Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22h Afhangweg Melatenweg Horst
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1507.HOAFHANGWEG-VG01

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de ontwikkeling op de locatie 
Afhangweg ong. en Melatenweg ong., Horst' en is als nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22h) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22h van het omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikel nummer '22h' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct na voor het nummer van de bijlage '22h' gelezen worden.

1 Inleidende regels

Artikel 1 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:

1.1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk;

1.2 Plan

Het TAM-omgevingsplan Afhangweg ong en Melatenweg ong., Horst met identificatienummer NL.IMRO.1507.HOAFHANGWEG-BPV1 van de gemeente Horst aan de Maas.

1.3 Gewasbeschermingsmiddelen

Gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU 2009, L 309);

1.4 Driftgevoelige functie

Voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies, zoals wonen, tuin, sport- en speelveldjes, picknickplekken, ligweides.
Parkeervoorzieningen, verbindingswegen en -paden worden niet als driftgevoelige functie aangemerkt.

Artikel 2 Toepassingsbereik

2.1 Verhouding ruimtelijke regels omgevingsplan tijdelijk deel

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.

2.2 Verhouding met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege (bruidsschat)

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.

2.3 Geometrische afbakening reikwijdte TAM-omgevingsplan

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Afhangweg ong. en Melatenweg ong., Horst, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1507.HOAGFHANGWEG-BPV1 zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen, in aanvulling op a bedoeld in artikel 22.24 van dit omgevingsplan, en de volgende meet- en rekeningbepalingen en zijn overeenkomstige toepassing op het meten van waarden die in dit hoofdstuk in m, m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 3.1 tot en met 3.7.

3.1 Dakhelling

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

3.2 De goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

3.3 De inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

3.4 De bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van onderschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.5 De oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.6 Afstand tot de bouwperceelsgrens

Tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.

3.7 Ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk

Vanaf het bouwkundig peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.

2 Functies en activiteiten

Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toebedeelde functies en activiteiten.

Artikel 5 Agrarisch met waarden

5.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Agrarisch met waarden'.

5.2 Functieomschrijving

Een als 'Agrarisch met waarden' aangewezen locatie heeft de volgende functies;
  1. agrarisch bedrijfsmatig grondgebruik;
  2. agrarisch hobbymatig grondgebruik;
  3. extensief dagrecreatief medegebruik;
met de daarbij behorende:
  1. tuinen, erven en terreinen, met dien verstande dat erfverhardingen buiten het bouwvlak uitsluitend zijn toegestaan voor zover bestaand;
  2. paardenbakken, uitsluitend binnen het bouwvlak dan wel bestaande paardenbakken;
  3. verkeers- en parkeervoorzieningen;
  4. voorzieningen van openbaar nut;
  5. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder bergbezinkbassins;
  6. groenvoorzieningen, natuur- en landschapselementen.

5.3 Bouwactiviteiten

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels:
5.3.1 Algemeen
op de gronden als bedoeld in artikel 5 mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de bestemming worden gebouwd;
5.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De maatvoering voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde is als volgt:
  1. Erf- en terreinafscheidingen: hoogte maximaal 2 m.

Artikel 6 Wonen

6.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Wonen'.

6.2 Functieomschrijving

Een als 'Wonen' aangewezen locatie heeft de volgende functies;
  1. wonen in een woning;
  2. aan huis gebonden beroepen;
met daarbij behorende:
  1. gebouwen;
  2. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  3. wegen en paden;
  4. speelvoorzieningen
  5. parkeer- en groenvoorziening;
  6. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  7. tuinen en erven.

6.3 Bouwactiviteiten

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels
6.3.1 Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
  1. de voorgevel van het hoofdgebouw dient minimaal 4 meter uit de functiegrens te worden opgericht;
  2. de afstand tot zijdelingse bouwperceelsgrens bedraagt minimaal 1.5 m;
  3. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 7 m;
  4. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 11 m.
  5. De inhoud mag niet meer bedragen dan 1.000 m3.
  6. 4 meter
6.3.2 Aan- en uitbouwen en bijbehorende bouwwerken
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.27 en 22.36 gelden de volgende regels voor aan- en uitbouwen en bijbehorende bouwwerken:
  1. de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 150 m2;
  2. het bebouwingspercentage per bouwperceel is maximaal 50%;
  3. de maximale goothoogte bedraagt 7 meter;
  4. de  maximale bouwhoogte bedraagt 11 meter;
  5. gebouwd op een afstand van minimaal 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw, of het verlengde daarvan, met uitzondering van een carport welke op een afstand van 0,5 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw, of het verlengde daarvan mag worden opgericht.
6.3.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
In aanvulling op artikel 22.27 en 22.36 gelden de volgende regels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
  1. de maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt 3 meter;
  2. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen  bedraagt 2 meter.

