Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22t Horsterweg 88 Grubbenvorst
Status: ontwerp
Plan identificatie: NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG88-BP01

Regels

 
Preambule
 
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de ontwikkeling op de locatie ‘Horsterweg 88, Grubbenvorst’ en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22t) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met de landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22t van het omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas. In de in dit deel weergegeven artikelen moet in de artikel kop na het woord 'Artikel' en de spatie '22t' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22t' gelezen worden.
 
1 Algemene bepalingen
  
Artikel 1 Begripsbepalingen
 
Voor de toepassing van dit TAM-omgevingsplan gelden de volgende begripsbepalingen:
 
1.1. Begripsbepalingen
begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk;
 
Artikel 2 Aanvullende begripsbepalingen
 
Voor de toepassing van dit TAM-omgevingsplan gelden de volgende begripsbepalingen:
 
2.1 TAM-omgevingsplan
het ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22t Horsterweg 88 Grubbenvorst’ met identificatienummer NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG88-BPO1 van de gemeente Horst aan de Maas.
 
2.2 Gewasbeschermingsmiddelen
gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU 2009, L 309).
 
2.3 Plattelandswoning
een bedrijfswoning behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting , welke door een persoon en diens huishouden, die geen binding hebben met de desbetreffende landbouwinrichting, wordt of mag worden bewoond.
 
Artikel 3 Toepassingsbereik
 
3.1 Verhouding ruimtelijke regels omgevingsplan tijdelijk deel
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
 
3.2 Verhouding met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege (bruidsschat)
De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
 
3.3 Geometrische afbakening reikwijdte TAM-omgevingsplan
De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie ‘Horsterweg 88 Grubbenvorst’ met identificatienummer NL.IMRO.1507.GRHORSTERWEG88-BPO1 van de gemeente Horst aan de Maas.
 
Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen
 
De meet- en rekenbepalingen, in aanvulling op het bepaalde in artikel 22.24 van dit omgevingsplan, en de volgende meet- en rekeningbepalingen en zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van waarden die in dit hoofdstuk in m, m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 4.1 tot en met 4.7.
 
4.1 Dakhelling
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
 
4.2 De goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
 
4.3 De inhoud van een bouwwerk
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
 
4.4 De bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van onderschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
4.5 De oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 
4.6 Afstand tot de bouwperceelsgrens
Tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.
 
4.7 Ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk
Vanaf het bouwkundig peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
 
Artikel 5 Aanvraagvereisten
 
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.
Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod
 
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toebedeelde functies en activiteiten.
 
2 Functies en activiteiten
   
Artikel 7 Agrarisch
 
7.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Agrarisch’
 
7.2 Functieomschrijving
De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. Duurzaam agrarisch grondgebruik en agrarische bedrijfsuitoefening, waaronder ook worden verstaan: agrarische functies, gericht op plantaardige productie, boomkwekerijen, tuinderijen, boomgaarden en wijngaarden;
  2. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – groen’, een grondwal met een hoogte van ten minste 2 m en een breedte van tenminste 2 m;
  3. Tevens voor de activiteiten zoals in onderstaande tabel bepaald:
 Ter plaatse van de aanduiding  
 Activiteit  
 glastuinbouw (gt)
 glastuinbouwbedrijf
 
  1. Extensief recreatief medegebruik;
  2. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – plattelandswoning’, het wonen van een derde in één plattelandswoning met bijbehorende tuin;
 
met de daarbij behorende:
  1. (ontsluitings)wegen en paden;
  2. Water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  3. Voorzieningen van algemeen nut;
  4. Parkeervoorzieningen;
  5. Laad- en losvoorzieningen;
  6. Staanplaatsen voor kampeermiddelen;
  7. Groenvoorzieningen.
 
