer verantwoordelijk is. De beoordeling van de waterhuishoudkundige relevantie vindt plaats voor zowel regionale wateren, grondwater, als rijkswateren en kan betrekking hebben op alle mogelijke wateraspecten.
Binnen een bestemmingsplanwijziging of bij een afwijking van het bestemmingsplan heeft het waterschap verschillende rollen, namelijk die van informateur, adviseur, controleur en vergunningverlener.
De voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidsuitgangspunten van het waterschap, mits deze in acht worden genomen bij de ontwikkeling.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een afwijking van het geldende bestemmingsplan ten behoeve van het op een andere plaats oprichten van een luchtwasser met luchtkanaal bij een varkenshouderij dan volgens de vergunning is toegestaan, waarmee de meest optimale werking en het hoogste rendement van de luchtwasser kan worden behaald. In een latere procedure, bij een algehele herziening van het geldende bestemmingsplan, zal het bouwvlak van vorm worden veranderd zodat de maximale oppervlakte van het bouwvlak, en daarmee het bebouwd oppervlak, niet zal toenemen.
De luchtwasser met luchtkanaal is reeds vergund, maar op een andere plaats. In vergelijking met de vergunde situatie zal geen sprake zijn van een toename van het verhard oppervlak.
Afkoppeling van het hemelwater vindt plaats middels een gescheiden stelsel. Hierbij wordt het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten afgevoerd naar bestaande infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen.
Bij een ruimtelijke ontwikkeling is het van belang dat hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld.
Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie). Voor de mate van compensatie hanteert het waterschap de volgende richtlijnen:
Het waterschap maakt onderscheid in een situatie voor maatgevende buien eens in de 10 jaar (T=10) en eens in de 100 jaar (T=100). Bij een situatie T=10 dient de buffer 44 millimeter groot te zijn. Bij een situatie T=100 moet de buffer 100 millimeter bedragen.
Een situatie T=100 is een uitzonderlijke situatie waarbij het terrein gedurende één dag onder water mag staan (inundatie). Voorwaarde hierbij is dat de situatie geen overlast aan de omliggende percelen mag veroorzaken.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het verhard oppervlak niet toenemen. Hiermee is geen aanvullende compensatie vereist en zal met de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.
Omdat het bouwvlak pas op termijn in een latere procedure van vorm wordt veranderd is met de voorgenomen ontwikkeling bij de aangevraagde afwijking in feite sprake van een (beperkte) toename van het verhard oppervlak. Derhalve dient te worden aangegeven hoe wordt omgegaan met het hemelwater dat versneld afstroomt als gevolg van deze toename. De totale oppervlakte van de gewijzigde luchtwasser en het gewijzigde luchtkanaal bedraagt ongeveer 363 m². Dit houdt in dat ongeveer 16 m³ aan compenserende waterberging nodig is of dat dit hemelwater wordt geïnfiltreerd in de bodem. Dit is verder uitgewerkt in de paragraaf "Compenserende waterberging" (paragraaf 4.5.2).
Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken worden:
De locatie is voorzien van riolering, waar het afvalwater van de bedrijfswoning op wordt geloosd. Het bedrijfsafvalwater (afvalwater, reinigingswater stallen en het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard) wordt opgevangen in de binnen de inrichting aanwezige mestkelders onder de stallen. De mestkelders beschikken over voldoende capaciteit hiervoor. In de voorgenomen activiteit wordt geen afvalwater geloosd. Al het opgevangen afvalwater wordt tegelijk met de mest afgevoerd en verwerkt.
Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de waterhuishouding ter plaatse.
Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak bij ruimtelijke ontwikkelingen dient compenserende waterberging plaats te vinden om wateroverlast te voorkomen. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Voorgenomen activiteit" (paragraaf 4.5.1) is voor de voorgenomen ontwikkeling ongeveer 16 m³ aan compenserende waterberging nodig.
Aan de noordzijde van de locatie is op het perceel van de initiatiefnemer reeds een wadi gelegen. Het hemelwater afkomstig van de nieuwe bebouwing stroomt hierop af. Deze wadi biedt ruim voldoende capaciteit om de volledige bedrijfssituatie, inclusief de nieuwe bebouwing, te kunnen bergen in de situatie T=10. Voor de situatie T=100 of andere extreme buien zal de wadi mogelijk deels overstromen. Het hemelwater kan dan echter op de eigen gronden van de initiatiefnemer inunderen en op die manier in de bodem infiltreren.
Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van projectkosten zeker te stellen.
Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeente een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro zijn deze bouwplannen nader omschreven:
" Artikel 6.2.1
Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor:
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een in het betreffende artikel genoemde bouwplan, waarmee geen exploitatieplan nodig is.
Kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure zijn daarnaast voor rekening van de initiatiefnemer. Gemaakte kosten door de gemeente worden middels het heffen van leges op de initiatiefnemer verhaald, zoals is opgenomen in de legesverordening van de gemeente Horst aan de Maas.
Hiermee kan worden gesteld dat het project financieel haalbaar wordt geacht.
Het voorliggend project betreft een afwijking met omgevingsvergunning op de bepalingen uit het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas" van gemeente Horst aan de Maas conform de procedure zoals is opgenomen in artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
In het kader van deze procedure wordt de ontwerp omgevingsvergunning voor eenieder ter inzage gelegd. Tijdens deze terinzage termijn wordt eenieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen. Wanneer het besluit en de vergunning met bijbehorende onderbouwing ter inzage ligt wordt gepubliceerd op de gebruikelijke wijze.
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is, in het kader van een goede maatschappelijke uitvoerbaarheid, een dialoog met omwonenden en belanghebbenden gehouden. Daarbij zijn omwonenden en belanghebbenden op de hoogte gesteld van het voorgenomen initiatief en in de gelegenheid gesteld eventuele verbeterpunten kenbaar te maken. Tijdens een informatiebijeenkomst zijn door enkele van de omwonenden vragen gesteld. Deze zijn door de initiatiefnemer en diens adviseur zo goed mogelijk beantwoord. Vooralsnog heeft na de bijeenkomst geen van de omwonenden aangegeven bezwaren te hebben tegen het voorgenomen initiatief.
In het kader van een goede dialoog is van de gehouden bijeenkomst een verslag gemaakt. Dit verslag is naar alle aanwezigen en genodigden die zich hadden afgemeld toegezonden. Op het verslag zijn drie reacties binnen gekomen.
Naar aanleiding van de ingekomen reacties op het verslag is een aangepast verslag gemaakt. Hierbij zijn de reacties van de aanwezigen en genodigden, zoals in het voorgaande omschreven, opgenomen en verwerkt, waarbij eveneens is aangegeven hoe met elke vraag en opmerking is omgegaan. Hiervoor wordt verwezen naar bijlage 7 van deze onderbouwing. Vanuit privacy overwegingen zijn de persoonsgegevens in het verslag en de reacties daarop onherkenbaar gemaakt.
Een bestemmingsplan en/of een omgevingsvergunning is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in de omgevingsvergunning ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Horst aan de Maas vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen.
Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van een ruimtelijk project heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet. Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van een bestemmingsplan of een vrijstelling.