6.4 Specifieke functieregels

6.4.1 Strijdig gebruik
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor:
  1. permanente of tijdelijke bewoning, voor zover het vrijstaande bijbehorende bouwwerken betreft;
  2. bedrijf aan huis;
  3. kamerbewoning;
  4. seksinrichtingen.

6.5 Vergunningsplicht voor afwijken van de gebruiksregels

6.5.1 Bedrijf aan huis
Het bevoegd gezag kan voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit afwijken van het bepaalde in 6.2 sub b voor de uitoefening van een bedrijf aan huis, met dien verstande dat:
  1. het bedrijf behoort tot ten hoogste milieucategorie 2 volgens de staat van bedrijfsactiviteiten, dan wel voor wat betreft de aard en omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt, gelijk gesteld kan worden aan een bedrijf behorende tot ten hoogste milieucategorie 2;
  2. de bedrijfsvloeroppervlakte maximaal 120 m² bedraagt;
  3. geen horeca en detailhandel plaatsvinden;
  4. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
  5. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  6. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad.
  

Artikel 7 Groen

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Groen'.

7.2 Functieomschrijving

Een als 'Groen' aangewezen locatie heeft de volgende functies;
  1. groenvoorziening, bermen en beplanting;
  2. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

7.3 Gebouwen

Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan

7.4 overige bouwwerken

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, gelde de volgende regels:
  1. de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt maximaal 4 meter;
  2. de bouwhoogte van terreinafscheidingen bedraat maximaal 2 meter;
  3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, bedraagt maximaal 2 meter.

Artikel 8 Waarde - Archeologie 2

8.1 Functie en gebruik

De voor Waarde - Archeologie 2 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede aangewezen voor instandhouding en bescherming van oudheidkundig waardevolle elementen en terreinen.

8.2 Bouwactiviteit

8.2.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten in Waarde - Archeologie 2 
8.2.2 Uitzonderingen
In afwijking van subsubparagraaf 8.2.1 geldt geen vergunningsplicht voor een bouwactiviteit indien de aanvraag betrekking heeft op:
  1. de vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte op of onder het maaiveld niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  2. een bouwactiviteit die betrekking hebben op een of meer bouwwerken waarvan de totale te bebouwen oppervlakte kleiner is dan 100 m²; of
  3. een bouwactiviteit waarvan de graafwerkzaamheden of bodemverstoring niet dieper reiken dan een diepte van 30 cm.
  4. een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd, waarvan de bouwhoogte maximaal 3,00 m mag bedragen.
8.2.3 Toepassingscriteria
  1. Een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit in Waarde - Archeologie 2 wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
    1. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    2. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
    3. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  1. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
8.2.4 Aanvraagvereisten
  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in Waarde - Archeologie 2 worden, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waarin de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op:
      1. een bureauonderzoek;
      2. zo nodig een booronderzoek; en
      3. zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; en
      4. zo nodig een opgraving;
    2. funderingstekeningen, waaruit de omvang en de diepte van de samenhangende bodemverstoringen blijken als gevolg van de bouwactiviteit;
    3. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving;
    4. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor het booronderzoek;
    5. als sprake is van een archeologische (verwachtings)waarde onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details
  2. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; of
    2. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.