7.3 Bouwactiviteiten
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden de volgende beoordelingsregels:
 
  1. Gebouwen, overkappingen en kassen worden binnen het bouwvlak gebouwd;
  2. Ten aanzien van de maximaal toegestane hoogtes, te bebouwen oppervlaktes en inhoud voor gebouwen, overkappingen en kassen geldt hetgeen in onderstaande tabel is bepaald:
Type bouwwerk
  
Goothoogte (m)
  
Bouwhoogte (m)
 
Oppervlak (m²)
  
Inhoud (m³)
  
Bedrijfsgebouwen en overkappingen  
6  
14  
Zie 7.3 onder c  
 
Bedrijfswoning/plattelandswoning  
6  
10  
 
1.000  
Bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoning/plattelandswoning  
3,5  
5,5  
Bijbehorende bouwwerken per bouwvlak: 130 m²  
 
Kassen  
7,5  
7,5  
  
 
  1. Het bouwvlak mag geheel worden bebouwd;
  2. Bijbehorende bouwwerken zijn alleen toegestaan achter de voorgevellijn van de plattelandswoning of bedrijfswoning;
  3. Per bouwvlak is één 'bedrijfswoning' toegestaan;
  4. In afwijking van het bepaalde onder e zijn ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' het met de aanduiding weergegeven aantal bedrijfswoningen toegestaan;
  5. Nieuwbouw van kassen en/of niet-permanente tunnels is alleen toegestaan indien op eigen terrein in voldoende mate wordt voorzien in de opvang van regenwater bijvoorbeeld door middel van een bergingsbassin.
  6. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden binnen het bouwvlak gebouwd;
  7. Ten aanzien van de maximaal toegestane hoogtes, te bebouwen oppervlaktes en inhoud voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde geldt hetgeen in onderstaande tabel is bepaald:
Type bouwwerk
  
Maximum bouwhoogte (m)
  
Maximum inhoud (m³)
  
Mestopslagplaten  
3  
2.500 per bedrijf  
Sleufsilo's  
2  
 
Voedersilo's en hooibergen  
15  
 
Mestsilo's  
6  
 
Luchtwassers  
12  
 
Erfafscheidingen voor voorgevellijn  
1  
 
Erfafscheidingen achter voorgevellijn  
2  
 
Overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde  
6
 
 
  1. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten het bouwvlak geldt ten aanzien van de maximaal toegestane hoogte en locatie hetgeen in onderstaande tabel is bepaald
   
Type bouwwerk
  
Maximum bouwhoogte (m)
  
Locatie
  
Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen  
2,5  
 
Waterbassins  
2,5  
uitsluitend aangrenzend aan het bouwvlak  
Erf- en terreinafscheidingen  
1,5  
 
Overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde  
1  
 
 
7.4 Specifieke gebruiksactiviteiten
7.4.1 Strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik wordt in elk geval verstaan:
  1. Het gebruik van gronden voor intensieve veehouderij;
  2. Het gebruik van gronden en opstallen voor detailhandel van in het bedrijf geproduceerde goederen, behoudens ingeval het geen zelfstandig onderdeel van het agrarisch bedrijf is;
  3. Het gebruik van de gronden als staanplaats voor kampeermiddelen, behoudens ingeval dit tussen 15 maart en 1 november plaatsvindt en binnen het bouwvlak of op gronden direct grenzend aan het bouwvlak;
  4. Het opslaan van drijfmest behoudens in de vorm van een folie-mestbassin binnen het bouwvlak;
 
7.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden
 
7.5.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op of in de gronden die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Agrarisch’ de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  1. Het aanleggen en verharden van (bedrijfs)wegen, paden, het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, groter dan 200 m2;
  2. Het aanbrengen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies.
 
7.5.2 Uitzonderingen
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.5.1 is niet vereist voor werken, geen bouwwerk zijnde, of voor werkzaamheden indien:
  1. Die binnen het bouwvlak worden uitgevoerd;
  2. Die worden uitgevoerd in het kader van het normale onderhoud en beheer van de gronden en de daaraan toegekende functie(s);
  3. Die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
  4. De aanleg van verharding buiten het bouwvlak in de vorm van koepaden en melkplaatsen plaatsvindt.
 
