Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Molenberg 1 Broekhuizen
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1507.BHMOLENBERG1-BPV1

Regels

 
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de ontwikkeling op de locatie ‘Molenberg 1 Broekhuizen’ en is als nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22q) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lied, van het Besluit elektronische publicaties. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22q van het omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord ‘Artikel’, na de spatie en direct voor het artikel nummer ‘22q’ gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct na voor het nummer van de bijlage ‘22q’ gelezen worden.
 
1 Algemene bepalingen
 
Artikel 1 Begripsbepalingen
 
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:
 
1.1 Begripsbepalingen
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk;
 
1.2 Plan
Het TAM-omgevingsplan ‘Molenberg 1 Broekhuizen’ met identificatienummer NL.IMRO.1507.BHMOLENBERG1-BPV1 van de gemeente Horst aan de Maas.
 
1.3 Ondergeschikte horeca
Een horeca-activiteit die ondersteunend is aan de hoofdfunctie en niet de hoofdfunctie zelf is. Deze horeca-activiteit is uitsluitend voor eigen gasten die er verblijven of gebruik maken van de vergaderlocatie, uitsluitend binnen het tijdslot 07:00 – 0:00 uur.
 
Artikel 2 Toepassingsbereik
 
2.1 Verhouding ruimtelijke regels omgevingsplan tijdelijk deel
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
 
2.2 Verhouding met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege (bruidsschat)
De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
 
2.3 Geometrische afbakening reikwijdte TAM-omgevingsplan
De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie ‘Molenberg 1 Broekhuizen’, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1507.BHMOLENBERG1-BPV1 zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.
 
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
 
De meet- en rekenbepalingen, in aanvulling op a bedoeld in artikel 22.24 van dit omgevingsplan, en de volgende meet- en rekeningbepalingen en zijn overeenkomstige toepassing op het meten van waarden die in dit hoofdstuk in m, m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 3.1 tot en met 3.7.
 
3.1 De afstand tot de zijdelingse bouwperceelsgrens
Tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het korst is;
 
3.2 De bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
 
3.3 De dakhelling
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
 
3.4 De goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
 
3.5 De horizontale diepte van een gebouw
De diepte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de gevel waaraan wordt gebouwd;
 
3.6 De inhoud van een bouwwerk
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkappelen;
 
3.7 De oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
 
2 Functies en activiteiten
Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod
 
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toebedeelde functies en activiteiten.
Artikel 5 Tuin
 
5.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Tuin’.
 
5.2 Functieomschrijving
Een als ‘Tuin’ aangewezen locatie heeft de volgende functies:
  1. tuinen
met bijbehorende bebouwing, parkeervoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuidhouding en erven.
 
5.3 Bouwactiviteiten
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels:
 
5.3.1 Algemeen
Gebouwen voldoen aan de volgende kenmerken:
  1. Uitsluitend zijn toegestaan uitbouwen van woningen in de vorm van erkers;
  2. De horizontale diepte bedraagt maximaal 1 m;
  3. De breedte bedraagt maximaal ½ van de breedte van de gevel waartegen de uitbouw wordt gebouwd;
  4. De goothoogte bedraagt maximaal 3,5 m.
 
5.3.2 Bouwhoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal:
  1. Op het voorerf 1 m;
  2. Op overige gronden 2 m.
 
Artikel 6 Wonen
 
6.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Wonen’.
 
6.2 Functieomschrijving
Een als ‘Wonen’ aangewezen locatie heeft de volgende functies:
  1. wonen in de categorieën:
    1. vrijstaande woningen ter plaatse van de aanduiding ‘vrijstaand’;
  2. aan huis verbonden beroepen;
  3. 3 bed & breakfastkamers, één vakantieappartement met een oppervlakte van maximaal 100 m2, een gemeenschappelijke (ontbijt)ruimte met een oppervlakte van maximaal 60 m2, een vergaderruimte met een oppervlakte van maximaal 80 m2, ondergeschikte horeca en hieraan ondersteunende voorzieningen, uitsluitend in het hoofdgebouw en uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – ondergeschikte recreatie’;
met de daarbij behorende:
  1. gebouwen;
  2. bouwwerken, geen gebouwen zijnde,
  3. wegen en paden,
  4. speelvoorzieningen;
  5. parkeervoorzieningen;
  6. groenvoorzieningen;
  7. water en voorzieningen voor de waterhuishouding;
  8. tuinen en erven.
 