8.3 Uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

 
8.3.1 Vergunningplicht
Het is verboden op of in de voor Waarde - Archeologie 2 aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden te verrichten:
  1. het afgraven van gronden;
  2. het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
  3. het uitvoeren van andere grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  4. het aanleggen en onderhouden van infrastructurele werken, zoals (spoor)wegen, tunnels, viaducten, rioleringen;
  5. het aanbrengen, verwijderen of verleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  6. het uitvoeren van inrichtingswerkzaamheden;
  7. het verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  8. het aanleggen, (ver)graven, verruimen, dempen of herprofileren van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
  9. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap;
  10. het baggeren, waaronder begrepen saneren en onderzuigen;
  11. het uitvoeren van werkzaamheden aan oevers en kaden;
  12. het aanplanten of verwijderen van diepwortelende bomen, hakhout en andere houtopstanden;
  13. winnen van grondstoffen;
  14. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem.
8.3.2 Uitzonderingen
  1. In afwijking van subsubparagraaf 8.3.1 geldt geen vergunningsplicht voor werken of werkzaamheden:
    1. die worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud;
    2. die worden uitgevoerd binnen de bestaande diepte en oppervlakte van een bestaand cunet van een weg of leiding; of
    3. die worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek volgens een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen of, in geval van een booronderzoek, plan van aanpak.
  2. In aanvulling op het eerste lid geldt ook geen vergunningplicht als:
    1. de aanvraag betrekking heeft op een of meer werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden waarvan de totale oppervlakte kleiner is dan 100 m2; of
    2. de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden plaatsvinden op een diepte van niet meer dan 30 cm ten opzichte van het maaiveld.
8.3.3 Toepassingscriteria
  1. Omgevingsvergunning voor de werken en werkzaamheden in Waarde - Archeologie 2 wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
    1. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    2. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
    3. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  2. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
8.3.4 Aanvraagvereisten
  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een werk, geen bouwwerk zijnde, of bouwwerk in Waarde - Archeologie 2 worden, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een omschrijving van de aard van het werk, geen bouwwerk zijnde, of de werkzaamheid, met vermelding van:
      1. de omvang in vierkante meters; en
      2. de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld;
    2. een topografische kaart voorzien van een noordpijl en ten minste twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit;
    3. doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld;
    4. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waarin de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op
      1. een bureauonderzoek;
      2. zo nodig een booronderzoek; en
      3. zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; en
      4. zo nodig een opgraving
    5. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving; en
    6. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor een booronderzoek; en
    7. als sprake is van een (te verwachten) archeologisch monument onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
  2. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een bestek of werkomschrijving met bijbehorende tekeningen;
    2. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; of
    3. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt

8.4 Sloopactiviteit

8.4.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten in Waarde - Archeologie 2.
8.4.2 Uitzonderingen
  1. In afwijking van subsubparagraaf 8.4.1 geldt geen vergunningplicht voor een sloopactiviteit waarbij de oppervlakte onder maaiveld niet wordt verstoord.
  2. In aanvulling op het eerste lid geldt ook geen vergunningplicht op de locatie Waarde - Archeologie 2 als:
    1. de aanvraag betrekking heeft op het slopen van een of meer bouwwerken waarvan de totale oppervlakte kleiner is dan 100 m2; of
    2. een sloopactiviteit plaatsvind op een diepte van niet meer dan 30 cm ten opzichte van het maaiveld.
 
8.4.3 Toepassingscriteria
  1. Omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in Waarde - Archeologie 2 wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
    1. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    2. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
    3. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  2. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ
8.4.4 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in Waarde - Archeologie 2 worden aanvullend op het bepaalde in subsubparagraaf 8.4.1 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
  1. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waaruit de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, in voldoende mate blijkt; en
  2. voor zover deze beschikbaar zijn: bestaande funderingstekeningen, waaruit de omvang en de diepte van de samenhangende bodemverstoringen blijken als gevolg van de sloopactiviteit.

8.5 Voorschriften aan vergunning

  1. Het bevoegd gezag kan de volgende voorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van activiteiten, als bedoeld in subsubparagraaf 8.2.1 , subsubparagraaf 8.3.1  en subsubparagraaf 8.4.1 in een gebied met Waarde - Archeologie 2 in het belang van de archeologische monumentenzorg, die inhouden een plicht tot:
    1. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in situ kunnen worden behouden;
    2. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
    3. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;
    4. indien sub c van toepassing is, een regeling omtrent de gevolgen bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
    5. het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet;
    6. het binnen een bepaalde termijn starten van werkzaamheden;
    7. het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
    8. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
    9. het tijdig voor aanvang van werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; en
    10. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming met de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of van een programma van eisen.
  2. De voorschriften als bedoeld in het derde lid, onder a, kunnen worden gesteld over de wijze van slopen.