7.5.3 Afwegingskader
Burgemeester en wethouders verlenen de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.5.1 alleen indien door de in artikel 7.5.1 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden, dan wel door de gevolgen daarvan, hetzij direct, hetzij indirect de waarden, belangen en/of functies die het plan beoogt te beschermen, niet blijvend onevenredige of niet onevenredig kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen.
 
 
3 Algemene regels
Artikel 8 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 9 Algemene bouwactiviteitenregels
 
9.1 Bestaande maten, afstanden en percentages
 
9.1.1 Algemeen
In die gevallen waarin de goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud, horizontale dan wel verticale diepte en/of de afstand tot enige op de verbeelding aangegeven lijn van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet tot stand zijn gekomen, op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het TAM-omgevingsplan minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan.
 
9.2 Ondergronds bouwen
9.2.1 Algemeen
Binnen het plangebied mag, tenzij anders is aangegeven in de regels, onder gebouwen ondergronds worden gebouwd, onder de volgende voorwaarden:
  1. Ondergrondse gebouwen gelegen buiten de buitenzijde van de gevels van de bovengrondse gebouwen niet zijn toegestaan;
  2. De diepte van de ondergrondse bebouwing mag niet meer bedragen dan 3,5 m onder peil.
 
9.3 Ondergeschikte bouwdelen
9.3.1 Algemeen
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, trappenhuizen, technische ruimten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten.
 
Artikel 10 Algemene gebruiksactiviteiten
 
10.1 Strijdig gebruik
Onder verboden gebruik wordt in elk geval verstaan het (laten) gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor en/of als:
  1. Het (bedrijfsmatig) vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- of verwerken van producten en mest;
  2. De opslag van bagger, grondspecie, oude en nieuwe bouwmaterialen, afval, brandstoffen en dergelijke;
  3. Het plaatsen van kampeermiddelen;
  4. Het gebruik van gronden als volkstuin;
  5. Het beoefenen van lawaaisporten;
  6. Opslag voor de voorgevelrooilijn;
  7. Detailhandel;
  8. Verkooppunt voor motorbrandstoffen, al dan niet inclusief lpg;
  9. Het gebruik van de gronden en opstallen voor een seksinrichting;
  10. Intensief militair gebruik;
  11. Opslag en/of stalling van aan het gebruik onttrokken voer- en vaartuigen en kampeermiddelen, anders dan in het kader van een normaal gebruik overeenkomstig het bestaand gebruik;
  12. Permanente bewoning van bijbehorende bouwwerken;
  13. Huisvesting van arbeidsmigranten, anders dan bestaande huisvesting van arbeidsmigranten;
  14. Een coffeeshop, growshop, smartshop of een daarmee vergelijkbaar bedrijf;
 
een en ander, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de locatie gerichte beheer of gebruik van de gronden en behoudens indien het gebruik blijkens de regels is toegestaan.
 
Artikel 11 Algemene aanduidingsregels
 
11.1 Milieuzone – spuitvrije zone
 
11.1.1 Omschrijving
De gronden ter plaatse van de aanduiding ‘milieuzone – spuitvrije zone’ zijn mede aangewezen als spuitvrije zone vanwege de bescherming van de gezondheid als gevolg van het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen.
 
11.1.2 Gebruiksregel
Op de gronden is het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen niet toegestaan.
  
11.2 Vrijwaringszone - weg
 
11.2.1 Omschrijving
De gronden ter plaatse van de aanduiding ‘vrijwaringszone - weg' zijn mede aangewezen voor mogelijke toekomstige reconstructies en/of uitbreidingen van de Rijksweg A73, alsmede voor het creëren van een optimale infrastructurele omgeving.
 
11.2.2 Verbod
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op of in de gronden die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘vrijwaringszone - weg’ te bouwen of werkzaamheden uit te voeren.
 
11.2.3 Uitzonderingen
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 11.2.2 is niet vereist voor werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden indien:
  1. Deze zijn gelegen of plaatsvinden in de zone tussen de 50 en 100 meter, gemeten uit de as van de dichtstbij gelegen rijbaan, waartoe ook toe- en afritten behoren, mits deze zijn toegelaten binnen de op de locatie aangewezen functie en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van het wegverkeer, en nadat de wegbeheerder terzake is gehoord.
  2. Die worden uitgevoerd in het kader van het normale onderhoud en beheer van de gronden en de daaraan toegekende functie(s);
  3. Die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
  4. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 11.2.2. wordt geacht te zijn verleend ten aanzien van bouwwerken, of een complex van bouwwerken die bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, dan wel mogen worden opgericht krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning voor het bouwen.
 