6.3 Bouwactiviteiten
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels:
 
6.3.1 Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
  1. hoofdgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd;
  2. de afstand tot de zijdelingse bouwperceelsgrens bedraagt:
    1. bij vrijstaande woningen aan twee zijde minimaal 3 m;
  3. de goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum goot- en bouwhoogte (m)’ is aangegeven.
 
6.3.2 Aan- en uitbouwen en bijbehorende bouwwerken
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.27 en 22.36 gelden de volgende regels voor aan- en uitbouwen en bijbehorende bouwwerken:
  1. de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 150 m²;
  2. het bebouwingspercentage per bouwperceel is maximaal 50%;
  3. de maximale goothoogte bedraagt 3,5 meter;
  4. de maximale bouwhoogte bedraagt 6 meter;
  5. gebouwd op een afstand van minimaal 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw, of het verlengde daarvan, met uitzondering van een carport welke op een afstand van 0,5 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw, of het verlengde daarvan mag worden opgericht.
 
6.3.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
In aanvulling op artikel 22.27 en 22.36 gelden de volgende regels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
  1. de maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt 2 meter.
 
6.4 Specifieke functieregels
 
6.4.1 Strijdig gebruik
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor:
  1. permanente of tijdelijke bewoning, voor zover het vrijstaande bijbehorende bouwwerken betreft;
  2. bedrijf aan huis;
  3. bewoning als afhankelijke woonruimte;
  4. kamerbewoning;
  5. seksinrichtingen.
 
Artikel 7 Waarde - Archeologie 2
 
7.1 Omschrijving
De voor ‘Waarde – Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en)functie(s), mede aangewezen voor instandhouding en bescherming van oudheidkundig waardevolle elementen en terreinen.
 
7.2 Bouwactiviteit
 
7.2.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten in ‘Waarde – Archeologie 2’.
 
7.2.2 Uitzonderingen
In afwijking van artikel 7.2.2 geldt geen vergunningsplicht voor een bouwactiviteit indien de aanvraag betrekking heeft op:
  1. de vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte op of onder het maaiveld niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  2. een bouwactiviteit die betrekking hebben op een of meer bouwwerken waarvan de totale te bebouwen oppervlakte kleiner is dan 100 m²; of
  3. een bouwactiviteit waarvan de graafwerkzaamheden of bodemverstoring niet dieper reiken dan een diepte van 30 cm.
  4. een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd, waarvan de bouwhoogte maximaal 3,00 m mag bedragen.
 
7.2.3 Toepassingscriteria
  1. Een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit in ‘Waarde – Archeologie 2’ wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
    1. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    2. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
    3. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  2. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
 
7.2.4 Aanvraagvereisten
  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in ‘Waarde – Archeologie 2’ worden, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waarin de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op:
      1. een bureauonderzoek;
      2. zo nodig een booronderzoek; en
      3. zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; en
      4. zo nodig een opgraving;
    2. funderingstekeningen, waaruit de omvang en de diepte van de samenhangende bodemverstoringen blijken als gevolg van de bouwactiviteit;
    3. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving;
    4. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor het booronderzoek;
    5. als sprake is van een archeologische (verwachtings)waarde onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
  2. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; of
    2. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.
 
7.3 Uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
7.3.1 Vergunningplicht
Het is verboden op of in de voor ‘Waarde – Archeologie 2' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden te verrichten:
  1. het afgraven van gronden;
  2. het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
  3. het uitvoeren van andere grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  4. het aanleggen en onderhouden van infrastructurele werken, zoals (spoor)wegen, tunnels, viaducten, rioleringen;
  5. het aanbrengen, verwijderen of verleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  6. het uitvoeren van inrichtingswerkzaamheden;
  7. het verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  8. het aanleggen, (ver)graven, verruimen, dempen of herprofileren van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
  9. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap;
  10. het baggeren, waaronder begrepen saneren en onderzuigen;
  11. het uitvoeren van werkzaamheden aan oevers en kaden;
  12. het aanplanten of verwijderen van diepwortelende bomen, hakhout en andere houtopstanden;
  13. winnen van grondstoffen;
  14. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem.
 