Artikel 9 Waarde - Archeologie 3

9.1 Functie en gebruik

De voor Waarde - Archeologie 3 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede aangewezen voor instandhouding en bescherming van oudheidkundig waardevolle elementen en terreinen.

9.2 Bouwactiviteit

9.2.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten in  Waarde - Archeologie 3
9.2.2 Uitzonderingen
In afwijking van subsubparagraaf 9.2.1 geldt geen vergunningsplicht voor een bouwactiviteit indien de aanvraag betrekking heeft op:
  1. de vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte op of onder het maaiveld niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  2. een bouwactiviteit die betrekking hebben op een of meer bouwwerken waarvan de totale te bebouwen oppervlakte kleiner is dan 500 m²; of
  3. een bouwactiviteit waarvan de graafwerkzaamheden of bodemverstoring niet dieper reiken dan een diepte van 40 cm.
  4. een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd, waarvan de bouwhoogte maximaal 3,00 m mag bedragen.
9.2.3 Toepassingscriteria
  1. Een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit in Waarde - Archeologie 3  wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
    1. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    2. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
    3. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  1. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
9.2.4 Aanvraagvereisten
  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in Waarde - Archeologie 3 worden, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waarin de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op:
      1. een bureauonderzoek;
      2. zo nodig een booronderzoek; en
      3. zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; en
      4. zo nodig een opgraving;
    2. funderingstekeningen, waaruit de omvang en de diepte van de samenhangende bodemverstoringen blijken als gevolg van de bouwactiviteit;
    3. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving;
    4. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor het booronderzoek;
    5. als sprake is van een archeologische (verwachtings)waarde onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details
  2. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; of
    2. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.

9.3 Uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

 
9.3.1 Vergunningplicht
Het is verboden op of in de voor Waarde - Archeologie 3 aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden te verrichten:
  1. het afgraven van gronden;
  2. het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
  3. het uitvoeren van andere grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  4. het aanleggen en onderhouden van infrastructurele werken, zoals (spoor)wegen, tunnels, viaducten, rioleringen;
  5. het aanbrengen, verwijderen of verleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  6. het uitvoeren van inrichtingswerkzaamheden;
  7. het verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  8. het aanleggen, (ver)graven, verruimen, dempen of herprofileren van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
  9. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap;
  10. het baggeren, waaronder begrepen saneren en onderzuigen;
  11. het uitvoeren van werkzaamheden aan oevers en kaden;
  12. het aanplanten of verwijderen van diepwortelende bomen, hakhout en andere houtopstanden;
  13. winnen van grondstoffen;
  14. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem.
9.3.2 Uitzonderingen
  1. In afwijking van subsubparagraaf 9.3.1 geldt geen vergunningsplicht voor werken of werkzaamheden:
    1. die worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud;
    2. die worden uitgevoerd binnen de bestaande diepte en oppervlakte van een bestaand cunet van een weg of leiding; of
    3. die worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek volgens een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen of, in geval van een booronderzoek, plan van aanpak.
  2. In aanvulling op het eerste lid geldt ook geen vergunningplicht als:
    1. de aanvraag betrekking heeft op een of meer werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden waarvan de totale oppervlakte kleiner is dan 500 m2; of
    2. de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden plaatsvinden op een diepte van niet meer dan 40 cm ten opzichte van het maaiveld.
9.3.3 Toepassingscriteria
  1. Omgevingsvergunning voor de werken en werkzaamheden in Waarde - Archeologie 3 wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
    1. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    2. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
    3. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  2. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
9.3.4 Aanvraagvereisten
  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een werk, geen bouwwerk zijnde, of bouwwerk in 
    Waarde - Archeologie 3 worden, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een omschrijving van de aard van het werk, geen bouwwerk zijnde, of de werkzaamheid, met vermelding van:
      1. de omvang in vierkante meters; en
      2. de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld;
    2. een topografische kaart voorzien van een noordpijl en ten minste twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit;
    3. doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld;
    4. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waarin de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op
      1. een bureauonderzoek;
      2. zo nodig een booronderzoek; en
      3. zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; en
      4. zo nodig een opgraving
    5. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving; en
    6. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor een booronderzoek; en
    7. als sprake is van een (te verwachten) archeologisch monument onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
  2. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een bestek of werkomschrijving met bijbehorende tekeningen;
    2. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; of
    3. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt

