Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Ruttenweg 3, Horst
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1507.HORUTTENWEG3-BPV1

Regels

 
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de ontwikkeling op de locatie ‘Ruttenweg 3, Horst’ en is als nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22s) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl.Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22s van het omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord ‘Artikel’, na de spatie en direct voor het artikel nummer ‘22s’ gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct na voor het nummer van de bijlage ‘22s’ gelezen worden.
 
1 Algemene bepalingen
Artikel 1 Begripsbepalingen
 
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:
 
1.1 Begripsbepalingen
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk;
 
1.2 Plan
het TAM-omgevingsplan ‘Ruttenweg 3, Horst’ met identificatienummer NL.IMRO.1507.HORUTTENWEG3.BPV1 van de gemeente Horst aan de Maas.
 
1.3 Gewasbeschermingsmiddelen
gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU 2009, L 309);
Artikel 2 Toepassingsbereik
 
2.1 Verhouding ruimtelijke regels omgevingsplan tijdelijk deel
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
 
2.2 Verhouding met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege (bruidsschat)
De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
 
2.3 Geometrische afbakening reikwijdte TAM-omgevingsplan
De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie ‘Ruttenweg 3, Horst’, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1507.HORUTTENWEG3.BPV1 zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
 
De meet- en rekenbepalingen, in aanvulling op a bedoeld in artikel 22.24 van dit omgevingsplan, en de volgende meet- en rekeningbepalingen en zijn overeenkomstige toepassing op het meten van waarden die in dit hoofdstuk in m, m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 3.1 tot en met 3.7.
 
3.1 Dakhelling
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
 
3.2 De goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen
constructiedeel.
 
3.3 De inhoud van een bouwwerk
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de
scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
 
3.4 De bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met
uitzondering van onderschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te
stellen bouwonderdelen.
 
3.5 De oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op
het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 
3.6 Afstand tot de bouwperceelsgrens
Tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.
 
3.7 Ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk
Vanaf het bouwkundig peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
2 Functies en activiteiten
Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod
 
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toebedeelde functies en activiteiten.
Artikel 5 Natuur
 
5.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Natuur’.
 
5.2 Functieomschrijving
Een als ‘Natuur’ aangewezen locatie heeft de volgende functies:
  1. Het behoud, de bescherming, de ontwikkeling en/of het herstel van desbetreffende cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijkwaarden ter plaatse van de aanduidingen zoals zijn opgenomen in artikel 11.1 en het inrichtingsplan, zoals opgenomen in bijlage 1;
  2. bescherming van aardkundige waarden;
  3. extensief dagrecreatief medegebruik;
met de daarbij behorende:
  1. bestaande parkeer- en verkeersvoorzieningen;
  2. bestaande voorzieningen van openbaar nut;
  3. bestaande water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder bergbezinkbassins.
 
5.3 Bouwactiviteiten
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende regels:
 
5.3.1 Algemeen
Voor het bouwen gelden de volgende regels:
  1. Op de gronden als bedoeld in artikel 5.1 mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de functie worden gebouwd, in de vorm van:
    1. Bankjes, picknicktafel, afvalemmers, bewegwijzering en dergelijke;
    2. Open afrasteringen;
    3. Voederbergingen of voederruiven voor wild;
    4. Hoogzitten
 
5.3.2 Bouwhoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde
In aanvulling op artikel 22.27 en 22.36 gelden de volgende regels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
De maatvoering voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde is als volgt:
 
Bouwhoogte bouwwerk, geen gebouwen zijnde
Min.
Max.
Hoogzit
n.v.t.
3,5 m
Erf- en terreinafscheidingen
n.v.t.
1 m
Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde
n.v.t.
2 m
Inhoud voederberging of voerruif voor wild
n.v.t.
3 m³
   
5.4 Specifieke functieregels
 
5.4.1 Strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval begrepen het gebruik van gronden voor:
  • Agrarische doeleinden, tenzij voorzover dat ten dienste staat van de instandhouden of ontwikkeling van de natuurwaarden.
 
5.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
Het bepaalde in artikel 15 is van toepassing.
 
Artikel 6 Waarde - Archeologie 2
 
6.1 Functieomschrijving
De voor ‘Waarde – Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede aangewezen voor instandhouding en bescherming van oudheidkundig waardevolle elementen en terreinen.
 
6.2 Bouwen
 
6.2.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten in ‘Waarde – Archeologie 2’.
 
6.2.2 Uitzonderingen
In afwijking van artikel 6.2.1 (vergunningsplicht) geldt geen vergunningsplicht voor een bouwactiviteit indien de aanvraag betrekking heeft op:
  1. de vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte op of onder het maaiveld niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  2. een bouwactiviteit die betrekking hebben op een of meer bouwwerken waarvan de totale te bebouwen oppervlakte kleiner is dan 100 m²; of
  3. een bouwactiviteit waarvan de graafwerkzaamheden of bodemverstoring niet dieper reiken dan een diepte van 30 cm.
  4. een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd, waarvan de bouwhoogte maximaal 3,00 m mag bedragen.
 