7.3.2 Uitzonderingen
  1. In afwijking van artikel 7.3.1 geldt geen vergunningsplicht voor werken of werkzaamheden:
    1. die worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud;
    2. die worden uitgevoerd binnen de bestaande diepte en oppervlakte van een bestaand cunet van een weg of leiding; of
    3. die worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek volgens een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen of, in geval van een booronderzoek, plan van aanpak.
  2. In aanvulling op het eerste lid geldt ook geen vergunningplicht als:
    1. de aanvraag betrekking heeft op een of meer werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden waarvan de totale oppervlakte kleiner is dan 100 m2; of
    2. de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden plaatsvinden op een diepte van niet meer dan 30 cm ten opzichte van het maaiveld.
 
7.3.3 Toepassingscriteria
  1. Omgevingsvergunning voor de werken en werkzaamheden in ‘Waarde – Archeologie 2’ wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
    1. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    2. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
    3. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  2. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
 
7.3.4 Aanvraagvereisten
  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een werk, geen bouwwerk zijnde, of bouwwerk in ‘Waarde – Archeologie 2’ worden, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een omschrijving van de aard van het werk, geen bouwwerk zijnde, of de werkzaamheid, met vermelding van:
      1. de omvang in vierkante meters; en
      2. de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld;
    2. een topografische kaart voorzien van een noordpijl en ten minste twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit;
    3. doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld;
    4. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waarin de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op
      1. een bureauonderzoek;
      2. zo nodig een booronderzoek; en
      3. zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; en
      4. zo nodig een opgraving
    5. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving; en
    6. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor een booronderzoek; en
    7. als sprake is van een (te verwachten) archeologisch monument onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
  2. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een bestek of werkomschrijving met bijbehorende tekeningen;
    2. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; of
    3. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.
 
7.4 Sloopactiviteit
 
7.4.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten in ‘Waarde – Archeologie 2’.
 
7.4.2 Uitzonderingen
  1. In afwijking van artikel 7.4.1 geldt geen vergunningplicht voor een sloopactiviteit waarbij de oppervlakte onder maaiveld niet wordt verstoord.
  2. In aanvulling op het eerste lid geldt ook geen vergunningplicht op de locatie ‘Waarde - Archeologie 2’ als:
    1. de aanvraag betrekking heeft op het slopen van een of meer bouwwerken waarvan de totale oppervlakte kleiner is dan 100 m2; of
    2. een sloopactiviteit plaatsvind op een diepte van niet meer dan 30 cm ten opzichte van het maaiveld.
 
7.4.3 Toepassingscriteria
  1. Omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in ‘Waarde – Archeologie 2’ wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
    1. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    2. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
    3. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  2. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
 
7.4.4 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in ‘Waarde – Archeologie 2’ worden aanvullend op het bepaalde in artikel 7.4.1 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
  1. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waaruit de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, in voldoende mate blijkt; en
  2. voor zover deze beschikbaar zijn: bestaande funderingstekeningen, waaruit de omvang en de diepte van de samenhangende bodemverstoringen blijken als gevolg van de sloopactiviteit.
 
7.5 Voorschriften aan vergunning
  1. Het bevoegd gezag kan de volgende voorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van activiteiten, als bedoeld in 7.2, 7.3 en 7.4 in een gebied met ‘Waarde – Archeologie 2’ in het belang van de archeologische monumentenzorg, die inhouden een plicht tot:
    1. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in situ kunnen worden behouden;
    2. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
    3. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;
    4. indien sub c van toepassing is, een regeling omtrent de gevolgen bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
    5. het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet;
    6. het binnen een bepaalde termijn starten van werkzaamheden;
    7. het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
    8. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
    9. het tijdig voor aanvang van werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; en
    10. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming met de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of van een programma van eisen.
  2. De voorschriften als bedoeld in het derde lid, onder a, kunnen worden gesteld over de wijze van slopen.
 
