Regels
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de ontwikkeling op de locatie
Afhangweg ong. en Melatenweg ong., Horst' en is als nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22h) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22h van het omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikel nummer '22h' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct na voor het nummer van de bijlage '22h' gelezen worden.
Artikel 1 Begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:
1.1 Begripsbepalingen
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk;
1.2 Plan
Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Afhangweg - Melatenweg Horst met identificatienummer NL.IMRO.1507.HOAFHANGWEG-BP01 van de Gemeente Horst aan de Maas
1.3 Gewasbeschermingsmiddelen
Gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU 2009, L 309);
1.4 Driftgevoelige functie
Voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies, zoals wonen, tuin, sport- en speelveldjes, picknickplekken, ligweides.
Parkeervoorzieningen, verbindingswegen en -paden worden niet als driftgevoelige functie aangemerkt.
Artikel 2 Toepassingsbereik
2.1 Verhouding ruimtelijke regels omgevingsplan tijdelijk deel
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
2.2 Verhouding met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege (bruidsschat)
De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
2.3 Geometrische afbakening reikwijdte TAM-omgevingsplan
De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locaties Afhangweg ong. en Melatenweg ong., Horst, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1507.HOAFHANGWEG-BP01 zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
De meet- en rekenbepalingen, in aanvulling op a bedoeld in artikel 22.24 van dit omgevingsplan, en de volgende meet- en rekeningbepalingen en zijn overeenkomstige toepassing op het meten van waarden die in dit hoofdstuk in m, m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 3.1 tot en met 3.7.
3.1 Dakhelling
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
3.2 De goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
3.3 De inhoud van een bouwwerk
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
3.4 De bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van onderschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
3.5 De oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
3.6 Afstand tot de bouwperceelsgrens
Tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.
3.7 Ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk
Vanaf het bouwkundig peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
2 Functies en activiteiten
Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toebedeelde functies en activiteiten.
Artikel 5 Agrarisch met waarden
5.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Agrarisch met waarden'.
5.2 Functieomschrijving
Een als 'Agrarisch met waarden' aangewezen locatie heeft de volgende functies;
- agrarisch bedrijfsmatig grondgebruik;
- agrarisch hobbymatig grondgebruik;
- extensief dagrecreatief medegebruik;
met de daarbij behorende:
- tuinen, erven en terreinen, met dien verstande dat erfverhardingen buiten het bouwvlak uitsluitend zijn toegestaan voor zover bestaand;
- paardenbakken, uitsluitend binnen het bouwvlak dan wel bestaande paardenbakken;
- verkeers- en parkeervoorzieningen;
- voorzieningen van openbaar nut;
- water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder bergbezinkbassins;
- groenvoorzieningen, natuur- en landschapselementen.
5.3 Bouwactiviteiten
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels:
5.3.1 Algemeen
op de gronden als bedoeld in artikel 5 mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de bestemming worden gebouwd;
5.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De maatvoering voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde is als volgt:
- Erf- en terreinafscheidingen: hoogte maximaal 2 m.
6.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Wonen'.
6.2 Functieomschrijving
Een als 'Wonen' aangewezen locatie heeft de volgende functies;
- wonen in een woning;
- aan huis gebonden beroepen;
met daarbij behorende:
- gebouwen;
- bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
- wegen en paden;
- speelvoorzieningen
- parkeer- en groenvoorziening;
- water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
- tuinen en erven.
6.3 Bouwactiviteiten
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels
6.3.1 Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
- de voorgevel van het hoofdgebouw dient minimaal 4 meter uit de functiegrens te worden opgericht;
- de afstand tot zijdelingse bouwperceelsgrens bedraagt minimaal 1.5 m;
- de goothoogte mag niet meer bedragen dan 7 m;
- de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 11 m.
- De inhoud mag niet meer bedragen dan 1.000 m3.
6.3.2 Aan- en uitbouwen en bijbehorende bouwwerken
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.27 en 22.36 gelden de volgende regels voor aan- en uitbouwen en bijbehorende bouwwerken:
- de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 150 m2;
- het bebouwingspercentage per bouwperceel is maximaal 50%;
- de maximale goothoogte bedraagt 7 meter;
- de maximale bouwhoogte bedraagt 11 meter;
- gebouwd op een afstand van minimaal 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw, of het verlengde daarvan, met uitzondering van een carport welke op een afstand van 0,5 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw, of het verlengde daarvan mag worden opgericht.
6.3.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
In aanvulling op artikel 22.27 en 22.36 gelden de volgende regels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
- de maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt 3 meter;
- de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 meter.
6.4 Specifieke functieregels
6.4.1 Strijdig gebruik
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor:
- permanente of tijdelijke bewoning, voor zover het vrijstaande bijbehorende bouwwerken betreft;
- bedrijf aan huis;
- kamerbewoning;
- seksinrichtingen.
6.5 Vergunningsplicht voor afwijken van de gebruiksregels
6.5.1 Bedrijf aan huis
Het bevoegd gezag kan voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit afwijken van het bepaalde in lid 6.2 sub b voor de uitoefening van een bedrijf aan huis, met dien verstande dat:
- het bedrijf behoort tot ten hoogste milieucategorie 2 volgens de staat van bedrijfsactiviteiten, dan wel voor wat betreft de aard en omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt, gelijk gesteld kan worden aan een bedrijf behorende tot ten hoogste milieucategorie 2;
- de bedrijfsvloeroppervlakte maximaal 120 m² bedraagt;
- geen horeca en detailhandel plaatsvinden;
- voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
- geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
- het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad.
7.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Groen'.