6.2.3 Beoordelingsregels
  1. Een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit in ‘Waarde – Archeologie 2’ wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
    1. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    2. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
    3. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  2. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
 
6.2.4 Aanvraagvereisten
  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in ‘Waarde – Archeologie 2’ worden, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waarin de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op:
      1. een bureauonderzoek;
      2. zo nodig een booronderzoek; en
      3. zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; en
      4. zo nodig een opgraving;
    2. funderingstekeningen, waaruit de omvang en de diepte van de samenhangende bodemverstoringen blijken als gevolg van de bouwactiviteit;
    3. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving;
    4. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor het booronderzoek;
    5. als sprake is van een archeologische (verwachtings)waarde onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
  2. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; of
    2. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.
 
6.3 Uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
6.3.1 Vergunningplicht
Het is verboden op of in de voor ‘Waarde – Archeologie 2' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden te verrichten:
  1. het afgraven van gronden;
  2. het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
  3. het uitvoeren van andere grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  4. het aanleggen en onderhouden van infrastructurele werken, zoals (spoor)wegen, tunnels, viaducten, rioleringen;
  5. het aanbrengen, verwijderen of verleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  6. het uitvoeren van inrichtingswerkzaamheden;
  7. het verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  8. het aanleggen, (ver)graven, verruimen, dempen of herprofileren van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
  9. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap;
  10. het baggeren, waaronder begrepen saneren en onderzuigen;
  11. het uitvoeren van werkzaamheden aan oevers en kaden;
  12. het aanplanten of verwijderen van diepwortelende bomen, hakhout en andere houtopstanden;
  13. winnen van grondstoffen;
  14. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem.
 
6.3.2 Uitzonderingen
  1. In afwijking van artikel 6.3.1 (vergunningsplicht) geldt geen vergunningsplicht voor werken of werkzaamheden:
    1. die worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud;
    2. die worden uitgevoerd binnen de bestaande diepte en oppervlakte van een bestaand cunet van een weg of leiding; of
    3. die worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek volgens een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen of, in geval van een booronderzoek, plan van aanpak.
  2. In aanvulling op het eerste lid geldt ook geen vergunningplicht als:
    1. de aanvraag betrekking heeft op een of meer werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden waarvan de totale oppervlakte kleiner is dan 100 m2; of
    2. de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden plaatsvinden op een diepte van niet meer dan 30 cm ten opzichte van het maaiveld.
 
6.3.3 Beoordelingsregels
  1. Omgevingsvergunning voor de werken en werkzaamheden in ‘Waarde – Archeologie 2’ wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
    1. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    2. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
    3. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  2. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
 
6.3.4 Aanvraagvereisten
  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een werk, geen bouwwerk zijnde, of bouwwerk in ‘Waarde – Archeologie 2’ worden, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een omschrijving van de aard van het werk, geen bouwwerk zijnde, of de werkzaamheid, met vermelding van:
      1. de omvang in vierkante meters; en
      2. de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld;
    2. een topografische kaart voorzien van een noordpijl en ten minste twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit;
    3. doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld;
    4. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waarin de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op
      1. een bureauonderzoek;
      2. zo nodig een booronderzoek; en
      3. zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; en
      4. zo nodig een opgraving
    5. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving; en
    6. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor een booronderzoek; en
    7. als sprake is van een (te verwachten) archeologisch monument onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
  2. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een bestek of werkomschrijving met bijbehorende tekeningen;
    2. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; of
    3. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.
 
6.4 Slopen
 
6.4.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten in ‘Waarde – Archeologie 2’.
 
6.4.2 Uitzonderingen
  1. In afwijking van artikel 6.4.1(vergunningplicht) geldt geen vergunningplicht voor een sloopactiviteit waarbij de oppervlakte onder maaiveld niet wordt verstoord.
  2. In aanvulling op het eerste lid geldt ook geen vergunningplicht op de locatie ‘Waarde - Archeologie 2’ als:
    1. de aanvraag betrekking heeft op het slopen van een of meer bouwwerken waarvan de totale oppervlakte kleiner is dan 100 m2; of
    2. een sloopactiviteit plaatsvind op een diepte van niet meer dan 30 cm ten opzichte van het maaiveld.
 