Artikel 8 Waarde - Ensemble 2
 
8.1 Omschrijving
De voor ‘Waarde - Ensemble 2’ aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen functies, ook bestemd voor instandhouding, bescherming en het versterken en/of te ontwikkelen cultuurlandschap.
 
8.2 Bouwactiviteit
 
8.2.1 Vergunningplicht
  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten in ‘Waarde – Ensemble 2’.
 
8.2.2 Toepassingscriteria
  1. Een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in ‘Waarde – Ensemble 2’ wordt alleen verleend indien, op basis van een cultuurhistorisch onderzoek is aangetoond dat, naar het oordeel van de cultuurhistorisch deskundige namens het bevoegd gezag, het bouwwerk:
    1. in overeenstemming is met het belang van het behoud van de kernkwaliteiten en kenmerken van het ensemble, zoals beschreven in de redengevende beschrijving van het betreffende ensemble;
    2. de zichtrelaties vanuit het ensemble naar het achterliggend cultuurlandschap in stand laat of verbetert.
  2. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel dat aantasting van de kernkwaliteiten en de kenmerken van het ensemble moet worden voorkomen.
 
8.2.3 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in een ‘Waarde Ensemble 2’ wordt, een rapport verstrekt, waarin aannemelijk is gemaakt dat, naar het oordeel van de cultuurhistorische deskundige, namens het bevoegd gezag, het bouwwerk in overeenstemming is met het belang van het behoud van de kernkwaliteiten en de kenmerken van het ensemble, zoals beschreven in de redengevende beschrijving van het betreffende ensemble.
 
8.3 Uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
8.3.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning om de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden te verrichten in ‘Waarde – Ensemble 2’:
  1. het afgraven van gronden;
  2. het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
  3. het uitvoeren van andere grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  4. het aanleggen en onderhouden van infrastructurele werken, zoals (spoor)wegen, tunnels, viaducten, rioleringen;
  5. het aanbrengen, verwijderen of verleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  6. het uitvoeren van inrichtingswerkzaamheden;
  7. het verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  8. het aanleggen, (ver)graven, verruimen, dempen of herprofileren van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
  9. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap;
  10. het baggeren, waaronder begrepen saneren en onderzuigen;
  11. het uitvoeren van werkzaamheden aan oevers en kaden;
  12. het aanplanten of verwijderen van diepwortelende bomen, hakhout en andere houtopstanden;
  13. winnen van grondstoffen;
  14. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem.
 
8.3.2 Uitzonderingen
In afwijking van artikel 8.3.1 (vergunningsplicht) geldt geen vergunningsplicht voor werkzaamheden:
  1. die worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud;
  2. die worden uitgevoerd binnen de bestaande diepte en oppervlakte van een bestaand cunet van een weg of leiding; of
  3. die worden uitgevoerd in het kader van cultuurhistorisch onderzoek volgens een door de cultuurhistorie deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen of, in geval van een booronderzoek, plan van aanpak.
 
8.3.3 Toepassingscriteria
  1. Een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden in ‘Waarde – Ensemble 2’ wordt alleen verleend indien, op basis van een cultuurhistorisch onderzoek is aangetoond dat, naar het oordeel van de cultuurhistorische deskundige namens het bevoegd gezag, de werken en werkzaamheden:
    1. in overeenstemming zijn met het belang van het behoud van de kernkwaliteiten en de kenmerken van een ensemble, zoals beschreven in de redengevende beschrijving van het betreffende ensemble;
    2. de zichtrelaties vanuit het ensemble naar het achterliggend cultuurlandschap in stand laten of verbeterd.
  2. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel dat aantasting van de kernkwaliteiten en de kenmerken van een ensemble moet worden voorkomen.
 