Artikel 12 Algemene vergunningplicht voor afwijken
 
12.1 Algemene afwijkingen
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het plan ten behoeve van het:
  1. Vergroten van de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages, met uitzondering van oppervlakte- en inhoudsmaten, tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages, voor zover hiervoor niet reeds op een andere wijze afwijking is verleend;
  2. Vergroten van de functieregels en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of verkeersintensiteit daartoe aanleiding geven;
  3. Verschuiven van de op de verbeelding ingetekende begrenzingen, niet zijnde functiegrenzen, met maximaal 10 m;
  4. Overschrijden van bouwgrenzen indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
  5. Vergroten van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en toestaan dat de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot tot niet meer dan 40 m;
  6. Het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwtjes van openbaar nut, zoals telefooncellen, wachthuisjes, gasreduceerstations en schakelstations, mits de inhoud niet meer dan 50 m3 de goothoogte niet meer dan 3 m bedraagt,
 
mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
  1. Het straat-, bebouwings- en landschapsbeeld;
  2. De gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
  3. De verkeersveiligheid;
  4. De sociale veiligheid.
 
Artikel 13 Overige regels
 
13.1 Prioriteit van de gebiedsaanwijzing
 
Waar een functie uit dit plan samenvalt met een gebiedsaanwijzing geldt primair het bepaalde ten aanzien van de gebiedsaanwijzing.
 
13.2 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden
 
13.2.1 Voorwaardelijke verplichting en toetsingsfunctie parkeren
Bij:
  • een feitelijke gebruiksverandering;
  • het verlenen van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit;
  • het verlenen van een omgevingsvergunning voor de in dit plan opgenomen afwijkingen van de bouwactiviteiten of gebruiksactiviteiten;
  • het toepassen van de in dit plan opgenomen afwijkingsregels,
 
dient, indien de omvang of de functie van een gebouw en/of het terrein daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's, (motor)fietsen, of andere voertuigen, in voldoende mate ruimte aanwezig te zijn of aangebracht te worden in, op of onder de bij dat gebouw of terrein behorende gronden of bouwwerken, met dien verstande dat:
 
  1. daarbij wordt uitgegaan van de parkeernormen zoals aangegeven in het meest recente gemeentelijk parkeerbeleid;
  2. de ruimte voor het parkeren van auto's afmetingen moet hebben die zijn afgestemd op gangbare auto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:
    1. indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m bij 5 m en ten hoogste 3,25 m bij 6 m bedragen;
    2. indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50 m bij 5 m bedragen.
 
13.2.2 Voorwaardelijke verplichting en toetsingsfunctie laden en lossen
Indien de functie van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
 
13.2.3 Afwijkingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 13.2.1 en 13.2.2 indien het voldoen aan die bepalingen:
  1. op overwegende bezwaren stuit;
  2. voor zover op andere redelijke wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.
 
13.2.4 Strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik met de functies wordt in ieder geval verstaan het (laten) gebruiken van ruimte(n) voor het bepaalde lid 13.2.1 en 13.2.2 anders dan voor parkeren en/of laden en lossen, voor zover de aanwezigheid van deze ruimten krachtens deze regels nodig is.
 
4 Overgangsregels
Artikel 14 Overgangsrecht
 
14.1 Overgangsrecht bouwwerken
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van hoofdstuk 2 van dit TAM-omgevingsplan legaal aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
  1. Gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  2. Na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk teniet is gegaan;
  3. Het bepaalde onder a en b is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
 
14.2 Overgangsrecht gebruik
  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat legaal bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM- omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  2. Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid a., te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen op gronden ter plaatse van de aanduiding ‘milieuzone – spuitvrije zone’ en het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.