6.4.3 Beoordelingsregels
  1. Omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in ‘Waarde – Archeologie 2’ wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
    1. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    2. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
    3. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  2. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ
 
6.4.4 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in ‘Waarde – Archeologie 2’ worden aanvullend op het bepaalde in artikel 6.4.1 (vergunningsplicht) de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
  1. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waaruit de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, in voldoende mate blijkt; en
  2. voor zover deze beschikbaar zijn: bestaande funderingstekeningen, waaruit de omvang en de diepte van de samenhangende bodemverstoringen blijken als gevolg van de sloopactiviteit.
 
6.5 Voorschriften aan vergunning
  1. Het bevoegd gezag kan de volgende voorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van activiteiten, als bedoeld in 6.2, 6.3 en 6.4 (bouwen, werken en werkzaamheden, slopen) in een gebied met ‘Waarde – Archeologie 2’ in het belang van de archeologische monumentenzorg, die inhouden een plicht tot:
    1. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in situ kunnen worden behouden;
    2. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
    3. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;
    4. indien sub c van toepassing is, een regeling omtrent de gevolgen bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
    5. het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet;
    6. het binnen een bepaalde termijn starten van werkzaamheden;
    7. het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
    8. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
    9. het tijdig voor aanvang van werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; en
    10. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming met de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of van een programma van eisen.
  2. De voorschriften als bedoeld in het derde lid, onder a, kunnen worden gesteld over de wijze van slopen.
 
Artikel 7 Waarde - Archeologie 3
 
7.1 Functieomschrijving
De voor ‘Waarde – Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede aangewezen voor instandhouding en bescherming van oudheidkundig waardevolle elementen en terreinen.
 
7.2 Bouwen
 
7.2.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten in ‘Waarde – Archeologie 3’.
 
7.2.2 Uitzonderingen
In afwijking van artikel 7.2.1 (vergunningsplicht) geldt geen vergunningsplicht voor een bouwactiviteit indien de aanvraag betrekking heeft op:
  1. de vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte op of onder het maaiveld niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  2. een bouwactiviteit die betrekking hebben op een of meer bouwwerken waarvan de totale te bebouwen oppervlakte kleiner is dan 500 m²; of
  3. een bouwactiviteit waarvan de graafwerkzaamheden of bodemverstoring niet dieper reiken dan een diepte van 40 cm.
  4. een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd, waarvan de bouwhoogte maximaal 3,00 m mag bedragen.
 
7.2.3 Beoordelingsregels
  1. Een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit in ‘Waarde – Archeologie 3’ wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
    1. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    2. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
    3. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  2. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
 
7.2.4 Aanvraagvereisten
  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in ‘Waarde – Archeologie 3’ worden, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waarin de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op:
      1. een bureauonderzoek;
      2. zo nodig een booronderzoek; en
      3. zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; en
      4. zo nodig een opgraving;
    2. funderingstekeningen, waaruit de omvang en de diepte van de samenhangende bodemverstoringen blijken als gevolg van de bouwactiviteit;
    3. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving;
    4. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor het booronderzoek;
    5. als sprake is van een archeologische (verwachtings)waarde onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
  2. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; of
    2. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.
 
7.3 Uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
7.3.1 Vergunningplicht
Het is verboden op of in de voor ‘Waarde – Archeologie 3' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden te verrichten:
  1. het afgraven van gronden;
  2. het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
  3. het uitvoeren van andere grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  4. het aanleggen en onderhouden van infrastructurele werken, zoals (spoor)wegen, tunnels, viaducten, rioleringen;
  5. het aanbrengen, verwijderen of verleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  6. het uitvoeren van inrichtingswerkzaamheden;
  7. het verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  8. het aanleggen, (ver)graven, verruimen, dempen of herprofileren van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
  9. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap;
  10. het baggeren, waaronder begrepen saneren en onderzuigen;
  11. het uitvoeren van werkzaamheden aan oevers en kaden;
  12. het aanplanten of verwijderen van diepwortelende bomen, hakhout en andere houtopstanden;
  13. winnen van grondstoffen;
  14. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem.
 
7.3.2 Uitzonderingen
  1. In afwijking van artikel 7.3.1 (vergunningsplicht) geldt geen vergunningsplicht voor werken of werkzaamheden:
    1. die worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud;
    2. die worden uitgevoerd binnen de bestaande diepte en oppervlakte van een bestaand cunet van een weg of leiding; of
    3. die worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek volgens een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen of, in geval van een booronderzoek, plan van aanpak.
  2. In aanvulling op het eerste lid geldt ook geen vergunningplicht als:
    1. de aanvraag betrekking heeft op een of meer werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden waarvan de totale oppervlakte kleiner is dan 500 m2; of
    2. de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden plaatsvinden op een diepte van niet meer dan 40 cm ten opzichte van het maaiveld.
 