8.3.4 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden in ‘Waarde – Ensemble 2’ wordt, een rapport verstrekt, waarin aannemelijk is gemaakt dat, naar het oordeel van de cultuurhistorische deskundige, namens het bevoegd gezag, de werken en werkzaamheden in overeenstemming zijn met het belang van het behoud van de kernkwaliteiten en de kenmerken van het ensemble, zoals beschreven in de redengevende beschrijving van het betreffende ensemble.
 
8.4 Sloopactiviteit
 
8.4.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten in ‘Waarde – Ensemble 2’.
 
8.4.2 Toepassingscriteria
  1. Een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in ‘Waarde – Ensemble 2’ wordt alleen verleend indien, op basis van een cultuurhistorisch onderzoek is aangetoond dat, naar het oordeel van de cultuurhistorische deskundige namens het bevoegd gezag, de sloopactiviteit:
    1. in overeenstemming is met het belang van het behoud van de kernkwaliteiten en kenmerken van het ensemble, zoals beschreven in de redengevende beschrijving van het betreffende ensemble;
    2. de zichtrelaties vanuit het ensemble naar het achterliggend cultuurlandschap in stand laat of verbeterd.
  2. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel dat aantasting van de kernkwaliteiten en de kenmerken van het ensemble moet worden voorkomen.
 
8.4.3 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in ‘Waarde – Ensemble 2’ wordt, een rapport verstrekt, waarin aannemelijk is gemaakt, naar het oordeel van de cultuurhistorische deskundige, namens het bevoegd gezag, dat de sloopactiviteit in overeenstemming is met het belang van het behoud van de kernkwaliteiten en de kenmerken van een ensemble, zoals beschreven in de redengevende beschrijving van het betreffende ensemble.
 
8.5 Voorschriften aan vergunning
Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning voor een activiteit zoals beschreven in 8.2, 8.3 en 8.4 in ‘Waarde – Ensemble 2’ in het belang van het behoud van de kernkwaliteiten en de kenmerken van het ensemble, voorschriften opleggen ter bescherming van de kernkwaliteiten en de kenmerken van het ensemble.
 
3 Algemene regels
Artikel 9 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 10 Algemene gebruiksactiviteiten
 
Het is verbonden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken ander dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.
 
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:
  1. een gebruik van gronden als stort- en / of opslagplaats van grond en / of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de functie gerichte gebruik en onderhoud;
  2. een gebruik van gronden als stallings- en / of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de functie gerichte gebruik en onderhoud;
  3. een gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting dan wel ten behoeve van prostitutie.
 
Artikel 11 Algemene aanduidingsregels
 
11.1 Vrijwaringszone - dijk
 
11.1.1 Aanduidingsomschrijving
Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - dijk' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van de waterkerende functie van waterkeringen.
 
11.1.2 Bouwregels
  1. Op deze gronden mag geen nieuwe bebouwing worden opgericht.
  2. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op de herbouw van gesloopte of anderszins tenietgegane bestaande bebouwing, mits het bebouwd grondoppervlak niet wordt vergroot.
 
Artikel 12 Algemene beoordelingsregels
 
12.1 Vergunningsplicht voor afwijken
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning en in afwijking van de in dit hoofdstuk opgenomen beoordelingsregels het navolgende te vergroten:
  1. het bepaalde in deze regels en toestaan dat bouwgrenzen, niet zijnde functiegrenzen, worden overschreden, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 2,5 meter, mits deze noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing;
  2. het bepaalde in deze regels en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten wordt vergroot tot maximaal 40 meter;
  3. het bepaalde in deze regels over de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot niet meer dan 10 meter.
 
12.2 Voorwaarden afwijkingen
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel lid 12.1 wordt slechts verleend mits geen onevenredige afbreuk wordt van:
  1. het straat-, bebouwings- en landschapsbeeld;
  2. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
  3. de verkeersveiligheid;
  4. de sociale veiligheid.
 
4 Overgangsregels
Artikel 13 Overgangsrecht bouwwerken
 
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
 
Artikel 14 Overgangsrecht gebruik
 
  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.