9.4 Sloopactiviteit

9.4.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten in
9.4.2 Uitzonderingen
  1. In afwijking van subsubparagraaf 9.4.1 geldt geen vergunningplicht voor een sloopactiviteit waarbij de oppervlakte onder maaiveld niet wordt verstoord.
  2. In aanvulling op het eerste lid geldt ook geen vergunningplicht op de locatie ‘Waarde - Archeologie 3’ als:
    1. de aanvraag betrekking heeft op het slopen van een of meer bouwwerken waarvan de totale oppervlakte kleiner is dan 500 m2; of
    2. een sloopactiviteit plaatsvind op een diepte van niet meer dan 40 cm ten opzichte van het maaiveld.
9.4.3 Toepassingscriteria
  1. Omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in Waarde - Archeologie 3 wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
    1. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    2. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
    3. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  2. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ
9.4.4 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in Waarde - Archeologie 3 worden aanvullend op het bepaalde in subsubparagraaf 9.4.1 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
  1. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waaruit de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, in voldoende mate blijkt; en
  2. voor zover deze beschikbaar zijn: bestaande funderingstekeningen, waaruit de omvang en de diepte van de samenhangende bodemverstoringen blijken als gevolg van de sloopactiviteit.

9.5 Voorschriften aan vergunning

  1. Het bevoegd gezag kan de volgende voorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van activiteiten, als bedoeld in  subsubparagraaf 9.2.1subsubparagraaf 9.3.1 en subsubparagraaf 9.4.1 in een gebied met  Waarde - Archeologie 3 in het belang van de archeologische monumentenzorg, die inhouden een plicht tot:
    1. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in situ kunnen worden behouden;
    2. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
    3. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;
    4. indien sub c van toepassing is, een regeling omtrent de gevolgen bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
    5. het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet;
    6. het binnen een bepaalde termijn starten van werkzaamheden;
    7. het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
    8. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
    9. het tijdig voor aanvang van werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; en
    10. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming met de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of van een programma van eisen.
  2. De voorschriften als bedoeld in het derde lid, onder a, kunnen worden gesteld over de wijze van slopen.

Artikel 10 Waarde - Archeologie 4

10.1 Functie en gebruik

De voor Waarde - Archeologie 4 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede aangewezen voor instandhouding en bescherming van oudheidkundig waardevolle elementen en terreinen.

10.2 Bouwactiviteit

10.2.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten in  Waarde - Archeologie 4
10.2.2 Uitzonderingen
In afwijking van subsubparagraaf 10.2.1 geldt geen vergunningsplicht voor een bouwactiviteit indien de aanvraag betrekking heeft op:
  1. de vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte op of onder het maaiveld niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  2. een bouwactiviteit die betrekking hebben op een of meer bouwwerken waarvan de totale te bebouwen oppervlakte kleiner is dan 2500 m²; of
  3. een bouwactiviteit waarvan de graafwerkzaamheden of bodemverstoring niet dieper reiken dan een diepte van 40 cm.
  4. een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd, waarvan de bouwhoogte maximaal 3,00 m mag bedragen.
10.2.3 Toepassingscriteria
  1. Een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit in Waarde - Archeologie 4 wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
    1. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    2. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
    3. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  1. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
10.2.4 Aanvraagvereisten
  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in Waarde - Archeologie 4 worden, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waarin de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op:
      1. een bureauonderzoek;
      2. zo nodig een booronderzoek; en
      3. zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; en
      4. zo nodig een opgraving;
    2. funderingstekeningen, waaruit de omvang en de diepte van de samenhangende bodemverstoringen blijken als gevolg van de bouwactiviteit;
    3. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving;
    4. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor het booronderzoek;
    5. als sprake is van een archeologische (verwachtings)waarde onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details
  2. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; of
    2. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.