7.3.3 Beoordelingsregels
  1. Omgevingsvergunning voor de werken en werkzaamheden in ‘Waarde – Archeologie 3’ wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
    1. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    2. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
    3. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  2. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
 
7.3.4 Aanvraagvereisten
  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een werk, geen bouwwerk zijnde, of bouwwerk in ‘Waarde – Archeologie 3’ worden, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een omschrijving van de aard van het werk, geen bouwwerk zijnde, of de werkzaamheid, met vermelding van:
      1. de omvang in vierkante meters; en
      2. de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld;
    2. een topografische kaart voorzien van een noordpijl en ten minste twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit;
    3. doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld;
    4. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waarin de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op
      1. een bureauonderzoek;
      2. zo nodig een booronderzoek; en
      3. zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; en
      4. zo nodig een opgraving
    5. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving; en
    6. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor een booronderzoek; en
    7. als sprake is van een (te verwachten) archeologisch monument onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
  2. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een bestek of werkomschrijving met bijbehorende tekeningen;
    2. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; of
    3. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.
 
7.4 Slopen
 
7.4.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten in ‘Waarde – Archeologie 3’.
 
7.4.2 Uitzonderingen
  1. In afwijking van artikel 7.4.1(vergunningplicht) geldt geen vergunningplicht voor een sloopactiviteit waarbij de oppervlakte onder maaiveld niet wordt verstoord.
  2. In aanvulling op het eerste lid geldt ook geen vergunningplicht op de locatie ‘Waarde - Archeologie 3’ als:
    1. de aanvraag betrekking heeft op het slopen van een of meer bouwwerken waarvan de totale oppervlakte kleiner is dan 500 m2; of
    2. een sloopactiviteit plaatsvind op een diepte van niet meer dan 40 cm ten opzichte van het maaiveld.
 
7.4.3 Beoordelingsregels
  1. Omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in ‘Waarde – Archeologie 3’ wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
    1. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    2. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
    3. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  2. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ
 
7.4.4 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in ‘Waarde – Archeologie 3’ worden aanvullend op het bepaalde in artikel 7.4.1 (vergunningsplicht) de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
  1. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waaruit de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, in voldoende mate blijkt; en
  2. voor zover deze beschikbaar zijn: bestaande funderingstekeningen, waaruit de omvang en de diepte van de samenhangende bodemverstoringen blijken als gevolg van de sloopactiviteit.
 
7.5 Voorschriften aan vergunning
  1. Het bevoegd gezag kan de volgende voorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van activiteiten, als bedoeld in 7.2, 7.3 en 7.4 (bouwen, werken en werkzaamheden, slopen) in een gebied met ‘Waarde – Archeologie 3’ in het belang van de archeologische monumentenzorg, die inhouden een plicht tot:
    1. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in situ kunnen worden behouden;
    2. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
    3. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;
    4. indien sub c van toepassing is, een regeling omtrent de gevolgen bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
    5. het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet;
    6. het binnen een bepaalde termijn starten van werkzaamheden;
    7. het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
    8. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
    9. het tijdig voor aanvang van werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; en
    10. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming met de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of van een programma van eisen.
  2. De voorschriften als bedoeld in het derde lid, onder a, kunnen worden gesteld over de wijze van slopen.
 
Artikel 8 Waarde - Archeologie 4
 
8.1 Functieomschrijving
De voor ‘Waarde – Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede aangewezen voor instandhouding en bescherming van oudheidkundig waardevolle elementen en terreinen.
 
8.2 Bouwen
 
8.2.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten in ‘Waarde – Archeologie 3’.
 
8.2.2 Uitzonderingen
In afwijking van artikel 8.2.1 (vergunningsplicht) geldt geen vergunningsplicht voor een bouwactiviteit indien de aanvraag betrekking heeft op:
  1. de vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte op of onder het maaiveld niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  2. een bouwactiviteit die betrekking hebben op een of meer bouwwerken waarvan de totale te bebouwen oppervlakte kleiner is dan 2.500 m²; of
  3. een bouwactiviteit waarvan de graafwerkzaamheden of bodemverstoring niet dieper reiken dan een diepte van 40 cm.
  4. een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd, waarvan de bouwhoogte maximaal 3,00 m mag bedragen.
 
8.2.3 Beoordelingsregels
  1. Een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit in ‘Waarde – Archeologie 4’ wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
    1. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    2. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
    3. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  2. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
 
8.2.4 Aanvraagvereisten
  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in ‘Waarde – Archeologie 4’ worden, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waarin de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op:
      1. een bureauonderzoek;
      2. zo nodig een booronderzoek; en
      3. zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; en
      4. zo nodig een opgraving;
    2. funderingstekeningen, waaruit de omvang en de diepte van de samenhangende bodemverstoringen blijken als gevolg van de bouwactiviteit;
    3. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving;
    4. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor het booronderzoek;
    5. als sprake is van een archeologische (verwachtings)waarde onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
  2. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; of
    2. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.
 