7.2 Functieomschrijving
Een als 'Groen' aangewezen locatie heeft de volgende functies;
- groenvoorziening, bermen en beplanting;
- water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
7.3 Gebouwen
Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan
7.4 overige bouwwerken
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, gelde de volgende regels:
- de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt maximaal 4 meter;
- de bouwhoogte van terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 meter;
- de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, bedraagt maximaal 2 meter.
Artikel 8 Waarde - Archeologie 3
8.1 Functies en gebruik
De voor
Waarde - Archeologie 3 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies/gebruiksactiviteiten, mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden.
8.2 Bouwregels
Binnen het gebied met
Waarde - Archeologie 3 mogen uitsluitend bouwwerken worden opgericht ten behoeve van de op deze gronden liggende functie(s), indien en voor zover het een bouwplan betreft:
- het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken, waarbij de bebouwing minder diep reikt dan 50 centimeter en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst;
- bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken waarbij de bestaande oppervlakte met niet meer dan 500m2 wordt uitgebreid;
- de bestaande bebouwing wordt vergroot met een oppervlakte van ten hoogste 500m2;
- gebouwen en/of bouwwerken die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit omgevingsplan dan wel mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.
8.3 Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.2 teneinde van het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden liggende andere functie(s), indien op basis van (archeologisch) onderzoek is aangetoond, dat archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
- de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
- de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
- de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan en door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
8.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
8.4.1 Omgevingsvergunningsplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning te plaatse van de functie
Waarde - Archeologie 3 de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren te doen of te laten uitvoeren:
- het aan en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
- het aanplanten van bomen, hakhout en ander houtopstanden hoger dan 1,50m;
- het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere diepwortelende beplantingen en het verricht van handelingen, die de dood of ernstige beschadiging daarvan ten gevolge hebben of kunnen hebben;
- het aanbrengen, verwijderen of verleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
- het verlagen of verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap;
- het aanleggen, (ver)graven, verruimen, dempen of herprofileren van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
- het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
- het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem.
8.4.2 Uitzonderingen vergunningsplicht
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.4.1 is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden:
- op een kleinere diepte dan 50 cm en/of met een oppervlakte kleiner dan 500 m², dan wel op gronden die voor wat betreft archeologie reeds zijn vrijgegeven middels een selectiebesluit;
- die worden uitgevoerd in het kader van het normale onderhoud en beheer van de gronden en de daaraan toegekende bestemmingen(en);
- die op het moment van inwerkingtreding van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende of aangevraagde vergunning.
8.4.3 Afwegingskader
Burgemeester en wethouders verlenen de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 8.4.1 alleen indien door de in lid 8.4.1 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden, dan wel door de gevolgen daarvan, hetzij direct, hetzij indirect de waarden, belangen en/of functies die het plan beoogt te beschermen, niet blijvend onevenredige of niet onevenredig kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen.
8.4.4 Procedure
- de aanvrager van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 8.4.1 legt een archeologisch onderzoeksrapport over waarin de archeologische waarden van de gronden, die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld, tenzij op voorhand door het bevoegd gezag is vastgesteld dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad;
- voordat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 8.4.1 verleent, wordt schriftelijk advies gevraagd aan een deskundige.
Artikel 9 Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 10 Algemene bouwregels
Het is verbonden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken ander dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:
- een gebruik van gronden als stort- en / of opslagplaats van grond en / of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud;
- een gebruik van gronden als stallings- en / of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud;
- een gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting dan wel ten behoeve van prostitutie.
Artikel 11 Algemene gebruiksregels
11.1 milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Venloschol
11.1.1 Omschrijving
Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Venloschol' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de winning van (drink)water.
11.1.2 Bouwregels
Binnen het grondwaterbeschermingsgebied mag worden gebouwd voor zover dat op grond van de onderliggende bestemming is toegestaan met inachtneming van de voorwaarden, zoals die door de Omgevingsverordening Limburg worden gesteld.
11.2 gebiedsaanduiding - kampen
Ter plaatse van de
gebiedsaanduiding- kampen zijn de gronden tevens bestemd voor het behoud, de bescherming, de ontwikkeling en/of het herstel van de desbetreffende cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden
Artikel 12 Algemene aanduidingsregels
12.1 Algemeen
Het bevoegd gezag kan voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit, afwijken van:
- het bepaalde in deze regels en toestaan dat bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, worden overschreden, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 2,5 meter, mits deze noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing;
- het bepaalde in deze regels en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten wordt vergroot tot maximaal 40 meter;
- het bepaalde in deze regels over de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot niet meer dan 10 meter.
12.2 Voorwaarden afwijkingen
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.1 kan slechts worden verleend, indien:
- de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
- het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad.
12.3 Bed & breakfast
Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in deze regels en toestaan dan een kleinschalige bed & breakfast wordt gerealiseerd, mits:
- de bed & breakfast maximaal 2 kamers bevat;
- er geen of slechts beperkte uitbreiding van de bebouwing plaatsvindt met een maximale oppervlakte van 60m²;
- indien sprake is van cultuurhistorische waarden, deze waarden niet onevenredig worden geschaad;
- de belangen van eigenaren en/of gebruikers van nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
- het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad.
12.4 Milieuzone - spuitvrije zone
12.4.1 Omschrijving
De gronden ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - spuitvrije zone' zijn mede aangewezen als spuitvrije zone vanwege de bescherming van de gezondheid als gevolg van het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen.
12.4.2 Gebruiksregel
Op de gronden is het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen niet toegestaan. Toepassing van de gewasbeschermingsmiddelen moet worden beëindigd en beëindigd blijven.
4 Overgangs- en slotregels
Artikel 13 Overgangsrecht Bouwwerken
- Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
- gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de
aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
- Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
- Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan , daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
Artikel 14 Overgangsrecht gebruik
- Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
- Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
- Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
- Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.