10.3 Uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

 
10.3.1 Vergunningplicht
Het is verboden op of in de voor Waarde - Archeologie 4 aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden te verrichten:
  1. het afgraven van gronden;
  2. het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
  3. het uitvoeren van andere grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  4. het aanleggen en onderhouden van infrastructurele werken, zoals (spoor)wegen, tunnels, viaducten, rioleringen;
  5. het aanbrengen, verwijderen of verleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  6. het uitvoeren van inrichtingswerkzaamheden;
  7. het verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  8. het aanleggen, (ver)graven, verruimen, dempen of herprofileren van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
  9. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap;
  10. het baggeren, waaronder begrepen saneren en onderzuigen;
  11. het uitvoeren van werkzaamheden aan oevers en kaden;
  12. het aanplanten of verwijderen van diepwortelende bomen, hakhout en andere houtopstanden;
  13. winnen van grondstoffen;
  14. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem.
10.3.2 Uitzonderingen
  1. In afwijking van subsubparagraaf 10.3.1  geldt geen vergunningsplicht voor werken of werkzaamheden:
    1. die worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud;
    2. die worden uitgevoerd binnen de bestaande diepte en oppervlakte van een bestaand cunet van een weg of leiding; of
    3. die worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek volgens een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen of, in geval van een booronderzoek, plan van aanpak.
  2. In aanvulling op het eerste lid geldt ook geen vergunningplicht als:
    1. de aanvraag betrekking heeft op een of meer werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden waarvan de totale oppervlakte kleiner is dan 2500 m2; of
    2. de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden plaatsvinden op een diepte van niet meer dan 40 cm ten opzichte van het maaiveld.
10.3.3 Toepassingscriteria
  1. Omgevingsvergunning voor de werken en werkzaamheden in Waarde - Archeologie 4 wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
    1. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    2. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
    3. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  2. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
10.3.4 Aanvraagvereisten
  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een werk, geen bouwwerk zijnde, of bouwwerk in 
    Waarde - Archeologie 4 worden, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een omschrijving van de aard van het werk, geen bouwwerk zijnde, of de werkzaamheid, met vermelding van:
      1. de omvang in vierkante meters; en
      2. de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld;
    2. een topografische kaart voorzien van een noordpijl en ten minste twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit;
    3. doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld;
    4. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waarin de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op
      1. een bureauonderzoek;
      2. zo nodig een booronderzoek; en
      3. zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; en
      4. zo nodig een opgraving
    5. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving; en
    6. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor een booronderzoek; en
    7. als sprake is van een (te verwachten) archeologisch monument onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
  2. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een bestek of werkomschrijving met bijbehorende tekeningen;
    2. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; of
    3. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt

10.4 Sloopactiviteit

10.4.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten in
10.4.2 Uitzonderingen
  1. In afwijking van subsubparagraaf 10.4.1 geldt geen vergunningplicht voor een sloopactiviteit waarbij de oppervlakte onder maaiveld niet wordt verstoord.
  2. In aanvulling op het eerste lid geldt ook geen vergunningplicht op de locatie Waarde - Archeologie 4 als:
    1. de aanvraag betrekking heeft op het slopen van een of meer bouwwerken waarvan de totale oppervlakte kleiner is dan 2500 m2; of
    2. een sloopactiviteit plaatsvind op een diepte van niet meer dan 40 cm ten opzichte van het maaiveld.
10.4.3 Toepassingscriteria
  1. Omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in Waarde - Archeologie 4 wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
    1. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    2. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
    3. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  2. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ
10.4.4 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in Waarde - Archeologie 4 worden aanvullend op het bepaalde in subsubparagraaf 10.4.1 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
  1. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waaruit de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, in voldoende mate blijkt; en
  2. voor zover deze beschikbaar zijn: bestaande funderingstekeningen, waaruit de omvang en de diepte van de samenhangende bodemverstoringen blijken als gevolg van de sloopactiviteit.