8.3 Uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
8.3.1 Vergunningplicht
Het is verboden op of in de voor ‘Waarde – Archeologie 4' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden te verrichten:
  1. het afgraven van gronden;
  2. het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
  3. het uitvoeren van andere grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  4. het aanleggen en onderhouden van infrastructurele werken, zoals (spoor)wegen, tunnels, viaducten, rioleringen;
  5. het aanbrengen, verwijderen of verleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  6. het uitvoeren van inrichtingswerkzaamheden;
  7. het verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  8. het aanleggen, (ver)graven, verruimen, dempen of herprofileren van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
  9. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap;
  10. het baggeren, waaronder begrepen saneren en onderzuigen;
  11. het uitvoeren van werkzaamheden aan oevers en kaden;
  12. het aanplanten of verwijderen van diepwortelende bomen, hakhout en andere houtopstanden;
  13. winnen van grondstoffen;
  14. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem.
 
8.3.2 Uitzonderingen
  1. In afwijking van artikel 8.3.1 (vergunningsplicht) geldt geen vergunningsplicht voor werken of werkzaamheden:
    1. die worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud;
    2. die worden uitgevoerd binnen de bestaande diepte en oppervlakte van een bestaand cunet van een weg of leiding; of
    3. die worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek volgens een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen of, in geval van een booronderzoek, plan van aanpak.
  2. In aanvulling op het eerste lid geldt ook geen vergunningplicht als:
    1. de aanvraag betrekking heeft op een of meer werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden waarvan de totale oppervlakte kleiner is dan 2.500 m2; of
    2. de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden plaatsvinden op een diepte van niet meer dan 40 cm ten opzichte van het maaiveld.
 
8.3.3 Beoordelingsregels
  1. Omgevingsvergunning voor de werken en werkzaamheden in ‘Waarde – Archeologie 4’ wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
    1. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    2. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
    3. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  2. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
 
8.3.4 Aanvraagvereisten
  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een werk, geen bouwwerk zijnde, of bouwwerk in ‘Waarde – Archeologie 4’ worden, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een omschrijving van de aard van het werk, geen bouwwerk zijnde, of de werkzaamheid, met vermelding van:
      1. de omvang in vierkante meters; en
      2. de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld;
    2. een topografische kaart voorzien van een noordpijl en ten minste twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit;
    3. doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld;
    4. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waarin de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op
      1. een bureauonderzoek;
      2. zo nodig een booronderzoek; en
      3. zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; en
      4. zo nodig een opgraving
    5. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving; en
    6. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor een booronderzoek; en
    7. als sprake is van een (te verwachten) archeologisch monument onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
  2. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een bestek of werkomschrijving met bijbehorende tekeningen;
    2. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; of
    3. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.
 
8.4 Slopen
 
8.4.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten in ‘Waarde – Archeologie 4’.
 
8.4.2 Uitzonderingen
  1. In afwijking van artikel 8.4.1(vergunningplicht) geldt geen vergunningplicht voor een sloopactiviteit waarbij de oppervlakte onder maaiveld niet wordt verstoord.
  2. In aanvulling op het eerste lid geldt ook geen vergunningplicht op de locatie ‘Waarde - Archeologie 4’ als:
    1. de aanvraag betrekking heeft op het slopen van een of meer bouwwerken waarvan de totale oppervlakte kleiner is dan 2.500 m2; of
    2. een sloopactiviteit plaatsvind op een diepte van niet meer dan 40 cm ten opzichte van het maaiveld.
 
8.4.3 Beoordelingsregels
  1. Omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in ‘Waarde – Archeologie 4’ wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
    1. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    2. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
    3. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  2. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ
 
8.4.4 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in ‘Waarde – Archeologie 4’ worden aanvullend op het bepaalde in artikel 8.4.1 (vergunningsplicht) de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
  1. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waaruit de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, in voldoende mate blijkt; en
  2. voor zover deze beschikbaar zijn: bestaande funderingstekeningen, waaruit de omvang en de diepte van de samenhangende bodemverstoringen blijken als gevolg van de sloopactiviteit.
 
8.5 Voorschriften aan vergunning
  1. Het bevoegd gezag kan de volgende voorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van activiteiten, als bedoeld in 8.2, 8.3 en 8.4 (bouwen, werken en werkzaamheden, slopen) in een gebied met ‘Waarde – Archeologie 4’ in het belang van de archeologische monumentenzorg, die inhouden een plicht tot:
    1. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in situ kunnen worden behouden;
    2. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
    3. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;
    4. indien sub c van toepassing is, een regeling omtrent de gevolgen bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
    5. het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet;
    6. het binnen een bepaalde termijn starten van werkzaamheden;
    7. het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
    8. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
    9. het tijdig voor aanvang van werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; en
    10. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming met de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of van een programma van eisen.
  2. De voorschriften als bedoeld in het derde lid, onder a, kunnen worden gesteld over de wijze van slopen.
 
Artikel 9 Waarde - Archeologie 6
 
9.1 Functieomschrijving
De voor ‘Waarde – Archeologie 6' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede aangewezen voor instandhouding en bescherming van oudheidkundig waardevolle elementen en terreinen.
 
9.2 Bouwen
 
9.2.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten in ‘Waarde – Archeologie 6’.
 
9.2.2 Uitzonderingen
In afwijking van artikel 9.2.1 (vergunningsplicht) geldt geen vergunningsplicht voor een bouwactiviteit indien de aanvraag betrekking heeft op:
  1. de vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte op of onder het maaiveld niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  2. een bouwactiviteit die betrekking hebben op een of meer bouwwerken waarvan de totale te bebouwen oppervlakte kleiner is dan 10.000 m²; of
  3. een bouwactiviteit waarvan de graafwerkzaamheden of bodemverstoring niet dieper reiken dan een diepte van 40 cm.
  4. een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd, waarvan de bouwhoogte maximaal 3,00 m mag bedragen.
 
9.2.3 Beoordelingsregels
  1. Een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit in ‘Waarde – Archeologie 6’ wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
    1. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    2. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
    3. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  2. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
 
9.2.4 Aanvraagvereisten
  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in ‘Waarde – Archeologie 6’ worden, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waarin de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op:
      1. een bureauonderzoek;
      2. zo nodig een booronderzoek; en
      3. zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; en
      4. zo nodig een opgraving;
  2. funderingstekeningen, waaruit de omvang en de diepte van de samenhangende bodemverstoringen blijken als gevolg van de bouwactiviteit;
  3. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving;
  4. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor het booronderzoek;
  5. als sprake is van een archeologische (verwachtings)waarde onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
  6. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; of
    2. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.
 
9.3 Uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
9.3.1 Vergunningplicht
Het is verboden op of in de voor ‘Waarde – Archeologie 6' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden te verrichten:
  1. het afgraven van gronden;
  2. het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
  3. het uitvoeren van andere grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  4. het aanleggen en onderhouden van infrastructurele werken, zoals (spoor)wegen, tunnels, viaducten, rioleringen;
  5. het aanbrengen, verwijderen of verleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  6. het uitvoeren van inrichtingswerkzaamheden;
  7. het verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  8. het aanleggen, (ver)graven, verruimen, dempen of herprofileren van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
  9. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap;
  10. het baggeren, waaronder begrepen saneren en onderzuigen;
  11. het uitvoeren van werkzaamheden aan oevers en kaden;
  12. het aanplanten of verwijderen van diepwortelende bomen, hakhout en andere houtopstanden;
  13. winnen van grondstoffen;
  14. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem.
 
9.3.2 Uitzonderingen
  1. In afwijking van artikel 9.3.1 (vergunningsplicht) geldt geen vergunningsplicht voor werken of werkzaamheden:
  2. die worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud;
  3. die worden uitgevoerd binnen de bestaande diepte en oppervlakte van een bestaand cunet van een weg of leiding; of
  4. die worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek volgens een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen of, in geval van een booronderzoek, plan van aanpak.
  5. In aanvulling op het eerste lid geldt ook geen vergunningplicht als:
    1. de aanvraag betrekking heeft op een of meer werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden waarvan de totale oppervlakte kleiner is dan 10.000 m2; of
    2. de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden plaatsvinden op een diepte van niet meer dan 40 cm ten opzichte van het maaiveld.
 
9.3.3 Beoordelingsregels
  1. Omgevingsvergunning voor de werken en werkzaamheden in ‘Waarde – Archeologie 6’ wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
    1. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    2. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
    3. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  2. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
 
9.3.4 Aanvraagvereisten
  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een werk, geen bouwwerk zijnde, of bouwwerk in ‘Waarde – Archeologie 6’ worden, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een omschrijving van de aard van het werk, geen bouwwerk zijnde, of de werkzaamheid, met vermelding van:
      1. de omvang in vierkante meters; en
      2. de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld;
    2. een topografische kaart voorzien van een noordpijl en ten minste twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit;
    3. doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld;
    4. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waarin de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op
      1. een bureauonderzoek;
      2. zo nodig een booronderzoek; en
      3. zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; en
      4. zo nodig een opgraving
    5. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving; en
    6. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor een booronderzoek; en
    7. als sprake is van een (te verwachten) archeologisch monument onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
  2. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een bestek of werkomschrijving met bijbehorende tekeningen;
    2. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; of
    3. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.
 
9.4 Slopen
 
9.4.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten in ‘Waarde – Archeologie 6’.
 