10.5 Voorschriften aan vergunning

  1. Het bevoegd gezag kan de volgende voorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van activiteiten, als bedoeld in subsubparagraaf 10.2.1 , subsubparagraaf 10.3.1 en subsubparagraaf 10.4.1 in een gebied met Waarde - Archeologie 4 in het belang van de archeologische monumentenzorg, die inhouden een plicht tot:
    1. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in situ kunnen worden behouden;
    2. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
    3. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;
    4. indien sub c van toepassing is, een regeling omtrent de gevolgen bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
    5. het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet;
    6. het binnen een bepaalde termijn starten van werkzaamheden;
    7. het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
    8. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
    9. het tijdig voor aanvang van werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; en
    10. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming met de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of van een programma van eisen.
  2. De voorschriften als bedoeld in het derde lid, onder a, kunnen worden gesteld over de wijze van slopen.

3 Algemene regels

Artikel 11 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 12 Algemene bouwregels

Het is verbonden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken ander dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.
 
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:
  1. een gebruik van gronden als stort- en / of opslagplaats van grond en / of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud;
  2. een gebruik van gronden als stallings- en / of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud;
  3. een gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting dan wel ten behoeve van prostitutie.

Artikel 13 Algemene gebruiksregels

13.1 milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Venloschol

 
13.1.1 Omschrijving
Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Venloschol' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de winning van (drink)water.
13.1.2 Bouwregels
Binnen het grondwaterbeschermingsgebied mag worden gebouwd voor zover dat op grond van de onderliggende bestemming is toegestaan met inachtneming van de voorwaarden, zoals die door de Omgevingsverordening Limburg worden gesteld.

13.2 gebiedsaanduiding - kampen

Ter plaatse van de gebiedsaanduiding- kampen zijn de gronden tevens bestemd voor het behoud, de bescherming, de ontwikkeling en/of het herstel van de desbetreffende cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden
  • Structuur- en gradiëntrijk landschap. Afwisseling van open, kleinschalige en besloten gebieden.
  • Grillige verkaveling tot blokvormige verkavelingen.
  • Bochtige wegen (onder invloed van het reliëf) en rechte wegen (blokvormige verkaveling).
  • Oude akkercomplexen met karakteristieke bolle vorm die gehandhaafd moeten blijven en openheid ten zuidoosten van Melderslo.
  • Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, met name aan de randen van oude akkercomplexen.
  • Zichtlijnen over oude akkercomplexen.
  • Grote variatie in landschapselementen, zoals boscomplexen, bomenrijen, houtwallen- en singels en bomengroepen.
  • Houtwallen inzetten als raamwerk waarbinnen grondgebonden ontwikkelingen mogelijk zijn.
  • Door het structuur- en gradiëntrijke landschapstype herbergt het diverse natuurwaarden.
  • Geprojecteerde verbindingszone tussen Peel, Schadijksche Bosschen en Zuringspeel / Kronenbergerheide.
     

Artikel 14 Algemene aanduidingsregels

14.1 Algemeen

Het bevoegd gezag kan voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit, afwijken van:
  1. het bepaalde in deze regels en toestaan dat bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, worden overschreden, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 2,5 meter, mits deze noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing;
  2. het bepaalde in deze regels en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten wordt vergroot tot maximaal 40 meter;
  3. het bepaalde in deze regels over de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot niet meer dan 10 meter.

14.2 Voorwaarden afwijkingen

Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 14.1  kan slechts worden verleend, indien:
  1. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  2. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad.

14.3 Bed & breakfast

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in deze regels en toestaan dan een kleinschalige bed & breakfast wordt gerealiseerd, mits:
  1. de bed & breakfast maximaal 2 kamers bevat;
  2. er geen of slechts beperkte uitbreiding van de bebouwing plaatsvindt met een maximale oppervlakte van 60m²;
  3. indien sprake is van cultuurhistorische waarden, deze waarden niet onevenredig worden geschaad;
  4. de belangen van eigenaren en/of gebruikers van nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  5. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad.

14.4 Milieuzone - spuitvrije zone

14.4.1 Omschrijving
De gronden ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - spuitvrije zone' zijn mede aangewezen als spuitvrije zone vanwege de bescherming van de gezondheid als gevolg van het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen.
14.4.2 Gebruiksregel
Op de gronden is het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen niet toegestaan. Toepassing van de gewasbeschermingsmiddlen moet worden beëindigd en beëindigd blijven.

4 Overgangs- en slotregels

Artikel 15 Overgangsrecht

  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de
      aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan , daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.