9.4.2 Uitzonderingen
  1. In afwijking van artikel 9.4.1(vergunningplicht) geldt geen vergunningplicht voor een sloopactiviteit waarbij de oppervlakte onder maaiveld niet wordt verstoord.
  2. In aanvulling op het eerste lid geldt ook geen vergunningplicht op de locatie ‘Waarde - Archeologie 6’ als:
    1. de aanvraag betrekking heeft op het slopen van een of meer bouwwerken waarvan de totale oppervlakte kleiner is dan 10.000 m2; of
    2. een sloopactiviteit plaatsvind op een diepte van niet meer dan 40 cm ten opzichte van het maaiveld.
 
9.4.3 Beoordelingsregels
  1. Omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in ‘Waarde – Archeologie 6’ wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
    1. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    2. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
    3. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  2. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ
 
9.4.4 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in ‘Waarde – Archeologie 6’ worden aanvullend op het bepaalde in artikel 9.4.1 (vergunningsplicht) de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
  1. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waaruit de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, in voldoende mate blijkt; en
  2. voor zover deze beschikbaar zijn: bestaande funderingstekeningen, waaruit de omvang en de diepte van de samenhangende bodemverstoringen blijken als gevolg van de sloopactiviteit.
 
9.5 Voorschriften aan vergunning
  1. Het bevoegd gezag kan de volgende voorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van activiteiten, als bedoeld in 9.2, 9.3 en 9.4 (bouwen, werken en werkzaamheden, slopen) in een gebied met ‘Waarde – Archeologie 6’ in het belang van de archeologische monumentenzorg, die inhouden een plicht tot:
    1. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in situ kunnen worden behouden;
    2. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
    3. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;
    4. indien sub c van toepassing is, een regeling omtrent de gevolgen bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
    5. het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet;
    6. het binnen een bepaalde termijn starten van werkzaamheden;
    7. het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
    8. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
    9. het tijdig voor aanvang van werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; en
    10. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming met de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of van een programma van eisen.
  2. De voorschriften als bedoeld in het derde lid, onder a, kunnen worden gesteld over de wijze van slopen.
 
Artikel 10 Waarde - Groenblauwe mantel
 
10.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Waarde - Groenblauwe mantel’.
 
10.2 Functieomschrijving
De voor 'Waarde – Groenblauwe mantel’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s) mede aangewezen voor het behoud en bescherming van de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten in de groenblauwe mantel zijn:
  1. het groene karakter;
  2. het visueel-ruimtelijk karakter;
  3. het cultuurhistorisch erfgoed;
  4. het reliëf;
  5. ruimte voor water en waterberging in de laagten en beekdal.
 
10.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
Het bepaalde in artikel 15 is van toepassing.
 
3 Algemene regels
Artikel 11 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 12 Algemene bouwregels
 
12.1 Bestaande afmetingen en afstanden
In die gevallen dat de bestaande goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud of afstand tot enige grens van bouwwerken, die rechtens, in overeenstemming met het bepaalde in de wet tot stand zijn gekomen, minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels in deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud of afstand in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan, uitsluitend conform de bestaande situatie.
 
12.2 Ondergeschikte bouwdelen
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken, buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw c.q. functiegrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.
Artikel 13 Algemene gebruiksactiviteiten
 
13.1 Strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik met de functies wordt in ieder geval verstaan het (laten) gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor en/of als:
  1. het (bedrijfsmatig) vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- of verwerken van producten en mest;
  2. het plaatsen van kampeermiddelen;
  3. verblijfsrecreatie bij dagrecreatieve functies;
  4. het gebruik van gronden als volkstuin;
  5. het beoefenen van lawaaisporten;
  6. opslag voor de voorgevelrooilijn;
  7. detailhandel;
  8. verkooppunt voor motorbrandstoffen, al dan niet inclusief lpg,
  9. het gebruik van de gronden en opstallen voor een seksinrichting;
  10. intensief militair gebruik;
  11. opslag en/of stalling van aan het gebruik onttrokken voer- en vaartuigen en kampeermiddelen, anders dan in het kader van een normaal gebruik overeenkomstig het bestaand gebruik;
  12. permanente bewoning van bijbehorende bouwwerken;
  13. permanente bewoning van recreatiewoningen/verblijfsrecreatieve voorzieningen;
  14. een coffeeshop, growshop, smartshop of een daarmee vergelijkbaar bedrijf;
  15. geurgevoelig alsmede voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelig object object, indien de afstand minder dan 50 m bedraagt tot:
    1. omliggende agrarische bouwpercelen;
    2. op het moment van wijziging van het gebruik aanwezige boomteelt en fruitteelt boomgaarden;
    3. gronden waarop in een periode van ten hoogste 24 maanden voorafgaand aan de gebruikswijziging boomteelt of fruitteelt aanwezig was (gelet op de herplantmogelijkheden);
    4. gronden welke op het moment van inwerkingtreding van het omgevingsplan in eigendom of pacht zijn van fruit- en/of boomteeltbedrijven.
 
Artikel 14 Algemene aanduidingsregels
 
14.1 Cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden
Ter plaatse van de aanduidingen in de navolgende tabel zijn de gronden tevens bestemd voor het behoud, de bescherming, de ontwikkeling en/of het herstel van de desbetreffende cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden welke zijn opgenomen in de navolgende tabel:
 
Overige zone - beekdal
- Beekdalen zijn belangrijke structuurdragers van het landschap met (al dan niet rechtlijnige) beeklopen.
- Doorgaans natte structuur, waardoor de beekdalen functioneren als ecologische verbindingszones.
- Hoge natuurwaarde voor: Reulsberg en 't Ham; omgeving Kasteelpark Ter Horst (flora, amfibieën en vogels), en zone Groote Molenbeek.
- Specifieke functie voor (strategische) waterberging.
   
14.2 Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Venloschol
 
14.2.1 Omschrijving
Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Venloschol' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de winning van (drink)water.
 
14.2.2 Bouwregels
Binnen het grondwaterbeschermingsgebied mag worden gebouwd voor zover dat op grond van de onderliggende functie is toegestaan met inachtneming van de voorwaarden, zoals die door de Omgevingsverordening Limburg worden gesteld.
 
14.3 milieuzone – spuitvrije zone
 
14.3.1 Omschrijving
De gronden ter plaatse van de aanduiding ‘milieuzone – spuitvrije zone’ zijn mede aangewezen als spuitvrije zone vanwege de bescherming van de gezondheid als gevolg van het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen.
 
14.3.2 Gebruiksregel
Op de gronden is het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen niet toegestaan
 
Artikel 15 Omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden
 
15.1 Omgevingsvergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsplanactiviteit ter plaatse van de hierna genoemde functies of aanduidingen de daarbij aangegeven werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren te doen of te laten uitvoeren:
   
 
Werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden**
Ter plaatste van de functie / aanduiding  
a  
b  
c  
d  
e  
f  
g  
h
Natuur
a
 
c
d
e
f
g
 
Waarde - Groenblauwe mantel
a  
b  
c  
d  
e  
f  
g  
overige zone - beekdal
a  
b  
c  
d  
e  
f  
 
   
* zie artikel 15.2, onder a.
 
** de onderstaande letters geven aan dat een omgevingsplanactiviteit is vereist (activiteit onder voorwaarden mogelijk) De letters worden hierna verklaard:
Werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden:
  1. het aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  2. het aanplanten van bomen, hakhout en andere houtopstanden hoger dan 1,50 m;
  3. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere diepwortelende beplantingen en het verrichten van handelingen, die de dood of ernstige beschadiging daarvan ten gevolge hebben of kunnen hebben;
  4. het aanbrengen, verwijderen of verleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  5. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap;
  6. het aanleggen, (ver)graven, verruimen, dempen of herprofileren van watergangen, sloten en andere waterpartijen
  7. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  8. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem.
15.2 Uitzonderingen vergunningplicht
Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 15.1 is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden:
  1. die worden uitgevoerd in het kader van het normale onderhoud en beheer van de gronden en de daaraan toegekende functie(s);
  2. op de gronden gelegen binnen (agrarische) bouwvlakken danwel binnen voor ‘wonen’ aangewezen gronden;
  3. die op het moment van inwerkingtreding van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende of aangevraagde vergunning.
 
15.3 Beoordelingsregels
Burgemeester en wethouders verlenen de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 15.1 alleen indien:
  1. door de in lid 15.1 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden, dan wel door de gevolgen daarvan, hetzij direct, hetzij indirect de waarden, belangen en/of functies die het plan beoogt te beschermen, niet blijvend onevenredige of niet onevenredig kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen.
  2. De ontwikkeling passend is binnen het inrichtingsplan, zoals opgenomen in bijlage 1.
  3. Streekeigen beplanting van lokale herkomst wordt aangeplant.
  4. Voordat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 15.1 verleent, wordt bij de volgende bestemmingen en aanduidingen schriftelijk advies ingewonnen bij het waterschap en wordt de Keur van het waterschap in acht genomen:
    1. overige zone – beekdal.
 
 
4 Overgangsregels
Artikel 16 Overgangsrecht bouwwerken
 
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsplanactiviteit voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
 
Artikel 17 Overgangsrecht gebruik
 
  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM omgevingsplan Ruttenweg 3, Horst en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan Ruttenweg 3 strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het eerste lid is niet van toepassing op het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen op gronden ter plaatse van de aanduiding ‘milieuzone – spuitvrije zone’ en het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.